• Dossier TCR - Tien jaar schone schijn

      Eshuis, R.J.J.; Berg, E.A.I.M. van den (WODC, 1996)
      Dit rapport beoogt een totaalbeeld te presenteren van de illegale praktijken rond het bedrijf Tankcleaning Rotterdam (TCR) en daarbij risico's aan te geven met betrekking tot (tekortkomingen in) de huidige milieuwetgeving en de organisatie en werkwijze van het handhavingsnetwerk. In hoofdstuk 2 wordt de scheepsafvalstoffenmarkt beschreven. In hoofdstuk 3 worden achtergrondgegevens gepresenteerd die als'juridische context' zouden kunnen worden aangemerkt. het betreft de relevante wet-en regelgeving, de vergunningssituatie van TCR en Tankcleaning Amsterdam (TCA), een korte beschrijving van de delicten en de door het handelen van TCR veroorzaakte milieuschade. In hoofdstuk 4 worden de mechanismenachter het crimineel handelen blootgelegd. Daarbij wordt ondermeer ingegaanp de belangrijkste bedrijfdscredo's ('de bedrijfsfilosofie'), cultuur en leiderschap binnen het bedrijf en wordt het handelen van TCR bezien vanuit verschillende criminologische theorieën. In hoofdstuk 5 komt de rol van overheden aan de orde. Hierbij wordt ingegaan op de beleidscontext, de vergunningverlening, de handhavingsstategie, de uitvoering van toezicht en de wijze waarop de overheid reageerde op geconstateerde tekortkomingen bij het bedrijf. In hoofdstuk 6 wordt vervolgens, aan de hand van het bij TCR geconstateerde, nader ingegaan op mogelijkheden die de overheid heeft om dergelijke vormen van criminaliteit te voorkomen, of ten minste tijdig te signaleren en van een adequaat antwoord te voorzien. In hoofdstuk 7 ten slotte wordt de onderzoeksvraag gerecapituleerd en worden de belangrijkste conclusies gepresenteerd. INHOUD: 1. Inleiding De markt 2. Achtergrondgegevens bij de casus De organisatie TCR 3. De rol van de overheden 4. Vrije markt en regulering 5. Slotbeschouwing
    • Evaluatie van de Wet precursoren voor explosieven - Met aandacht voor het vergunningstelsel voor particulieren en de registratie- en meldplicht van bedrijven

      Kruize, P.; Gruter, P. (Ateno, 2021-06-28)
      Op 2 september 2014 is in de Europese Unie de verordening ‘over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven’ (98/2013) in werking getreden. De EU-verordening is op 1 juni 2016 in Nederland geïmplementeerd in de Wet precursoren voor explosieven (Wpe). Deze wet ziet er op toe dat verdachte transacties met precursoren worden gemeld en dat een aantal precursoren alleen door particulieren kunnen worden gekocht als ze over een vergunning beschikken. Vanaf 1 februari 2021 geldt de nieuwe EU-verordening (2019/1148) en had Nederland de keuze om het vergunningstelsel te continueren, aan te passen of af te schaffen. Om meer inzicht te verschaffen in werking van het vergunningstelsel (onder de oude verordening) is dit inventariserende evaluatieonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek richt zich, naast het vergunningstelsel, op de registratie- en meldplicht van marktpartijen. De probleemstelling voor het onderzoek luidt als volgt: Wat zijn de ervaringen van de betrokken partijen met de uitvoering van het vergunningstelsel, de registratie van transacties en de meldplicht uit de regelgeving voor het op de markt brengen van precursoren voor explosieven? INHOUD: 1. Inleiding, 2. EU-verordening en Wpe, 3. Vergunningstelsel, 4. Registratieplicht en meldplicht, 5. Toezicht, handhaving en opsporing, 6. Precursoren gebruikt voor explosieven, 7. Conclusies en nabeschouwing
    • Grip op milieuzaken - Evaluatie van de strafrechtelijke milieuhandhaving

      Ridder, J. de; Struiksma, N.; Schol, M.J. (WODC, 2009)
      De vraag die in dit onderzoek centraal staat is wat de effectiviteit is van het strafrechtelijk milieuhandhavingsarrangement zoals zich dat sinds 2005 heeft ontwikkeld.
    • Handhaving afvalstoffenregeling

      Frederiks, G.; Kessel, H.B.J.A. van; Holt, H. ten; Klein Koerkamp, K.A.; Bergen, A.W. van (WODC, 2003)
      NovioConsult heeft onderzoek gedaan naar de uitvoeringspraktijk van de handhaving van de afvalstoffenregelgeving in Nederland. Het onderzoek vond plaats op verzoek van de ministeries van Justitie en VROM. Onderzoeksvragen: - Wat is het nalevingsniveau met betrekking tot de afvalstoffenregelgeving? - Wat is de geschatte huidige capaciteit voor handhaving van de afvalstoffenregelgeving? - Welke knelpunten (zowel kwalitatief als kwantitatief) ervaren handhavers bij de handhaving van de afvalstoffenregelgeving? Door literatuurstudie en empirisch onderzoek in de vorm van een enquête en gesprekken met vertegenwoordigers van de bij de handhaving van de afvalstoffenregelgeving betrokken partijen, alsmede een workshop gericht op verificatie van bevindingen en het verdere verdiepen van de aanbevelingen, is gezocht naar de antwoorden op de onderzoeksvragen.
    • Identificatie van problematische regelgeving bij Bijzondere Opsporingsdiensten

      Winter, H.B.; Struiksma, N. (Bureau Winter & Schuiling, 1999)
      In het onderzoek is nagegaan wat in de literatuur en uit ervaringen van zes Bijzondere Opsporingsdiensten (BOD-en) blijkt over juridische knelpunten die BOD-en ondervinden bij de handhaving van voor hen relevante wet- en regelgeving. Tevens is nagegaan wat mogelijke indicatoren zijn om dergelijke knelpunten op te sporen.
    • Organisatie strafrechtelijke milieuhandhaving - Vooronderzoek inzake implementatie nieuwe organisatie Functioneel Parket en politie

      Rayer, J.; Mil, K. van; Smits, J.; Bouwens, N. (medew.); Weber, M. (medew.) (WODC, 2006)
      In 2007 is een evaluatie voorzien van de regionale milieuteams (RMT’s) en interregionale milieuteams (IMT’s). Het gaat daarbij niet alleen om omvang, vorm en deskundigheid, maar ook om de vraag of de teams in staat zijn zicht en greep te krijgen op de zwaardere milieudelicten. Dit is het hieraan voorafgaande inventariserende onderzoek waarbij de volgende vraag centraal staat: hoe vordert de implementatie van de nieuwe uitvoeringsorganisatie en zijn de vorderingen conform de afspraken, aannames en uitgangspunten die gesteld zijn in de brief van de ministeries van BZK en VROM van 25 maart 2004 (kamerstuknr. 22 343) aan de Tweede Kamer inzake de versnipperde aanpak van milieucriminaliteit.
    • Regionale samenwerking bij milieuhandhaving

      Donker, M.J.; Gemert, F.H.M. van; Homburg, G.H.J. (Regioplan, 2000)
      Het doel van het onderzoek was te toetsen hoe de regionale milieuhandhavingsverbanden tot ontwikkeling komen. In regionale milieuhandhavingsverbanden werken politie, justitie en bestuurlijk bevoegd gezag vooral samen om tot een betere handhaving te komen met betrekking tot zogenoemde inrichtingsgebonden milieucriminaliteit. In twee regio' s is reeds enkele jaren ervaring opgedaan met een handhavingsverband en in dertien arrondissementen is een handhavingsverband van start gegaan of in voorbereiding. De aanpak van de handhavingsverbanden varieert van enerzijds sterk operationele samenwerking tot anderzijds het gezamenlijk in kaart brengen van milieuproblemen en handhavingsrisico' s. Door feitelijke of gepercipieerde belangenconflicten komt samenwerking met het bestuur niet altijd even gemakkelijk tot stand. De praktijk leert dat vormgeving van een handhavingsverband volgens een duaal model de mogelijkheid biedt draagvlak met daadkracht te combineren. Het handhavingsverband bestaat in het duale model uit een handhavingsteam en een begeleidingscommissie. In het handhavingsteam selecteren politie en justitie de zaken en beslissen over operationele aspecten. In de begeleidingscommissie wordt het draagvlak gevormd in overleg met de bestuurlijke partners.
    • Schorsende werking van rechtsmiddelen bij bestuurlijke boetes

      Bröring, H.E.; Tollenaar, A.; Feenstra, M.; Outhuijse, A. (Rijksuniversiteit Groningen - Faculteit Rechtsgeleerdheid, 2020)
      Het verschil in schorsende werking van rechtsmiddelen tussen bestuursrecht en strafrecht heeft aanleiding gegeven tot de volgende probleemstelling. Hoe dient het als hoofdregel ontbreken van schorsende werking van bezwaar en beroep tegen boetebesluiten uit normatief respectievelijk empirisch oogpunt te worden beoordeeld? Is er reden om, overeenkomstig het strafrecht, te voorzien in een wettelijke regeling waarmee de effectuering van bestuurlijke boetes wordt geschorst gedurende de fase van rechtsbescherming tegen bestuurlijke boetes? Deze probleemstelling is uitgesplitst in de volgende deelvragen: - Waarom heeft bezwaar of beroep tegen een boetebesluit in het Nederlandse bestuursrecht als hoofdregel geen schorsende werking? - Welke uitzonderingen zijn er op deze hoofdregel en op welke gronden? - Hoe verhoudt de afwezigheid van schorsende werking van bezwaar en beroep tegen een boetebesluit zich tot het onschuldvermoeden? - Welke betekenis komt in dit verband de voorlopigevoorzieningenprocedure toe? - Hoe gaan bestuursorganen in de praktijk om met hun bevoegdheid tot invordering van bestuurlijke boetes? - In hoeverre speelt het treffen van een betalingsregeling daarbij een rol? INHOUD: 1. Inleiding 2. Schets van de problematiek; inrichting van het onderzoek 3. Normatief-juridische onderzoeksbevindingen 4. Empirisch-juridische onderzoeksbevindingen 5. Beantwoording onderzoeksvragen
    • Systeemtoezicht - een onderzoek naar de condities en werking van systeemtoezicht in zes sectoren

      Helderman, J.-K.; Honingh, M.E.; Thewissen, S. (medew.) (WODC, 2009)
      Om zicht te krijgen op de vraag hoe systeemtoezicht werkt en onder welke condities systeemtoezicht een geschikt arrangement is voor het uitvoeren van overheidstoezicht, werd in deze studie de volgend vraag geformuleerd: Onder welke contextuele en institutionele condities is systeemtoezicht een geschikt arrangement voor het uitvoeren van overheidstoezicht en hoe werkt systeemtoezicht in de praktijk bij de volgende zes inspecties: - Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW); - Staatstoezicht op de Mijnen (SodM); - Authoriteit Financiële Markten (AFM); - Voedsel en Waren Authoriteit (VWA); - Inspectie van het Onderwijs (IvhO); - Inspectie Gezondheidszorg (IGZ).