• De bestrijding van witwassen, beschrijving en effectiviteit 2010-2013 - Startversie monitor anti-witwasbeleid

      Knoop, J. van der; Rollingswier, R. (Decide - Rijksuniversiteit Groningen, 2015)
      De Financial Action Task Force (FATF) heeft in een evaluatie in 2011 vastgesteld dat Nederland meer zicht moet krijgen op de effectiviteit van het gevoerde anti-witwasbeleid.Mede naar aanleiding van de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer namen de ministeries van Veiligheid en Justitie en Financiën het initiatief tot de ontwikkeling van een beleidsmonitor anti-witwasbeleid. Deze monitor zou de prestaties van de actoren in het veld van de witwasbestrijding in beeld moeten brengen, zodat de beleidsmakers beter in staat zijn hun regiefunctie te vervullen. Dit onderzoek heeft een drieledige doelstelling: Het verkrijgen van inzicht in de activiteiten van de actoren die betrokken zijn bij de bestrijding van witwassen en in de onderlinge zaak- en informatiestromen. Het verkrijgen van inzicht in de effectiviteit van het Nederlandse witwasbestrijding aan de hand van de criteria voor een effectieve witwasbestrijding van de FATF. Het ontwikkelen van de grondslag van een beleidsmonitor anti-witwasbeleid. INHOUD: 1. Inleiding 2. Achtergrond en doelstelling van het onderzoek 3. Vraagstelling 4. Aanpak van het onderzoek 5. De bestrijding van witwassen, effectiviteit 6. De spelers in het veld 7. Regie en coördinatie in de praktijk 8. De strafrechtelijke keten 9. Het meldsysteem van ongebruikelijke transacties, de WWFT 10. Effectiviteitscriteria FATF van anti-witwasbeleid 11. Richtlijnen voor een monitor anti-witwasbeleid
    • De export van in Nederland geteelde cannabis - Een schatting van de omvang en een bespreking van de mogelijkheden en beperkingen van het onderzoek

      Giessen, M. van der; Moolenaar, D.E.G.; Ooyen-Houben, M.M.J. van (WODC, 2014)
      Het huidige onderzoek brengt de mogelijkheden en beperkingen van het schatten van de export van in Nederland geteelde cannabis in kaart en beoogt, voor zover mogelijk, een nieuwe schatting van de export te maken. De Minister van Veiligheid en Justitie wil de vigerende schatting, die in 2012 door het Korps Landelijke Politie Diensten in het kader van de Criminaliteitsbeeldanalyse (CBA) Georganiseerde Hennepteelt is gedaan, hiermee laten valideren. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methoden van het onderzoek 3. De CBA 2012 schatting van de export van in Nederland geteelde cannabis 4. Uitbreiding van het rekenmodel 5. Actualisatie en onderbouwing van de registraties en aannames van de exportschatting 6. Het rekenmodel van de nieuwe schatting: modelleren van de productie, consumptie en export 7. Berekening van de export van in Nederland geteelde cannabis en de gevoeligheidsanalyse 8. Conclusie en discussie
    • Drugs in cijfers - Naar een manier om landelijke cijfers te verkrijgen over in beslag genomen drugs in Nederland

      Jacobs, M.J.G.; Pieron, M.; Roos-Nijkamp, L.M. (EMMA, 2016)
      Het WODC vraagt jaarlijks aan de Nationale Politie om landelijke cijfers aan te leveren over de totale hoeveelheden in beslag genomen drugs in Nederland, zowel voor de Nationale Drug Monitor als voor de rapportages aan het European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction (EMCDDA) en het United Nations Office on Drugs and Crime (UNODC). Die cijfers kunnen echter niet goed opgeleverd worden. Sommige politie-eenheden leveren wel cijfers aan, andere niet. Een volledig landelijk beeld ontbreekt daardoor. Deze constatering vormde de aanleiding om onderzoek te laten doen naar de achtergrond van dit probleem en vooral ook naar de vraag of er mogelijk praktische manieren zijn om toch tot landelijke cijfers te komen. INHOUD: 1. Onderzoeksachtergrond en -aanleiding 2. Huidige proces en registratie 3. Informatiebeheer en -ontsluiting 4. De beschikbaarheid van cijfers 5. Alles overziend
    • Drugsdelicten beschouwd - Over aard & omvang van Opiumwetfeiten in 2012 geregistreerd bij politie en Koninklijke Marechaussee

      Kruize, P.; Gruter, P. (Ateno, 2014)
      De probleemstelling van het onderzoek is drieledig en richt zich op de volgende vragen: Welke soorten drugs en welke typen delict zijn in het spel bij de geregistreerde Opiumwetfeiten in Nederland uit het jaar 2012? Wat zijn kenmerken van deze delicten in de onderscheiden Opiumwetfeiten? Wat zijn de kenmerken van de verdachten naar type delict? INHOUD: 1. Inleiding 2. Over de registratie van drugsdelicten 3. Opiumwetfeiten: bestandsanalyse 4. Dossieranalyse: uitleg van methode 5. Dossieranalyse: de resultaten 6. Verdachten van Opiumwetdelicten 7. Totaalbeeld
    • Een aantal alternatieve straffen en alternatieve strafexecuties nader bekeken - literatuuronderzoek II

      Netburg, C.J. van (samenst.) (WODC, 1995)
      In oktober 1994 is door de minister van Justitie een commissie onder voorziterschap van mr. F. Korthals Altes geïnstalleerd met als taakopdracht alternatieven te ontwikkelen voor andere vormen van rechtshandhaving dan strafrechtelijke en voor de vrijheidsstraf. Ten behoeve van de werkzaamheden van deze commissie is een inventarisatie gemaakt van binnen- en buitenlandse alternatieven ter (gedeeltelijke) vervanging van de vrijheidsstraf en ter verkorting van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Op verzoek van de commissie is een beperkt aantal van deze alternatieven nader bestudeerd.
    • Europees drugsrapport 2016 - Trends en ontwikkelingen

      Unknown author (Trimbos-instituut, 2016)
      Elk jaar dient iedere EU-lidstaat voor het Europees Monitoring Centrum voor Drugs en Drugsverslaving (EMCDDA) een rapport op te stellen over de stand van zaken en ontwikkelingen op het gebied van drugs in eigen land. Dit onderzoek betreft de situatie in 2014-2015. Het geeft de meest recente beschikbare registratiecijfers tot en met het jaar 2014 en beschrijft actualiteiten in 2014 en 2015 (o.a. nieuw aangenomen wetten, nieuwe drugsstrategieën, recent opgedoemde problemen). Het rapport wordt aangeleverd aan het EMCDDA, dat vervolgens op basis van alle landenrapporten het European Drug Report opstelt. Het WODC levert elk jaar een bijdrage over de ontwikkelingen in drugsgerelateerde criminaliteit: beleid en wetgeving, nieuwe interventies tegen deze criminaliteit, resultaten uit onderzoek dat recent gepubliceerd is over deze thematiek. Daarnaast worden registratiecijfers over drugsgerelateerde criminaliteit gepresenteerd, met nadruk op het meest actuele jaar. INHOUD: 1. Aanbod van drugs en de markt 2. Prevalentie en trends van drugsgebruik 3. Schadelijke gevolgen van drugsgebruik en maatregelen daartegen
    • Evaluatie preventief fouilleren

      Winter, H.B.; Beukers, M.; Boxum, C.; Cazemier, J.; Vols, M. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2022-06-17)
      De volgende vraagstelling staat in het onderzoek centraal: In welke mate en met welke overwegingen wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot (spoedeisend) preventief fouilleren (artikel 151b en 174b Gemeentewet), wat zijn de ervaringen van betrokken professionals en van betrokkenen op wie het instrument wordt toegepast, in hoeverre worden de beoogde doelstellingen gerealiseerd en wat zijn de mogelijkheden om de toepassing van het instrument preventief fouilleren te verruimen of verder te optimaliseren? Deze centrale vraagstelling is onderverdeeld in vier onderzoeksthema’s. Het gaat: I. Beleidsreconstructie; II. Toepassing preventief fouilleren; III. Overwegingen en ervaringen; en IV. Werking en doelbereiking. INHOUD: 1. Inleiding; 2. Juridisch kader; 3. Toepassing in aantallen; 4. Overwegingen voor de inzet en besluitvorming; 5. Uitvoeringspraktijk; 6. Werking en doelbereiking; en 7. Conclusie
    • Evaluatie Wet Herziening gerechtelijk vooronderzoek - Eerste fase van het onderzoek

      Verrest, P.A.M.; Beenakkers, E.M.Th. (WODC, 2002)
      Het onderzoek betreft een eerste verkennende fase van de evaluatie van de Wet Herziening Gerechtelijk Vooronderzoek, die op 1 februari 2000 in werking trad. De evaluatie is toegezegd door de Minister van Justitie aan het parlement. Het onderzoek is gesplitst in twee fasen. In de eerste fase is zowel onderzoek gedaan naar de achtergrond en de totstandkoming van de wet, als - in verkennende zin - naar de implementatie en de eerste signalen over de uitvoerbaarheid en de gevolgen in de praktijk. INHOUD: 1. Inleiding 2. De achtergronden van de herziening van het gerechtelijk vooronderzoek 3. De wijzigingen als gevolg van de nieuwe wet 4. De algemene gevolgen van de wet 5. Conclusie
    • Evaluatie Wet herziening GVO

      Unknown author (WODC, 2004)
      Uit dit onderzoek - uitgevoerd door de Erasmus Universiteit Rotterdam, in opdracht van het WODC - komt naar voren dat de herziene procedure van het gerechtelijk vooronderzoek die op 1 februari 2000 in werking trad, naar wens functioneert. Zo zijn officieren van justitie en rechters-commissarissen goed op de hoogte van de nieuwe regeling omtrent het doorzoeken van plaatsen en het inbeslagnemen van voorwerpen en sluit deze aan bij de werkwijze en bevoegdheidsverdeling die de praktijk als zinvol en werkbaar ervaart. Volgens de onderzoekers is een enkel punt voor verbetering vatbaar zoals in geval van een inkomend verzoek om rechtshulp waar de rol van de officier van justitie en de rechter-commissarissen niet altijd helder is. De herziening van de regeling doorzoeken van plaatsen is bedoeld om voorwerpen in beslag te nemen of personen aan te houden. Woningen en kantoren van geheimhouders mogen zonder toestemming van betrokkenen door de rechter-commissaris worden doorzocht om voorwerpen in beslag te nemen. Andere plaatsen mogen worden doorzocht door de officier van justitie, vervoermiddelen door elke opsporingsambtenaar. Voor het doorzoeken van plaatsen om personen aan te houden is iedere opsporingsambtenaar bevoegd, in sommige gevallen met voorafgaande machtiging van de officier van justitie. De mini-instructie is een nieuw element in de strafvordering dat met de wet herziening gerechtelijk vooronderzoek in het leven is geroepen. Het is de mogelijkheid van de verdediging om, vanuit de verdediging, onderzoekshandelingen door te zetten als een correctiemogelijkheid op de richting, die het OM met het onderzoek in wil slaan. Hoewel de mini-instructie is ontwikkeld als tegenhanger van het werk van politie en OM, laat de praktijk zien dat het ook voorkomt dat de onderzoekshandelingen wenselijk zijn voor het werk van politie en het OM. Met name is dit het geval bij het horen van getuigen. Verder blijkt dat, anders dan beoogd, de mini-instructie pas later in het voorbereidend onderzoek een rol speelt. Gelet op deze bevindingen concluderen de onderzoekers dat het OM, als leider van het onderzoek, altijd vooraf op de hoogte moet zijn van de start van een mini-instructie en ook zelf een mini-instructie zou moeten kunnen entameren. INHOUD: 1. Inleiding en verantwoording 2. Korte schets achtergrond wetswijziging, inhoud en toekomst; onderzoeksonderwerpen 3. De herziening van de wettelijke regeling inzake het doorzoeken van plaatsen 4. Praktijk van en ervaringen met de mini-instructie 5. Overige onderwerpen 6. Conclusies en aanbevelingen betreffende regeling doorzoeken van plaatsen
    • Evaluatierapport 'Target 2' - evaluatie van de opsporing en vervolging in een strafrechtelijk onderzoek naar de handel in bedreigde uitheemse diersoorten

      Bos, G.C.M.; Dalen, L. van; Eshuis, R.J.J.; Kramer, A.C. (WODC, 1995)
      Met de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 23 mei 1995 is een einde gekomen aan één van de eerste grotere zaken waarin handel in bedreigde diersoorten, te weten zwarte kaketoes, de inzet van een strafprocedure was. De hele procesgang alsmede het opsporingsonderzoek zijn in het voorliggende evaluatierapport neergelegd. In dit rapport staan aanbevelingen die van nut kunnen zijn in toekomstige opsporingsonderzoeken.
    • Gebruik van opsporingsbevoegdheden in de Wet Wapens en munitie (WWM) - Verslag van proefprojecten grensverkenning WWM-opsporingsbevoegdheden

      Gils, G. van; Braam, H. (BeleidsOnderzoek en Advies (BOA), 2000)
      Om een uitspraak te kunnen doen over de wenselijkheid en de meerwaarde van een eventuele uitbreiding van het wettelijke instrumentarium voor de aanpak van vuurwapencriminaliteit zijn in de eerste plaats in dit onderzoek de aard en de omvang van illegaal vuurwapengebruik nagegaan. Vooral de ontwikkelingen in de tijd, de ontwikkelingen in frequentie en ernst van de incidenten, werden daarbij als belangrijk beoordeeld. Vervolgens is met behulp van (de evaluatie van) speciale politiële 'acties' getracht de vraag te beantwoorden in hoeverre het bestaande instrumentarium voor de opsporing en vervolging van vuurwapencriminaliteit - bij een geïntensiveerde inzet - voldoet. Deze acties hebben landelijke bekendheid gekregen (o.a. de actie in de Millinxbuurt in Rotterdam en de acties in Amsterdam-Amstelland). Tot slot heeft het onderzoek getracht de vraag te beantwoorden of de lokale driehoek de mogelijkheden heeft de problematiek langs publiek- en privaatrechtelijke weg aan te pakken.
    • Goed beslagen - Een onderzoek naar administratieve lasten in beslagprocedures van de politie

      Vos, J.J.; Nieuwenhuizen, W.H. van den; Niezink, D.; Meer, A. van der (TNO Management Consultants, 2013)
      Bij het programma Minder regels meer op straat komen veel klachten binnen over de (administratieve) belasting die de werkwijze bij inbeslagneming meebrengt. Vanuit het programma is in overleg met het landelijk Beslag Interventieteam (BIT) en de portefeuillehouder beslag in de Raad van Korpschefs afgesproken dat gestreefd moet worden naar een vermindering van de administratieve belasting met behoud van de zorgvuldigheidswaarborgen. In dit onderzoek staat daarom de volgende hoofdvraag centraal: Welke knelpunten ervaart de politie in de praktijk bij de administratieve afhandeling van de huidige beslagregelingen en beslagprocedures en welke oplossingen zijn denkbaar om de administratieve lastendruk te verminderen? INHOUD: 1. Buitensporige administratieve last in het beslagproces? 2. De werking van de ketenbeslaghuizen 3. Knelpunten in het beslagproces en oplossingsrichtingen 4. Conclusies 5. Literatuur
    • Het innen van verkeersboetes op basis van de Wahv - Instrumenten, kosten en resultaat

      Eshuis, R.J.J. (WODC, 2020)
      Het voorliggende rapport heeft de inning van verkeersboetes op basis van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) als onderwerp. Het onderzoek is gericht op de effectiviteit van de inning van verkeersboetes en de kosten die daarmee zijn gemoeid. De agendering van het onderzoek volgde uit debatten over schuldenproblematiek en de mogelijke invloed van de wijze van incasseren van boetes op het ontstaan of verergeren van probleemschulden. De onderzoeksvragen luiden als volgt: 1a) In welke mate dragen afzonderlijke elementen (aanmaningen met verhoging van het bedrag, aanbieden betalingsregeling, bankbeslag, inschakelen gerechtsdeurwaarder, inname rijbewijs, buiten gebruik stellen voertuig, gijzeling) uit het arsenaal van instrumenten dat ter beschikking staat, bij aan de inning van verkeersboetes? Waarom zijn de verschillende instrumenten (niet of beperkt) effectief? 1b) Hoe verhouden zich de kosten tot de opbrengst van de inzet van deze instrumenten? Idem, voor betalingsregelingen? 2) Wat is bekend over de relatie tussen het niet betalen van verkeersboetes, en schuldenproblematiek? Draagt het verhogen van boetes bij niet-tijdige betaling bij aan het ontstaan van schuldenproblematiek? 3) Welke mogelijkheden heeft het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) om mensen met schuldenproblematiek vroegtijdig te kunnen identificeren, zodat daar bij de inzet van instrumenten rekening mee kan worden gehouden? 4a) Welke aanknopingspunten levert het onderzoek om de afwikkeling van boetes te optimaliseren? 4b) Op welke (sub)groepen van beboete verkeersovertreders zou eventueel vervolgonderzoek zich moeten richten? INHOUD: 1. Doel en aanleiding van dit onderzoek 2. Verkeersboetes en schuldenproblematiek 3. Het innen van boetes, instrumenten en inningsresultaat 4. De schaduwwerking van de verhoging van boetes 5. Uitgaven 6. Aandachtspunten voor beleid en onderzoek
    • Het vermogen te ontnemen - Evaluatie van de ontnemingswetgeving: eindrapport

      Nelen, J.M.; Sabee, V. (WODC, 1998)
      Sinds maart 1993 is nieuwe wetgeving van kracht waarmee de mogelijkheden zijn verruimd om wederrechtelijk verkregen voordeel af te romen. Deze rapportage is het eindrapport van het onderzoek dat aan de Tweede Kamer in 1993 in het vooruitzicht gesteld is. Het doel van het onderzoek was te achterhalen op welke wijze de ontnemingswetgeving is geïmplementeerd, en of deze beantwoordt aan de doelstellingen en verwachtingen. De hieruit voortvloeiende onderzoeksvragen zijn gegroepeerd rond drie thema's: beleid, uitvoering en rechtmatigheid. De opbouw van het rapport is als volgt: na een historische schets van de totstandkoming en de relevante beleidsontwikkelingen sedert de inwerkingtreding, wordt eerst een algemeen cijfermatig overzicht gegeven van de tot dusverre geboekte resultaten op ontnemingsgebied. Vervolgens wordt de ontnemingsprocedure in chronologische volgorde ontleed, van de opsporingsfase via de vervolging en behandeling van ontnemingszaken tot de tenuitvoerlegging van ontnemingssancties. Tot slot wordt er aandacht besteed aan de internationale component, en wordt de balans opgemaakt van 5 jaar ontnemingswetgeving. Aan de hand hiervan wordt geeindigd met een aantal aanbevelingen.
    • Het vermogen te ontnemen - Wetsevaluatie - fase 2

      Nelen, J.M.; Sabee, V.; Kouwenberg, R.F. (medew.) (WODC, 1996)
      Het onderhavige verslag geeft de tussenstand weer van de ervaringen die in de eerste tweeëneenhalf jaar met de ontnemingswetgeving zijn opgedaan en van de knelpunten die zich in deze periode op dit terrein hebben gemanifesteerd. De dataverzameling van de tweede fase is eind 1995 afgerond. Het doel van het onderzoek is in de eerste plaats te achterhalen op welke wijze de ontnemingswetgeving in de praktijk is geïmplementeerd. De bovengenoemde doelstelling is vertaald in een aantal concrete onderzoeksvragen; Wat zijn de uitgangspunten van het ontnemingsbeleid? Dit mede gezien het feit dat de ontnemingswetgeving niet op zich staat, maar deel uitmaakt van het beleid dat erop is gericht de buitgerichte aanpak binnen de diverse opsporingsinstanties en het openbaar ministerie te stimuleren; Welke instanties vervullen bij het scheppen van dit beleid een rol?; Welke rol vervullen deze instellingen?; Hoe gaan de diverse veldorganisaties met de ontnemingswetgeving en het beleid om? Welke organisatorische gevolgen brengt dit voor deze veldorganisaties met zich mee?; Met welke problemen worden de diverse actoren en instellingen bij de toepassing van de ontnemingswetgeving geconfronteerd? Deze vraag heeft vooral betrekking op het ontnemingsinstrumentarium; Hoeveel strafrechtelijke ontnemingszaken zijn er in de loop der tijd aanhangig gemaakt? In wat voor type(n) van zaken wordt het onemingsinstrumentarium ingezet.
    • Illegale vuurwapens in Nederland - Gebruik, bezit en handel in de periode 2001-2003

      Bruinsma, M.Y.; Moors, J.A.; Haaf, J. van (medew.); Poppel, J.W.M.J. van (medew.); Veenma, K.S. (medew.); Bergh, M.Y.W. von (medew.) (WODC, 2005)
      Het onderzoek heeft als doel om inzicht te geven in de ontwikkelingen omtrent de aard en omvang van vuurwapencriminaliteit in Nederland in de periode 2001-2003.
    • Inbeslagneming en confiscatie van crimineel vermogen - Een rechtsvergelijkend onderzoek naar de samenwerking inzake beslag en confiscatie in Duitsland, Engeland, Ierland en Italië

      Buisman, S.S.; Kooijmans, T.; Haenen, I.E.M.M.; Ouwerkerk, J.W.; Spapens, A.C.M. (Tilburg University - Tilburg Law School, 2017)
      De doelstelling van het onderzoek betreft het verschaffen van inzicht in de tweeledige vraag: Welke werkwijzen Duitsland, Engeland (en Wales), Ierland en Italië (naast Nederland) hanteren voor het in beslag nemen en confisqueren van vermogen met een vermoedelijk criminele herkomst in situaties zonder vervolgbare of veroordeelde dader; Tegen welke belemmeringen de Nederlandse autoriteiten en de autoriteiten in de genoemde landen aanlopen in geval van grensoverschrijdende samenwerking in dergelijke gevallen. Specifieke aandacht gaat hierbij vervolgens uit naar beslag en confiscatie van i) criminele opbrengsten onder zogenoemde ‘windhappers’ (zijnde personen die geen (of nauwelijks) geregistreerd inkomen hebben, maar wel veel geld te besteden hebben), ii) erfenissen die (geheel of ten dele) bestaan uit de opbrengsten van (vermoede) strafbare activiteiten van de erflater, iii) tegoeden die zijn aangetroffen op onbeheerde bankrekeningen, en iv) (grote) hoeveelheden cash geld dat is aangetroffen zonder dat een relatie tot een bepaalde persoon valt aan te wijzen. INHOUD: 1. Inleiding, probleemstelling en plan van aanpak 2. Inbeslagneming en confiscatie in Duitsland 3. Inbeslagneming en confiscatie in Engeland (en Wales) 4. Inbeslagneming en confiscatie in Ierland 5. Inbeslagneming en confiscatie in Italië 6. Knelpunten in de internationale samenwerking bij beslag en confiscatie vanuit Nederlands perspectief 7. Knelpunten in de internationale samenwerking bij beslag en confiscatie vanuit buitenlands perspectief 8. Conclusie: denkbare aandachtspunten voor Nederlandse inbreng bij internationaal overleg inzake wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van confiscatiebeslissingen
    • Inspannen tegen XTC - Eerste meting: stand van zaken 2002 nota 'Samenspannen tegen XTC'

      Snippe, J.; Kruize, A.; Bieleman, B. (Intraval, 2003)
      Doel van dit onderzoek is na te gaan hoe het staat met de inspanningen en de resultaten van de aanpak van synthetische drugs/XTC in 2002, het beginjaar van de intensivering van de aanpak volgens de nota “Samenspannen tegen XTC”? Het betreft de baselinemeting van het evaluatieonderzoek. De nota bevat een breed scala aan beleidsvoornemens om te komen tot een aanzienlijke reductie van de productie van en handel in XTC. De volgende vragen komen in dit rapport aan de orde:Welke inspanningen (input en proces) worden verricht door de verschillende actoren bij de bestrijding van XTC?Welke resultaten (output en outcome) worden behaald?Bestaat er een verband tussen (door actoren verrichte) inspanningen en (behaalde) resultaten?
    • Integraal afpakken van crimineel vermogen - Verkenning handvatten voor kosten en baten in de opsporings- en handhavingsfase

      Rij, C. van (Cebeon - Centrum Beleidsadviserend Onderzoek, 2018)
      Centraal in het onderzoek stonden de vragen naar de typen financiële en maatschappelijke kosten en baten van het integraal afpakken van crimineel vermogen: welke typen kosten en baten betrokken partijen verwachten; welke gegevens of indicatoren men hiervoor denkt te kunnen gebruiken om deze (integraal) te kunnen registreren, met zo beperkt mogelijke extra administratieve lasten; de hoogte van de strafrechtelijke, fiscale en bestuurlijke kosten en baten, voor zover het mogelijk is daarover nu al iets te zeggen. Voorts is in het onderzoek aandacht besteed aan in de praktijk door de partners in het strafrechtelijk, fiscaal en bestuurlijk domein ervaren belemmeringen voor het effectief vormgeven van het integraal afpakken en door hen gesignaleerde neveneffecten. INHOUD: 1. Inleiding 2. Analysekader 3. Stap 3 - Beleidsalternatief 'integraal afpakken': processen en ketenpartners 4. Stap 4 - Effecten en baten 5. Stap 5 - Kosten 6. Stap 7 - Overzicht kosten en baten 7. Knelpunten en neveneffecten integraal afpakken 8. Tot slot
    • Internationale bewijsgaring in strafzaken - Nederland, Engeland en Wales

      Groot, S.K. de (Universiteit Leiden - Seminarium voor bewijsrecht, 2000)
      Het onderzoek is het eerste in een reeks van drie, waarin een rechtsvergelijking wordt gemaakt tussen de strafvorderlijke stelsels en in het bijzonder het bewijsrecht van Nederland enerzijds en respectievelijk Engeland en Wales, Duitsland en Frankrijk anderzijds. Het Engelse (straf)procesrecht verschilt in vele opzichten van het Nederlandse. Zo is in Engeland het recht niet in wetboeken geordend, maar in rechtspraak en acts of parliament. Een vervolgingsmonopolie van het Openbaar Ministerie is in Engeland onbekend. In het Engelse recht is het vooronderzoek geheel in handen van de politie totdat het is afgerond. De rechtspositie van de verdachte is dan ook strikter geregeld dan in Nederland. Het getuigen- en deskundigenverhoor speelt in het Nederlandse recht een grotere rol dan in het Engelse recht, waar immers het onmiddelijkheidsbeginsel bepaalt dat verhoren die voorafgaand aan de zitting zijn afgenomen, geen zelfstandige waarde tijdens het onderzoek ter terechtzitting. In Engeland en Wales kunnen, in tegenstelling tot Nederland, verschoningsgerechtigden en geheimhoudingsplichtigen wel worden afgeluisterd. In het Engelse recht mogen de telefoontap-verbalen niet en de verbalen die van het direct afluisteren worden gemaakt wel als bewijs ter terechtzittingzitting worden gebruikt.