• Combating organized crime - A study on undercover policing and the follow-the-money strategy

      Kruisbergen, E.W. (Vrije Universiteit Amsterdam, 2017)
      This thesis presents empirical evidence on two counterstrategies to organized crime in the Netherlands: the criminal justice approach and the financial approach ('follow the money'). For the criminal justice approach, it focuses on a specific method of criminal investigation: undercover policing. For the financial approach, it looks into what organized crime offenders actually do with their money as well as the efforts of law enforcement agencies to confiscate criminal earnings. CONTENT: 1. General introduction 2. Undercover policing: assumptions and empirical evidence Infiltrating organized crime groups: theory, regulation and results of a last resort method of investigation 3. Profitability, power, or proximity? 4. Organized crime offenders investing their money in legal economy 5. Explaining attrition: investigating and confiscating the profits of organized crime 6. Conclusion and discussion
    • De digitalisering van georganiseerde misdaad

      Odinot, G.; Poot, C. de; Verhoeven, M.; Kruisbergen, E.; Leukfeldt, R.; Kleemans, E.; Rok, R.; Bruggen, M. van der; Wagen, W. van der; Bernaards, F.; et al. (WODC, 2018)
      ARTIKELEN: 1. Geralda Odinot, Christianne de Poot en Maite Verhoeven - De aard en aanpak van georganiseerde cybercrime: Bevindingen uit een internationale empirische studie 2. Edwin Kruisbergen, Rutger Leukfeldt, Edward Kleemans en Robby Roks - Criminele geldstromen en ICT: Over innovatieve werkwijzen, oude zekerheden en nieuwe flessenhalzen 3. Madeleine van der Bruggen - Georganiseerde kinderporno netwerken op het darkweb 4. Wytske van der Wagen en Frank Bernaards - De ‘non-human (f)actor’ in cybercrime: Cybercriminele netwerken beschouwd vanuit het ‘cyborg crime’-perspectief 5. Thijmen Verburgh, Eefje Smits en Rolf van Wegberg - Uit de schaduw: Perspectieven voor wetenschappelijk onderzoek naar dark markets 6. Jan-Jaap Oerlemans - Facebookvrienden worden met de verdachte: Over undercoverbevoegdheden op internet 7. Bart Custers - Nieuwe online opsporings bevoegdheden en het recht op privacy: Een analyse van de Wet computercriminaliteit III SAMENVATTING: De digitalisering van de samenleving en het massale gebruik van internet hebben de samenleving in de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. Ook de zware en georganiseerde criminaliteit is niet onberoerd gebleven. Criminelen weten elkaar dankzij internet en ICT in bredere zin gemakkelijk te vinden en kunnen afgeschermd met elkaar communiceren. Ook kunnen aanbieders en vragers van illegale goederen en diensten ‘vanachter hun bureau’ zakendoen met elkaar. Bovendien is het bereik aan potentiële slachtoffers voor bijvoorbeeld fraude met betalingsverkeer sterk toegenomen en zijn er nieuwe mogelijkheden voor het witwassen van criminele verdiensten. Deze digitalisering van zware en georganiseerde criminaliteit is het thema van dit nummer van Justitiële verkenningen. In zeven artikelen biedt dit themanummer bieden inzichten uit empirisch wetenschappelijk onderzoek én opsporingsonderzoek op dit terrein. Digitalisering creëert immers niet alleen nieuwe kansen en mogelijkheden voor plegers van criminaliteit. Elke modus operandi kent zwakke plekken en elke technologie brengt ook kansen voor politie en justitie met zich mee.Het opsporingsonderzoek tegen Ennetcom is hier een treffend voorbeeld van. Ennetcom was een aanbieder van versleutelde communicatie die volgens het Openbaar Ministerie (OM) veelvuldig werd gebruikt door criminelen. In het opsporingsonderzoek kon een kopie worden gemaakt van de server waarop diensten van Ennetcom draaiden (2016). Daarmee bleek de Pretty Good Privacy (PGP) die gebruikers dachten te genieten toch niet zo sterk. Politie en justitie konden zo miljoenen versleutelde berichten ontcijferen. Een ander voorbeeld is het politieoptreden tegen de ondergrondse marktplaats Hansa, waarop kopers en verkopers van drugs elkaar troffen. In 2017 arresteerde de politie de beheerders van deze marktplaats en nam ook de servers in beslag. Bovendien hielden OM de marktplaats voor een bepaalde periode operationeel. Zo kwamen grote aantallen transacties én kopers en verkopers in beeld.
    • De Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden - Eindevaluatie

      Beijer, A.; Bokhorst, R.J.; Boone, M.; Brants, C.H.; Lindeman, J.M.W. (WODC, 2004)
      De Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden biedt over het algemeen een goede balans tussen een voldoende toedeling van bijzondere opsporingsbevoegdheden, een adequate regeling daarvan en controle daarop. Al langer bestaande bevoegdheden zijn nu preciezer en wettelijk geregeld. Dat biedt meer houvast bij de toepassing in de praktijk. De nieuwe bevoegdheid ‘opnemen van vertrouwelijke communicatie’ blijkt belangrijke bijdragen aan de opsporing te kunnen leveren. Dat blijkt uit de evaluatie van de Wet BOB die op 14 december 2004 naar de Tweede Kamer is gezonden. INHOUD: 1. Inleiding 2. Bijzondere opsporingsbevoegdheden vanuit het opsporingsperspectief 3. Transparantie Controle 4. Internationale samenwerking 5. Conclusies
    • Evaluatie van de Wet BOB - fase 1 - De eerste praktijkervaringen met de Wet Bijzondere opsporingsbevoedheden

      Bokhorst, R.J.; Kogel, C.H. de; Meij, C.F.M van der (WODC, 2002)
      Op 1 februari 2000 is de Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) in werking getreden. De minister van Justitie heeft aan de Kamer een evaluatie van deze wet toegezegd. Dit evaluatieonderzoek, dat wordt verricht door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), loopt van 2000 tot 2003. Het moet inzicht verschaffen in de mate waarin de doelstellingen van de Wet BOB worden gehaald en in de werkbaarheid van de regelgeving in de praktijk. Vanwege de omvang van het terrein dat onderwerp van de evaluatie is, is het onderzoek in twee fasen opgezet. Het onderzoek in de eerste fase kan al in een vroeg stadium een indruk geven van ervaringen met de Wet BOB. Daarnaast helpt de eerste fase onderzoeksvragen te specificeren die in de meer verdiepende tweede fase van het evaluatieonderzoek aan bod zullen komen. Dit rapport is het verslag van het eerste, beschrijvende gedeelte van het onderzoek, dat het karakter heeft van een procesevaluatie. Het geeft een indruk van de manier waarop aan de nieuwe wetgeving uitvoering wordt gegeven en van wat daarbij goed en minder goed verloopt. Het rapport bevat een bespreking van literatuur die over het Wetsvoorstel BOB is verschenen, een bespreking van de wet zelf en een inventarisatie en analyse van de ervaringen in de uitvoeringspraktijk tijdens de eerste anderhalf jaar dat de Wet BOB van kracht was. INHOUD: 1. Inleiding 2. Beschrijving van de Wet Bob en parlementaire behandeling 3. Verwachtingen en opvattingen over de Wet BOB: een literatuuroverzicht 4. Implementatie van de Wet BOB 5. Praktijkervaringen met de Wet BOB
    • Heimelijke opsporing in de Europese Unie - De normering van bijzondere opsporingsmethoden in de landen van de Europese Unie

      Tak, P.J.P. (red.) (Katholieke Universiteit Nijmegen, 2000)
      Het doel van het onderzoek is de verschillen in regelgeving en praktijk met betrekking tot het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden in beeld te brengen. Dergelijke verschillen kunnen van invloed zijn op de mogelijkheden tot samenwerking in de aanpak van georganiseerde criminaliteit. In het onderzoek wordt per land aandacht geschonken aan het gebruik van (A) observeren en volgen, (B) observatie met technische hulpmiddelen, (C) onderscheppen van telecommunicatie, (D) afluisteren met technische hulpmiddelen, (E) heimelijk maken van foto- en video-opnamen, (F) onderscheppen van poststukken, (G) gebruik van plaatsbepalingsmethoden, (H) inkijkoperaties, (I) informanten, (J) pseudokoop, (K) infiltranten, (L) gecontroleerde aflevering, (M) frontstores. De mate waarin bijzondere opsporingsmethoden zijn geregeld en de voorwaarden waaronder ze worden ingezet, verschillen sterk. Maar op een hoger abstractieniveau zijn er veel overeenkomsten. Belemmerende factoren voor internationale samenwerking in de opsporing liggen niet zozeer in de (verschillen in) regelgeving op het gebied van bijzondere opsporingsmethoden, alswel in (verschillen in) de strafvorderlijke systemen, rechtsculturen en werkwijze. Verder blijkt het instrument van internationale rechtshulp over het algemeen als te tijdsrovend te worden ervaren voor efficiënte grensoverschrijdende politiesamenwerking. Internationale politiesamenwerking is gebaat bij informatie over de hoofdlijnen van strafvorderlijke systemen van de landen waarmee wordt samengewerkt.
    • Infiltratie in het recht en in de praktijk

      Kruissink, M.; Hoorn, A.M. van; Boek, J.L.M.; Verrest, P.A.M. (medew.); Paulides, G. (medew.); Kockelkoren, M.G.J. (medew.); Beenakkers, E.M.Th. (medew.) (WODC, 1999)
      In het kader van de Parlementaire Enquete Opsporingsmethoden heeft het WODC onderzoek verricht naar bijzondere opsporingsmethoden, en in het bijzonder de methode van de infiltratie. Dit onderzoek valt in twee fasen uiteen. Als eerste een inventarisatie van de toepassing van infiltratie in de praktijk. Als tweede een onderzoek naar de effectiviteit van infiltratie. Hiervoor is de Centrale Toetsingscommissie (CTC) van het openbaar ministerie een belangrijke gegevensbron. Voor de eerste fase zijn bij de CTC gegevens verzameld over 102 infiltratiezaken over de periode 1995-1997. Ten behoeve van de tweede fase is uit die zaken een steekproef getrokken van 19 zaken. Deze gevalsstudies zijn uitgevoerd aan de hand van dossiers en interviews met betrokken officieren, politiële teamleiders en rechters. Na een uitgebreide beschrijving van de juridische context, de Wet Bijzondere Opsporingsmethoden BOB) en de vormen waarin infiltratie blijkens de literatuur voorkomt, wordt een beschrijving gegeven van de ter toetsing aan de CTC voorgelegde zaken. Besloten wordt met het onderzoek naar de effectiviteit van de methoden in de genoemde gevalsstudies. Geconcludeerd wordt dat het moeilijk blijkt te zijn tot harde uitspraken te komen over succes- en faalfactoren.
    • Inlichtingendiensten

      Fijnaut, C.; Wijk, R. de; Graaff, B. de; Wiebes, C.; Abels, P.H.A.M.; Willemse, R.; Hoekstra, F.; Schans, W. van der; Timmerman, E.; Wifferen, L. van; et al. (WODC, 2004)
      ARTIKELEN: 1. C. Fijnaut - Inlichtingendiensten in Europa en in Amerika; de heroriëntatie sinds de val van de Muur en 11 september 2001 2. R. de Wijk - Het gevaar van succes in de strijd tegen terrorisme; portret van de nieuwe vijand 3. B. de Graaff - Wie wint de 'war on terrorism'? 4. C. Wiebes - De problemen rond de internationale intelligence liaison 5. P.H.A.M. Abels en R. Willemse - Veiligheidsdienst in verandering; de BVD/AIVD sinds het einde van de Koude oorlog 6. F. Hoekstra - Infiltratie in de praktijk; BVD en CPN tijdens de Koude Oorlog 7. W. van der Schans en E. Timmerman - De AIVD en de burger; ervaringen van actievoerders en vreemdelingen 8. B. Hoogenboom - Inlichtingenwerk en ethiek; een wildernis van spiegels 9. L. van Wifferen - Het gebruik van AIVD-informatie in het strafproces 10. A. Slotboom en C. Wiebrens - Storm in de badkuip SAMENVATTING: Het lijkt slechts een kwestie van tijd voordat de roep om ruimere bevoegdheden voor inlichtingendiensten ook in Nederland zal klinken. Op dit moment is het gebruik van AIVD-informatie in het strafproces al een punt van discussie. Door de terroristische dreiging is het maatschappelijk klimaat voor honorering van dergelijke verlangens gunstig, maar het is de vraag hoever een open democratische samenleving kan gaan in haar streven naar veiligheid.
    • Lekken of verstrekken? - De informele informatie-uitwisseling tussen opsporingsinstanties en derden

      Ruth, A. van; Gunther Moor, L.; Buruma, Y. (medew.) (Kathollieke Universiteit Nijmegen - Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen, 1997)
      In deze studie staat de informele informatie-uitwisseling tussen opsporingsinstanties en derden centraal. Doel hiervan is zicht te verschaffen op de dagelijkse praktijk van deze informele informatie-uitwisseling. De rapportage is opgebouwd uit zes delen. In een eerste algemene deel (hoofdstukken 1 t/m 3) komen de vraagstelling en onderzoeksopzet van de studie aan de orde. Tevens wordt de informele informatie-uitwisseling als juridisch (hoofdstuk 2) en sociologisch verschijnsel (hoofdstuk 3) beschreven. Ook bevat dit deel een typologie en een indicatie van de omvang van dit fenomeen. De delen II t/ IV gaan vervolgens in op de specifieke verschijningsvormen van het verschijnsel. Achtereenvolgens komen aan de orde: de informatie-uitwisseling tussen opsporingsinstanties en bovenwereld (deel II), tussen opsporingsinstanties en wat de 'grijze' sector of het 'grijze' gebied kan worden genoemd (deel III), en de informatie-uitwisseling met de onderwereld (deel IV). Deel V bevat dan de conclusies en aanbevelingen, gevolgd door een juridische nabeschouwing in deel VI, van Ybo Buruma.
    • Opsporen onder dekmantel - regulering, uitvoering en resultaten van undercovertrajecten

      Kruisbergen, E.W.; Jong, D. de; Kouwenberg, R.F. (medew.) (WODC, 2010)
      Het onderzoek is verricht vanuit de volgende probleemstelling: Welke undercoverbevoegdheden worden uitgevoerd door politiële infiltratieteams en welke bijdrage levert de toepassing van de onderscheiden bevoegdheden aan de opsporing? Verder is in het onderzoek de Nederlandse wet- en regelgeving en jurisprudentie bestudeerd en is de regulering van undercovertrajecten in Nederland vergeleken met die van België, Duitsland, Engeland en Wales en de Verenigde Staten. INHOUD: 1. Inleiding 2. De regulering van undercovertrajecten in Nederland 3. De regulering van undercovertrajecten in het buitenland 4. Inzet van undercovertrajecten in de opsporingspraktijk: een eerste beeld 5. Inzet van undercovertrajecten in de opsporingspraktijk: resultaten, effecten en risico's 6. Slotbeschouwing
    • Post-Fort - Evaluatie van het strafrechtelijk onderzoek (1996-1999)

      Bunt, H. van de; Fijnaut, C.; Nelen, H. (WODC, 2001)
      Evaluatieonderzoek, uitgevoerd in opdracht van de Minister van Justitie, naar de activiteiten die politie en justitie in de periode 1996-1999 hebben ontplooid om de ware toedracht van de IRT-affaire te achterhalen. Het onderzoek werd in 1999 toegezegd aan de Tweede Kamer kamer n.a.v. de bevindingen van de Commissie-Kalsbeek. De probleemstelling die in dit onderzoek aan de orde komt is: Hoe heeft het strafrechtelijk onderzoek dat is verricht na afloop van het Fort-onderzoek gestalte gekregen? In het bijzonder wordt in het onderzoek aandacht besteed aan het post-Fort onderzoek en de sturing hiervan door het Openbaar Ministerie. Op basis van een wetenschappelijke analyse worden vervolgens aanbevelingen geformuleerd die in de toekomst als handvatten kunnen dienen bij de aanpak van complexe strafzaken.
    • Tappen en infiltreren

      Odinot, G.; Jong, D. de; Oerlemans, J.J.; Leij, J.B.J. van der; Kruisbergen, E.W.; Fijnaut, C. (WODC, 2012)
      ARTIKELEN: 1. G. Odinot en D. de Jong - Wie belt er nou nog? De veranderende opbrengst van de telefoontap 2. J.J. Oerlemans - Mogelijkheden en beperkingen van de internettap 3. J.B.J. van der Leij - Opsporingsbevoegdheden en privacy; een internationale vergelijking 4. E.W. Kruisbergen en D. de Jong - Undercoveroperaties: een noodzakelijk kwaad? Heden, verleden en toekomst van een omstreden opsporingsmiddel 5. C. Fijnaut - De exfiltratie van verdachte en veroordeelde criminelen; over de onmisbaarheid van een effectieve regeling voor coöperatieve criminele getuigen 6. Internetsites. SAMENVATTING: De telefoontap is een veelvuldig ingezet opsporingsmiddel. Nu de inzet van telefoontap steeds minder effectief blijkt en de internettap nog in de kinderschoenen staat, lijkt het voor de hand te liggen dat er in de opsporing meer aandacht zal komen voor andere bijzondere opsporingsmethoden, zoals observatie (stelselmatig volgen), infiltratie, pseudokoop en -dienstverlening, undercover stelselmatig informatie inwinnen, inkijken, direct afluisteren en bijstand en opsporing door burgers (informanten en infiltranten). In dit themanummer wordt daarnaast aandacht besteed aan het fenomeen exfiltratie, ofwel meewerkende criminele getuige.