• Aanpak van de voorraad openstaande vrijheidsstraffen

      Winter, H.; Geertsema, B.; Krol, E.; Beukers, M.; Hoving, R. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2020)
      Dit onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de constatering dat er in 2018 ongeveer 11.000 personen waren die in Nederland zijn veroordeeld voor een vrijheidsstraf maar bij wie deze straf nog niet (volledig) ten uitvoer is gelegd. Omdat deze personen zich niet zelf hebben gemeld voor tenuitvoerlegging van hun straf en/of omdat de opsporingsinstanties deze personen niet kunnen oppakken, zijn zij aangemerkt als ‘onvindbare veroordeelden’. De Minister voor Rechtsbescherming heeft uitgesproken dat dit een onwenselijke situatie is en dat er maatregelen getroffen dienen te worden om ervoor te zorgen dat de vrijheidsstraffen van deze personen alsnog ten uitvoer worden gelegd. In dit onderzoek staan de volgende onderzoeksvragen centraal: In welke mate hebben andere landen te maken met het probleem van onvindbare veroordeelden? Welke maatregelen nemen zij om onvindbare veroordeelden op te sporen en alsnog de opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen? Welke mogelijkheden tot internationale samenwerking zijn er inzake de opsporing en aanhouding van onvindbare veroordeelden die zich in een ander land bevinden en inzake de overdracht van deze personen naar Nederland of de overdracht van de straf naar een ander land? Welke knelpunten belemmeren de internationale samenwerking en welke mogelijkheden bestaan er om deze te vergemakkelijken? INHOUD: 1. Inleiding 2. Veroordeling, opsporing en tenuitvoerlegging straffen in Nederland 3. Veroordeling, opsporing en tenuitvoerlegging straffen in het buitenland vergeleken met Nederland 4. Mogelijkheden tot afname van de voorraad
    • Cameratoezicht in het publieke domein in EU-landen

      Meijer, B. (WODC, 2000)
      Het gebruik van camera’s in het publieke domein staat op dit moment sterk in de belangstelling. Diverse steden hebben camera’s in het publieke domein geplaatst of zijn van plan dit te gaan doen. In Nederland is er echter weinig kennis beschikbaar over de voorwaarden, regelgeving en effecten van cameratoezicht in het publieke domein. Daarom is er behoefte aan een literatuurstudie naar de aspecten van cameratoezicht in het publieke domein in landen van de Europese Unie waar men reeds ervaringen hiermee heeft opgedaan. Hierbij staat een aantal onderzoeksvragen centraal. Het gaat om het doel van cameratoezicht, de voorwaarden, de uitvoering en de effecten. Om deze vragen te beantwoorden is telefonisch contact gezocht met de ministeries van Binnenlandse Zaken of Justitie (of beiden) in de diverse landen. Hieruit bleek dat in Groot-Brittannië, Ierland, Frankrijk, België en Finland cameratoezicht in het publieke domein was en dat informatie hieromtrent aanwezig was. Naar deze landen is nader onderzoek verricht. Omdat geschreven informatie niet altijd aanwezig bleek te zijn, is er ook gebruik gemaakt van mondelinge informatie. Naast het analyseren van de literatuur over cameratoezicht in het publieke domein hebben verscheidende telefonische interviews plaatsgevonden met experts op dit gebied in de desbetreffende landen en is er een bezoek gebracht aan het ‘Home Office’ en een cameraproject in Groot-Brittannië. INHOUD: 1. Inleiding 2. Het doel van cameratoezicht 3. Voorwaarden voor cameratoezicht 4. De uitvoering van cameratoezicht 5. De effecten van cameratoezicht 6. Samenvatting en conclusies
    • Controlling organised crime - Organisational changes in the law enforcement and prosecution services of the EU member states

      Boer, M. den (ed.); Doelle, P. (ed.) (European Institute of Public Administration, 1999)
      In order to ensure optimal comparability between the research findings, a joint standard questionnaire4 was designed. One of the main reference points in the questionnaire was a series of EU legal instruments, which have been adopted in the field of justice and home affairs cooperation (Title VI Treaty on European Union). In particular the recommendations of the 1997 High Level Group Action Plan on Organised Crime — which pertain to the creation of national contact points and national coordination centres — offered both a functional and comparative perspective on the adaptation of national law enforcement structures to the threat of organised crime. The questionnaire covered the following fields:General characteristics of the national criminal justice systems, in particular the organisational structures of the police service and the prosecution service;Reorganisation or structural adaptation flowing from or related to the EU legal instruments (e.g. the 1997 EU Action Plan on Organised Crime, the 1991 EC Money Laundering Directive);Reorganisation relevant to the control of organised crime, but not directly related to European influences (e.g. flowing from national parliamentary inquiries);Main structures for international cooperation, in particular the organisation of international information and intelligence flows;Multidisciplinary cooperation structures with bodies other than police or prosecution (e.g. customs service, intelligence service, special investigation services, financial intelligence units, private investigation departments, and private security companies);Accountability systems and authorisation procedures relating to the investigation of organised crime cases;The rationale, the acceptance and the expected effectiveness of the reorganisation or reforms within the police and/or prosecution service.
    • De bescherming van persoonsgegevens - Acht Europese landen vergeleken

      Custers, B. (eindred.); Dechesne, F.; Georgieva, I.; Hof, S. van der; Sears, A.M.; Tani, T. (Universiteit Leiden - Elaw, Center for Law and Digital Technologies, 2017)
      De verschillen in de mate van bescherming van persoonsgegevens roept de vraag op in welk land persoonsgegevens (en daarmee een belangrijk deel van iemands privacy) het beste zijn beschermd en hoe goed de bescherming van persoonsgegevens in Nederland is geregeld in vergelijking met andere landen. Is Nederland een achterhoedespeler, een middenmoter of een koploper op het vlak van privacybescherming? Dit leidt tot de centrale vraagstelling van dit onderzoek: Wat is de positie van Nederland met betrekking tot de bescherming van de persoonsgegevens van de burgers in vergelijking met enkele andere landen binnen de Europese Unie? Om te komen tot een antwoord op deze vraag zijn zes deelvragen geformuleerd: Wat is de algemene situatie rondom de bescherming van persoonsgegevens? Welk beleid wordt er vanuit de nationale overheid gevoerd om persoonsgegevens te beschermen? Welke wet- en regelgeving is van toepassing op de bescherming van persoonsgegevens? Op welke wijze zijn wetgeving en beleid op het terrein van bescherming van persoonsgegevens in de praktijk vormgegeven? Hoe zijn toezicht en handhaving bij bescherming van persoonsgegevens georganiseerd? Wanneer de acht onderzochte landen met elkaar worden vergeleken op bovengenoemde aspecten, wat is dan de positie van Nederland? INHOUD: 1. Inleiding 2. Nederland 3. Duitsland 4. Zweden 5. Verenigd Koninkrijk 6. Ierland 7. Frankrijk 8. Roemenië 9. Italië 10. Conclusie
    • De valbijl in het wetgevingsproces - Een rechtsvergelijkend onderzoek naar de werking van het discontinuïteitsprincipe in de landen van de Europese Unie

      Schagen, J.A. van; Besselink, L.F.M.; Kummeling, H.R.B.M. (Rijksuniversiteit Utrecht - Instituut voor Staats- en Bestuursrecht, 1996)
      Vooral sinds de jaren tachtig is er veel belangstelling voor problemen van wetgeving. De aandacht is daarbij zowel gericht op de kwaliteit van wetgeving als op mogelijke feilen in het wetgevingsproces. In verband met dit laatste gaf het kabinet in 1993 in zijn nota 'Voortvarend wetgeven' aan, de lange duur van de wetsprocedure als een probleem te zien. Als een van de mogelijke oplossingen werd gewezen op het introduceren van de 'valbijlprocedure', een procedure waarbij niet afgehandelde wetgeving na afloop van een bepaalde parlementaire periode komt te vervallen. De volgende probleemstelling werd bij het onderzoek als uitgangspunt genomen: Welke ervaringen zijn in de landen van de Europese Unie opgedaan met (varianten van) een valbijlprocedure, met name in landen waarin de onderlinge verhouding tussen regering en parlement vergelijkbaar is met Nederland?
    • Flexibele bruggenbouwer zoekt stevig fundament - Wat werkt bij de inzet van vrijwilligers binnen de reclassering?

      Höing, M.; Heemskerk, I. (Höing & Heemskerk, 2019)
      Binnen de reclasseringsorganisaties wordt al op beperkte schaal gewerkt met vrijwilligers (Bureau Buitenland, COSA en een aantal lokale projecten). Er wordt daarnaast in het kader van stimuleringsprogramma’s als ‘Ruim baan’ en ‘Koers en Kansen’ geëxperimenteerd met enkele pilots. Momenteel ontbreekt het nog aan een visie met betrekking tot doelen van de inzet van vrijwilligers bij reclasseringstaken, kennis over mogelijke modellen voor de organisatie van de vrijwillige inzet, en modellen voor de taken van vrijwilligers en de samenwerking met beroepskrachten. In verschillende andere landen is hiermee veel ervaring opgedaan, die mogelijk van betekenis kan zijn voor de ontwikkeling van een visie, en van beleid en werkwijzen in Nederland. Hiertoe zijn praktijken in Ierland, Engeland, Zweden, Oostenrijk en Japan onderzocht. Door deze keuze van landen konden diverse modellen voor de inzet van vrijwilligers worden vergeleken. De probleemstelling is in drie deelvragen verdeeld: Hoe is in de geselecteerde landen en projecten de inzet van vrijwilligers bij reclasseringstaken georganiseerd, onder welke randvoorwaarden werken zij, welke taken voeren zij uit en hoe verhoudt het werk van de vrijwilligers zich tot het werk van betaalde reclasseringswerkers? Wat zijn in de onderzochte landen werkzame mechanismen voor de inzet van vrijwilligers met betrekking tot werving en selectie, training en begeleiding, binding aan de organisatie, samenwerking met betaalde reclasseringswerkers en wat is bekend over het resultaat van de inzet van vrijwilligers? In hoeverre zijn de onderzochte voorbeelden bruikbaar voor het reclasseringswerk in Nederland? INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksaanpak 3. de organisatie van de inzet van vrijwilligers 4. De inzet van vrijwilligers 5. Betekenis voor de Nederlandse context 6. Conclusies en discussie 7. Referenties
    • Grensoverschrijdende beveiligers en rechercheurs - Inventarisatie regelgeving particuliere beveiliging en recherche in zes EU-landen; eindrapport

      Batelaan, H.; Bos, J. (WODC, 2006)
      In ons land worden eisen gesteld aan de betrouwbaarheid van particuliere beveiligers en particuliere rechercheurs, evenals aan leidinggevenden van de beveiligingsbedrijven en recherchebureaus. Voor de screening van deze personen zijn beleidsregels opgesteld. Het Hof van Justitie EU heeft vorig jaar – in het licht van het vrije verkeer van diensten – geoordeeld dat wij onze eisen niet onverkort mogen stellen aan particuliere beveiligingsbedrijven en recherchebureaus uit andere EU-landen. Als deze bedrijven (en hun medewerkers) in hun eigen land al aan verplichtingen hebben voldaan, moet daarmee rekening worden gehouden. Om daarmee rekening te kunnen houden is o.a. nodig dat wij zicht hebben op de eisen die in andere EU-landen aan de betrouwbaarheid worden gesteld. In overleg met de beleidsdirectie en de branche zullen de meest relevante EU-landen worden geselecteerd voor het onderzoek.
    • Grenzeloos!? - Een verkennend onderzoek in relatie tot (veroordeelde) plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik

      Wolsink, J.; Boer, H. de; Wijk, A. van; Swart, L. de; Hoog, G. op 't (Bureau Beke, 2021-12-30)
      Naar aanleiding van een artikel in De Telegraaf over de zaak van de Nederlander Hans V., worden in maart 2019 Kamervragen gesteld over de beschikbare maatregelen voor veroordeelde plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik. Ook worden twee moties ingediend waarin de regering verzocht wordt om te onderzoeken op welke wijze de reisbewegingen van plegers verder beperkt kunnen worden. In zijn reactie concludeert de minister voor Rechtsbescherming dat de huidige maatregelen beter benut kunnen worden. De doelstelling in dit onderzoek is tweeledig: 1) meer inzicht krijgen in de profielen van plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik en 2) nagaan of er in het buitenland maatregelen bestaan gericht op het voorkomen van transnationaal seksueel kindermisbruik die ook in Nederland van toegevoegde waarde zouden kunnen zijn. INHOUD: 1. Inleiding 2. Transnationaal seksueel kindermisbruik in de wetenschappelijke literatuur 3. Inventarisatie van het instrumentarium 4. Introductie internationaal onderzoek 5. Landenstudie Zweden 6. Landenstudie Duitsland 7. Landenstudie Ierland 8. Landenstudie Australië 9. Landenstudie Verenigde Staten 10. Beantwoording onderzoeksvragen en conclusies
    • Heimelijke opsporing in de Europese Unie - De normering van bijzondere opsporingsmethoden in de landen van de Europese Unie

      Tak, P.J.P. (red.) (Katholieke Universiteit Nijmegen, 2000)
      Het doel van het onderzoek is de verschillen in regelgeving en praktijk met betrekking tot het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden in beeld te brengen. Dergelijke verschillen kunnen van invloed zijn op de mogelijkheden tot samenwerking in de aanpak van georganiseerde criminaliteit. In het onderzoek wordt per land aandacht geschonken aan het gebruik van (A) observeren en volgen, (B) observatie met technische hulpmiddelen, (C) onderscheppen van telecommunicatie, (D) afluisteren met technische hulpmiddelen, (E) heimelijk maken van foto- en video-opnamen, (F) onderscheppen van poststukken, (G) gebruik van plaatsbepalingsmethoden, (H) inkijkoperaties, (I) informanten, (J) pseudokoop, (K) infiltranten, (L) gecontroleerde aflevering, (M) frontstores. De mate waarin bijzondere opsporingsmethoden zijn geregeld en de voorwaarden waaronder ze worden ingezet, verschillen sterk. Maar op een hoger abstractieniveau zijn er veel overeenkomsten. Belemmerende factoren voor internationale samenwerking in de opsporing liggen niet zozeer in de (verschillen in) regelgeving op het gebied van bijzondere opsporingsmethoden, alswel in (verschillen in) de strafvorderlijke systemen, rechtsculturen en werkwijze. Verder blijkt het instrument van internationale rechtshulp over het algemeen als te tijdsrovend te worden ervaren voor efficiënte grensoverschrijdende politiesamenwerking. Internationale politiesamenwerking is gebaat bij informatie over de hoofdlijnen van strafvorderlijke systemen van de landen waarmee wordt samengewerkt.
    • Inbeslagneming en confiscatie van crimineel vermogen - Een rechtsvergelijkend onderzoek naar de samenwerking inzake beslag en confiscatie in Duitsland, Engeland, Ierland en Italië

      Buisman, S.S.; Kooijmans, T.; Haenen, I.E.M.M.; Ouwerkerk, J.W.; Spapens, A.C.M. (Tilburg University - Tilburg Law School, 2017)
      De doelstelling van het onderzoek betreft het verschaffen van inzicht in de tweeledige vraag: Welke werkwijzen Duitsland, Engeland (en Wales), Ierland en Italië (naast Nederland) hanteren voor het in beslag nemen en confisqueren van vermogen met een vermoedelijk criminele herkomst in situaties zonder vervolgbare of veroordeelde dader; Tegen welke belemmeringen de Nederlandse autoriteiten en de autoriteiten in de genoemde landen aanlopen in geval van grensoverschrijdende samenwerking in dergelijke gevallen. Specifieke aandacht gaat hierbij vervolgens uit naar beslag en confiscatie van i) criminele opbrengsten onder zogenoemde ‘windhappers’ (zijnde personen die geen (of nauwelijks) geregistreerd inkomen hebben, maar wel veel geld te besteden hebben), ii) erfenissen die (geheel of ten dele) bestaan uit de opbrengsten van (vermoede) strafbare activiteiten van de erflater, iii) tegoeden die zijn aangetroffen op onbeheerde bankrekeningen, en iv) (grote) hoeveelheden cash geld dat is aangetroffen zonder dat een relatie tot een bepaalde persoon valt aan te wijzen. INHOUD: 1. Inleiding, probleemstelling en plan van aanpak 2. Inbeslagneming en confiscatie in Duitsland 3. Inbeslagneming en confiscatie in Engeland (en Wales) 4. Inbeslagneming en confiscatie in Ierland 5. Inbeslagneming en confiscatie in Italië 6. Knelpunten in de internationale samenwerking bij beslag en confiscatie vanuit Nederlands perspectief 7. Knelpunten in de internationale samenwerking bij beslag en confiscatie vanuit buitenlands perspectief 8. Conclusie: denkbare aandachtspunten voor Nederlandse inbreng bij internationaal overleg inzake wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van confiscatiebeslissingen
    • Legal aid in Europe - Nine different ways to guarantee access to justice?

      Barendrecht, M.; Kistemaker, L.; Scholten, H.J.; Schrader, R.; Wrzesinka, M. (Hague Institute for the Internationalisation of Law (HIIL), 2014)
      This is a comparative research about legal aid in nine countries: France, Germany, Belgium, England & Wales, Scotland, Ireland, Poland, Finland and the Netherlands. This report addresses two questions:How are state-financed legal aid systems organised in these countries?Which minimum requirements for state-financed legal aid can be reduced from the European Convention of Human Rights (ECHR) and from case law of the European Court of Human Rights (ECtHR)? CONTENT: 1. Comparing legal aid systems 2. Components of the legal aid system 3. Costs and financing of legal aid 4. Legal aid per type of problem 5. General trends in innovation and reforms 6. ECHR case law 7. Findings and trends
    • Middelengebruik en geweld - Een literatuurstudie naar de relatie tussen alcohol, drugs en geweld

      Ramaekers, J.G.; Verkes, R.J.; Amsterdam, J.G.C. van; Brink, W. van den; Goudriaan, A.E.; Kuypers, K.P.C.; Arends, R.; Schellekens, A.F.A. (Universiteit Maastricht - Faculteit Psychologie en Neurowetenschappen, 2016)
      Op 1 januari 2017 zal het wetsvoorstel voor middelenonderzoek bij geweldplegers in werking treden. Het kabinet geeft met het wetsvoorstel uitvoering aan de motie-Markouch uit 2011 over middelengebruik als zelfstandig strafverhogend element bij geweld. In het Wetboek van Strafvordering worden twee nieuwe artikelen ingevoegd die opsporingsambtenaren de bevoegdheid geven om aangehouden verdachten van geweldsdelicten tegen personen, goederen en dieren te bevelen mee te werken aan een onderzoek naar gebruik van middelen. Het doel van de wetswijziging is om de aanpak van geweld onder invloed van alcohol of drugs te verbeteren en middelengerelateerd geweld terug te dringen, zodat de veiligheid in het openbare leven en in de huiselijke kring wordt vergroot. Bij algemene maatregel van bestuur zullen vooralsnog alleen alcohol, cocaïne, amfetamine en methamfetamine onder de wet gaan vallen, omdat van deze middelen volgens een NFI-expertgroep een relatie met geweld wordt aangenomen. Naast overmatig alcoholgebruik, leiden vooral het gebruik van cocaïne, amfetamine of methamfetamine in combinatie met alcohol tot hogere risico’s op gewelddadig gedrag. In het kader van het wetsvoorstel bestaat er een behoefte aan een ‘state-of-the-art’ inzicht in de relatie tussen middelengebruik en geweld. Het onderhavige literatuuroverzicht beoogt om de relatie te beschrijven op basis van de beschikbare wetenschappelijke literatuur. INHOUD: . A. Samenvatting B. Inleiding en doelstelling C. Epidemiologie van alcohol- en druggerelateerd geweld D. Andere drugs en geweld E. Agressie onder invloed - drempel-concentraties F. Aard van het middelen-gerelateerd geweld - individuele en situationele factoren G. Antwoorden op de vragen van het WODC
    • Recht doen aan genderidentiteit evaluatie drie jaar transgenderwet in Nederland 2014-2017

      Brink, M. van den; Snaathorst, D. (medew.) (Universiteit Utrecht - Molengraaff Instituut voor Privaatrecht, 2017)
      Dit onderzoek brengt in kaart in hoeverre de transgenderwet voldoet aan de doelstellingen van de wetgever. Dat betreft zowel praktische doelstellingen zoals vereenvoudiging van de procedure en uitvoerbaarheid, als het overkoepelende doel om de wet in overeenstemming te brengen met de huidige mensenrechtelijke normen. De centrale vraag die in dit onderzoek zal worden beantwoord, luidt:In hoeverre voldoet de wet van 1 juli 2014 aan de doelstellingen van de wet, te weten vereenvoudiging van de procedure en respect voor mensenrechten, en zijn er – mede in het licht van ervaringen in het buitenland – mogelijkheden om de wet nog verder in overeenstemming te brengen met die doelstellingen, zonder afbreuk te doen aan de uitvoerbaarheid of te leiden tot een toename van (identiteits)fraude? INHOUD: 1. Inleiding 2. De wet in Argentinië, Ierland, Malta en Noorwegen 3. Discussie en conclusies
    • Registratie en monitoring van kindermishandelingszaken - Een kwalitatieve studie naar beleid en systemen in het buitenland

      Grietens, H. (Rijksuniversiteit Groningen - Faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen, 2018)
      De overheid is zich bewust van de problemen inzake registratie en monitoring van kindermishandelingszaken in de justitieketen en wil hierin verandering brengen. Een eerste stap naar verbetering van het systeem kan bestaan in het onderzoeken hoe registratie en monitoring van kindermishandelingszaken verlopen in het buitenland. Dit project is een uitwerking van deze eerste stap en heeft twee doelen. Ten eerste worden voorbeelden gegeven van hoe in het buitenland zaken van kindermishandeling worden geregistreerd en gemonitord. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar justitie, maar ook naar de kinderbescherming binnen de sociale sector (welzijn). Ten tweede is onderzocht welke systemen van registratie en monitoring relevant kunnen zijn voor de Nederlandse context, met bijzondere aandacht voor recente innovaties.Er zijn dertien landen in de steekproef geïncludeerd: België (regio Vlaanderen), Canada, Denemarken, Duitsland, Engeland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Noorwegen, Verenigde Staten, Zweden en Zwitserland. INHOUD: 1. Achtergrond en probleemstelling 2. Methode 3. Context van de kinderbescherming 4. Registratie- en monitoringssystemen van kindermishandeling 5. Conclusies en aanbevelingen voor vervolgonderzoek
    • Straffen seksueel misbruik minderjarigen - Strafeisen, strafoplegging en strafmotivering ter zake van betaalde en onbetaalde seksuele handelingen bij minderjarige slachtoffers in Nederland, Duitsland, Zwitserland, Ierland en Schotland

      Koppen, V. van; Wijkman, M.; Wilde, B. de (Vrije Universiteit van Amsterdam - Faculteit der Rechtsgeleerdheid - Afdeling Strafrecht en Criminologie, 2021-12-30)
      In dit onderzoek staan de strafvordering en strafoplegging inzake hands-on seksueel misbruik met minderjarigen centraal. Seksueel misbruik van minderjarigen wordt in dit onderzoek gedefinieerd als gedrag zoals omschreven in artikel 244 (seksueel binnendringen van iemand onder de 12 jaar), 245 (seksueel binnendringen van iemand tussen de 12 en 16 jaar), 247 (ontuchtige handelingen met een bewusteloze, onmachtige of gestoorde of een kind onder de 16 jaar), 248b (gebruikmaken van seksuele diensten van een 16- of 17-jarige tegen betaling) en 249 lid 1 (seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties) van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn 713 vonnissen bestudeerd waarin tussen 2015 en 2019 een mannelijke, meerderjarige dader werd veroordeeld voor seksueel misbruik met een of meerdere minderjarigen. Voor deze 713 zaken is onderzocht hoe de feitelijke strafeisen luiden. Voor een gestratificeerde steekproef van 180 zaken is tevens onderzocht in hoeverre de strafeis afwijkt van de richtlijn van het OM en welke motivering hieraan ten grondslag ligt. Ook is onderzocht in hoeverre de straffen die door de rechter worden opgelegd, afwijken van de strafeis van de officier van justitie en de strafvorderingsrichtlijnen die het OM hanteert. Tevens is onderzocht hoe de strafbedreigingen en opgelegde straffen inzake seksueel misbruik van minderjarigen in Nederland zich verhouden tot die in Duitsland, Zwitserland, Ierland en Schotland. Ten slotte is onderzocht wat de kenmerken van daders van jeugdprostitutie (art. 248b Sr) in Nederlandse strafzaken zijn en hoe de strafeisen en opgelegde straffen in dergelijke zaken luiden. Hiertoe zijn de strafdossiers van 60 veroordeelde daders van betaald seksueel misbruik met een 16- of 17-jarige bestudeerd. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Juridisch kader, 3. Literatuuronderzoek: Seksueel misbruik van minderjarigen, 4. Strafvordering en straftoemeting bij seksueel misbruik van minderjarigen, 5. Rechtsvergelijking, 6. Betaalde seks met minderjarigen, 7. Conclusie en discussie
    • Verantwoordelijkheid voor de rechtspleging - Een rechtsvergelijkend onderzoek naar de positie van raden voor de rechtspraak in landen van de Europese Unie

      Voermans, W.; Albers, P. (WODC, 1999)
      Uit het onderzoek komt naar voren dat er - ideaaltypisch - twee vormen van raden voor de rechtspraak kunnen worden onderscheiden. Zo zijn er raden voor de rechtspraak die slechts primaire functies (benoeming van leden van de rechterlijke macht en het uitoefenen van disciplinaire maatregelen ten aanzien van leden van de rechterlijke macht) vervullen ter waarborging van de rechterlijke onafhankelijkheid (Frankrijk, Italië, Spanje, Portugal en België; door de onderzoekers genoemd 'een raad voor de rechtspraak volgens het Zuid Europese model). Daarnaast zijn er raden te identificeren die, naast de bovengenoemde primaire functies, ook vrij vergaande bevoegdheden kennen op het terrein van het bestuur (toezicht op rechterlijke organisatie, werkvoorraden, doorlooptijden, etc.) en het beheer van de gerechten (huisvesting, automatisering, personeelsbeleid, etc.). De raden voor de rechtspraak in Zweden, Ierland en Denemarken opereren volgens deze werkwijze (door de onderzoekers gekenschetst als raden voor de rechtspraak volgens het Noord Europese model).
    • Verruiming van de aangifteplicht voor ernstige seksuele misdrijven?

      Kool, R.; Kristen, F.; Beekhuis, T.; Zanger, W. de; Kerssies, S. (medew.); Rijst, T. van der (medew.) (Universiteit Utrecht - Departement REBO, Utrecht Centre for Accountability and Liability Law (Ucall), 2019)
      Het onderzoek strekt ertoe argumenten te bieden ten behoeve van de gedachtenvorming over de wenselijkheid van een verruiming van de aangifteplicht van artikel 160 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) voor de ernstige seksuele misdrijven. In samenhang daarmee ligt de vraag voor naar een verruiming van artikel 136 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), waarin het nalaten aangifte te doen van een voorgenomen verkrachting strafbaar is gesteld. Voorts is onderzocht of het mogelijk en wenselijk is te komen tot een verruiming van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van organisaties wegens het nalaten aangifte te doen van seksueel misbruik binnen de eigen kring. Het onderzoek beperkt zich tot de sectoren zorg en onderwijs, waarnaast aandacht is besteed aan de actuele ontwikkelingen binnen de sport. Onderscheid is gemaakt tussen seksueel misbruik tussen burgers (het particuliere spoor) en seksueel misbruik door een beroepskracht jegens een burger (het institutionele spoor). INHOUD: 1. Achtergrond en opbouw van het onderzoek; begripsomschrijvingen 2. Methodologie 3. Overzicht nationale wet- en regelgeving 4. Ervaringen binnen de Nederlandse sectoren Gezondheidszorg & Jeugd, Onderwijs en Veilig Thuis met de meldcodes, het meldrecht en de meldplichten 5. Landenrapportage 6. Analyse en scenario's
    • Victims of crime in 22 European criminal justice systems - The implementation of Recommendation (85) 11 of the Council of Europe on the position of the victim in the framework of criminal law and procedure

      Brienen, M.E.I.; Hoegen, E.H. (Katholiek Universiteit Brabant, 2000)
      This study is an analysis of the position of the victim of crime in 22 European criminal justice systems. The guiding light throughout the study is Recommendation (85) 11 of the Council of Europe on the position of the victim in the framework of criminal law and procedure. This Recommendation contains guidelines on the way the victim of crime should be treated by the criminal justice authorities in the course of criminal proceedings against the offender. It focuses on three key issues, namely information, compensation, and treatment and protection. The study examines the implementation of the body of thought contained in the Recommendation in 22 jurisdictions that were all a member of the Council of Europe when the Recommendation was first adopted in 1985.