• Een meewerkverplichting bij grootschalig DNA-onderzoek in strafzaken?

      Kempen, P.H.P.H.M.C. van; Staak, M.G.J.M. van der (Radboud Universiteit Nijmegen - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 2013)
      Indien bij een opsporingsonderzoek naar een ernstig misdrijf onvoldoende aanwijzingen zijn die leiden naar een (of meerdere) individuele verdachte(n), maar wel vermoedens bestaan dat de mogelijke dader(s) tot een bepaalde groep behoort, kan justitie een grootschalig DNA-onderzoek opstarten. Dit onderzoek betreft de vraag of aan burgers een meewerkverplichting in het kader van een grootschalig DNA-onderzoek kan worden opgelegd. Om tot een onderbouwde en genuanceerde beantwoording daarvan te komen, worden ter vergelijking zeven uiteenlopende andersoortige meewerkplichten voor burgers op verschillende terreinen van het recht in Nederland, België, Duitsland en Engeland & Wales besproken. Ook wordt de meewerkplicht bij grootschalig DNA-onderzoek getoetst aan verschillende fundamentele rechten. Daarnaast wordt de uitvoeringspraktijk van grootschalig DNA-onderzoek in genoemde landen beschreven en komt de meewerkplicht vanuit verschillende sociaalwetenschappelijke theorieën aan de orde. INHOUD: 1. Inleiding 2. Grootschalig DNA-onderzoek en de positie van de weigeraar 3. Algemene identificatieplicht 4. Preventief fouilleren 5. Ademanalyse 6. Doorzoeking in de woning van derden 7. Meewerkverplichtingen bij de bestrijding van infectieziekten 8. Meewerkverplichtingen in het fiscale recht 9. Toetsing aan fundamentele rechten en beginselen uit het EVRM 10. Uitvoeringspraktijk bij grootschalig DNA-onderzoek: de relatie tussen de politie en burgers 11. Slotbeschouwing
    • Het functioneren van de WUID in de praktijk - Evaluatie van de Wet op de uitgebreide identificatieplicht

      Everwijn, H.; Jongebreur, W.; Lolkema, P. (Significant, 2009)
      Op 1 januari 2005 is de Wet op de uitgebreide identificatieplicht in werking getreden. Deze wetswijziging strekte ertoe politie, buitengewoon opsporingsambtenaren en toezichthouders in het kader van hun taakuitoefening de bevoegdheid toe te kennen burgers om inzage in het identiteitsbewijs te vragen. Het doel van deze nieuwe wetgeving is het verschaffen van een instrument om de handhaving en het toezicht door de overheid over de gehele linie te ondersteunen en te versterken. De centrale probleemstelling van het onderzoek luidt als volgt: In welke mate draagt de in de wet neergelegde identificatieplicht bij aan een versterking van de rechtshandhaving en het toezicht in openbare ruimtes door ondersteuning van de taakuitoefening van opsporingsambtenaren en toezichthouders?
    • Het stopformulier - Verkenning van de werking van de registratie van staandehoudingen

      Woestenburg, N.; Ridder, J. de; Krol, E. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2016)
      De vraagstelling die ten grondslag ligt aan het onderhavige onderzoek, dat is uitgevoerd door Pro Facto, is: In hoeverre blijkt op grond van de literatuur en documentatie dat zogenaamde stopformulieren bijdragen aan het voorkomen en bestrijden van etnisch profileren? Zijn de mogelijk bewezen resultaten van het gebruik van stopformulieren te vertalen naar de Nederlandse politieorganisatie? Op welke punten zijn er daarvoor eventueel aanpassingen nodig? Deze vraagstelling is beantwoord aan de hand van de volgende deelvragen: Waar en hoe worden stopformulieren gebruikt? Wat is bekend over de werking van stopformulieren? In hoeverre draagt het gebruik van stopformulieren bij aan het tegengaan van etnisch profileren bij staandehoudingen? Welke condities zijn van invloed op de werking? In hoeverre is de elders geconstateerde werking te verwachten onder Nederlandse condities? INHOUD: 1. Inleiding 2. Engeland en Wales 3.. Spanje 4. Frankrijk 5. Bevindingen 6. Beschouwing
    • Identiteitsmanagement in de vreemdelingenketen - WODC onderzoek naar de grondslag en de praktijk van identiteitsvaststelling en vastlegging in de burger- en in de vreemdelingenketen

      Brouwer, E.; Middelkoop, L. (Vrije Universiteit Amsterdam - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 2013)
      De volgende drie vragen vormen het uitgangspunt van dit onderzoek: Wat zijn de (juridische) grondslagen, uitgangspunten en de wijze van identiteitsvaststelling en registratie van personen in de vreemdelingen- en in de burgerketen? Welke verschillen zijn er tussen vreemdelingen- en burgerketen met betrekking tot de volgende onderwerpen: wettelijke basis, opname van gegevens, doelbinding, decentrale/centrale opslag, toepassing van biometrie? Zijn de eventuele verschillen, zoals hierboven bedoeld, gerechtvaardigd in het licht van Europese grondrechten (8 EVRM, bescherming van persoonsgegevens en non-discriminatie)? INHOUD: 1. Inleiding 2. Identiteitsvaststelling in de burgerketen 3. Identiteitsvaststelling in de vreemdelingenketen 4. Identiteitsvaststelling in de burger- en vreemdelingenketen: verschillen en knelpunten 5. Conclusies en aanbevelingen
    • Ik zal eens even vragen naar zijn naam - Voor- en nadelen van een legitimatieplicht

      Veerman, G.J.; Paulides, G.; Hofstee, E.J. (WODC, 1989)
      In dit onderzoek is gepoogd een indruk te krijgen van de praktische voordelenen nadelen die samenhangen met een invoering van een identificatie- of legitimatieplicht. Onder identificatie- of legitimatieplicht wordt in dit verslag verstaan: de plicht desgevraagd gegevens over de eigen identiteit (zoals naam, geboortedatum, geboorteplaats) kenbaar te maken door het tonen van een legitimatiebewijs, waarin de gevraagde identiteitsgegevens en een pasfoto van de drager zijn opgenomen.
    • Richtlijnen doorgelicht - Verslag van een onderzoek naar de doorwerking van niet-strafvorderlijke richtlijnen bij het Openbaar Ministerie

      Oelen, U.H.; Herweijer, M. (Rijksuniversiteit Groningen - Vakgroep Bestuursrecht en Bestuurskunde, 1996)
      Dit eindrapport vormt de (verkorte) neerslag van een opdracht, die medio september 1995 door de Centrale Directie Wetenschapsbeleid en Ontwikkeling van het Ministerie van Justitie werd verstrekt aan de vakgroep Bestuursrecht en Bestuurskunde van de Rijksuniversiteit Groningen. Het onderzoek beoogt inzicht te geven in de factoren die bepalend zijn voor de doorwerking van niet-strafvorderlijke richtlijnen bij het Openbaar Ministerie. De volgende richtlijnen zijn in dit onderzoek bekeken: Richtlijn heenzendingen; Richtlijn voor het doen van aangifte of het opmaken van proces-verbaal ter zake van fraude met sociale uitkeringen; Richtlijn aandachtspunten handhaving auteurswet; Richtlijn wet op de identificatieplicht; Richtlijn voor het beleid van het OM inzake conservatoir beslag; Richtlijn informatieverstrekking en voorlichting door de politie en het OM aan de media in en over strafzaken.
    • Vreemdelingentoezicht sinds de inwerkingtreding van de Wet op de Identificatieplicht - Een verkennend onderzoek naar staande houden op grond van het gewijzigde artikel 19 lid 1 Vreemdelingenwet

      Beenakkers, E.M.Th. (WODC, 1997)
      In dit rapport wordt verslag gedaan van een onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van de evaluatie van het gewijzigde artikel 19 lid 1 Vreemdelingenwet. Het artikel betreft de regels die gelden bij het staande houden van personen in het kader van het vreemdelingentoezicht, teneinde hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie vast te stellen. Dit artikel werd gewijzigd bij de inwerkingtreding van de Wet op de Identificatieplicht. Het doel van het onderzoek was vooral twee zaken te peilen: (1) In hoeverre kunnen de instanties die met vreemdelingentoezicht zijn belast, uit de voeten met de wetswijziging en de bijbehorende uitvoeringsinstructie? (2) Hoe ervaren (belangengroeperingen van) vreemdelingen de wijzigingen en zijn er aanwijzingen dat het vreemdelingentoezicht op een mogelijk discriminerende wijze uitgeoefend wordt? INHOUD: 1. Inleiding en achtergrond 2. Onderzoeksvragen en methode van onderzoek 3. Toezicht in het binnenland op grond van concrete aanwijzingen van illegaal verblijf 4. Toezicht na grensovergang (MTV)