• Alles in één keer goed - Naar kortere doorlooptijden in de strafrechtketen - Quick scan over ervaringen en verwachtingen met betrekking tot doorlooptijden in VPS-projecten

      Struiksma, N.; Woestenburg, N.; Anema, K.; Boxum, C.; Winter, H. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto juridisch en bestuurskundig onderzoek/advies/onderwijs, 2016)
      In dit onderzoek is een kwalitatieve inventarisatie uitgevoerd van de gepercipieerde mate van realisatie van de doelstellingen met betrekking tot de doorlooptijden van een aantal VPS-projecten. In 2015 en begin 2016 heeft de directie Strafrechtketen van het ministerie van V&J onder begeleiding van het WODC een kwantitatief onderzoek uitgevoerd naar de huidige doorlooptijden in de strafrechtketen. Beide onderzoeken zijn erop gericht dat de Werkgroep (door)ontwikkeling bestuurlijke informatievoorziening strafrechtketen goed onderbouwde doelstellingen kan formuleren voor de doorlooptijd van afhandeling van zaken door de strafrechtketen als geheel. De centrale onderzoeksvraag van het onderzoek luidt als volgt: Wat zijn met betrekking tot de snelheid en doorlooptijden de doelen en achterliggende interventietheorie van een aantal, in het kader van het onderzoek te selecteren projecten van Versterking Prestaties Strafrechtketen (VPS) en wat zijn de ervaringen, percepties en verwachtingen over de doeltreffendheid met betrekking tot de snelheid en doorlooptijden in relatie tot de kwaliteit? INHOUD: 1. Inleiding 2. Programma Versterking Prestaties Strafrechtketen (VPS) 3. Verkeerstoren++ 4. Mobiel effectief op straat 5. Kwaliteitsverbetering proces van opsporing en vervolging 6. Strafrechtketen versterkt en versnelt (Lean Six Sigma) 7. ZSM en inloopzittingen 8. Modernisering Wetboek van Strafvordering: digitalisering 9. Wet uitbreiding gronden voorlopige hechtenis 10. Beantwoording van de deelvragen
    • Biometrics in the aliens' identity chain - A literature study

      Meuwly, D.; Baker, N. (University of Twente - Faculty of Electrical, Mathematics and Computer Sciences, 2020)
      In the Netherlands, the aliens’ identity chain is an identity management process, which is part of the migration chain. It relies on two types of personal data: biographic, such as date and place of birth, name and nationality, and biometric, such as fingerprints, face and irides. Biometric technology is used in the aliens’ identity chain to (quickly) achieve automated identity verification and identification of aliens (immigrant or resident, legal or illegal).This literature study focuses exclusively on the role of biometric data in the aliens’ identity chain. At present the fingerprint is the single biometric mode automated for this purpose. It aimed at understanding the capabilities and limits of the fingerprint made in the current operational biometric process and to make an inventory of what is known about the possibilities to improve and/or combine the use of fingerprints and other biometric modes in a multimodal approach. Eventually, the purpose is to improve the verification of identity and identification processes in the aliens’ identity chain as applied by the Netherlands. CONTENT: 1. Introduction 2. Current implementations 3. Properties of the biometrics modes 4. Discussion 5. Conclusion 6. Aknowledgements 7. References
    • De toepassing van handpalmafdrukken voor de opsporing en vervolging

      Malsch, M.; Berg, T. van den; Hornman, M.; Lammers, M.; Wilde, B. de; Stevens, L. (Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR), 2017)
      In het wetgevingsoverleg van 17 november 2014 heeft de minister van Veiligheid en Justitie aan de Tweede Kamer toegezegd om samen met politie en OM te bezien of en hoe de inzet van handpalmafdrukken bij de opsporing en vervolging binnen de huidige wetgeving voldoende benut kan worden (Tweede Kamerstukken, Vergaderjaar 2014-2015, 29628 nr. 490). De centrale vraagstelling van het onderzoek luidt:Hoe is het nemen, het gebruik en de opslag van handpalmafdrukken ten behoeve van de strafvordering juridisch genormeerd in Nederland en een aantal andere landen en in de supranationale jurisprudentie, hoe worden deze normen in de praktijk toegepast, wat is de meerwaarde van het gebruik van handpalmafdrukken voor de strafvordering en is standaardafname en/of verbetering van de wettelijke regeling in dit licht wenselijk en toelaatbaar binnen de (supra)nationale juridische kaders?Deze vraagstelling is in het rapport onderverdeeld in een aantal hoofdonderwerpen, te weten: juridisch kader (inclusief vraagstukken betreffende privacy), vergelijking tussen landen, inclusief de vraag naar standaardafname, praktijk van toepassing, en te verwachten meeropbrengst van handpalmafdrukken. INHOUD: 1. Inleiding 2. De handpalmvergelijking: dactyloscopie, databank, procedure en relatie tot andere typen sporen 3. Juridisch kader 4. Toepassing in de praktijk I: politie en Openbaar Ministerie 4. Toepassing in de praktijk II: rechterlijke uitspraken 5. Rechtsvergelijking 6. Conclusies
    • Een vergelijking van confrontatiemethoden: Oslo, video en foto's

      Kerstholt, J.H.; Amelsvoort, A.G. van (TNO Technische Menskunde, 1997)
      Er is een experiment uitgevoerd waarin de effectiviteit van drie confrontatiemethoden (statische confrontatie in persoon (Osloconfrontatie), videoconfrontatie en fotoconfrontatie) werd vergeleken. Proefpersonen waren getuige van een geënsceneerde gebeurtenis en moesten later de betrokken persoon met behulp van één van de methoden identificeren. Uit de resultaten bleek dat de dader met alle methoden even vaak correct werd geïdentificeerd. In de selecties waarin hij niet aanwezig was, werd bij de video- en fotoconfrontatie vaker iemand onterecht aangewezen dan bij de Osloconfrontatie.
    • Eén spoor is geen spoor - Naar een landelijke sporendatabank voor informatiegestuurde opsporing

      Stol, W.Ph.; Kop, N.; Koppenol, P.A.; Evers, F.C.M. (medew.); Binnekamp, R. (medew.) (WODC, 2005)
      In het veiligheidsprogramma Naar een veiliger samenleving hebben de politieministers het voornemen geuit maatregelen te treffen om de kwaliteit van het recherchewerk te verhogen. In dat verband is aangekondigd dat een ‘landelijke sporendatabank’ tot stand zal worden gebracht. Dit voornemen tot integratie van opsporingdatabanken sluit aan bij de beoogde herstructurering van de informatiehuishouding van de Nederlandse politie. In een landelijke sporendatabank zouden verschillende sporen - zoals vingerafdrukken, werktuigsporen, kogel-, hulzen-, schoen- en digitale sporen - op gestandaardiseerde wijze opgeslagen en met elkaar vergeleken kunnen worden. Zo kunnen verbanden tussen delicten aan het licht komen, waardoor zaken opgehelderd kunnen worden. (Vooruitlopend op zo’n landelijke sporendatabank, om al vast ervaringen op te doen met het gekombineerd gebruik van sporen, is per 1 januari 2004 een pilot gestart waarin forensisch-technische informatie uit de DNA-databank en HAVANK (vingersporen) aan elkaar worden gerelateerd.) Een landelijke sporendatabank moet uiteindelijk leiden tot een betere bestrijding van de criminaliteit, vooral ten aanzien van High Volume Crime (o.a. woninginbraken en diefstallen) en veelplegers. Dit onderzoek geeft inzicht in de mogelijkheden en beperkingen van een landelijke sporendatabank.
    • Identiteitsfraude

      Prins, J.E.J.; Meulen, N.S. van der; Grijpink, J.H.A.M.; Barensen, J.; Eijkelenboom, J.A.; Ruifrok, A.C.C. (WODC, 2006)
      ARTIKELEN: 1. J.E.J. Prins en N.S. van der Meulen - Identiteitsdiefstal: lessen uit het buitenland 2. N.S. van der Meulen - Achter de schermen: de ervaringen van slachtoffers van identiteitsroof 3. J.H.A.M. Grijpink - Identiteitsfraude en overheid 4. J. Barensen en J.A. Eijkelenboom - Identiteitsfraude op de arbeidsmarkt en in de sociale zekerheid 5. A.C.C. Ruifrok - Biometrie: wondermiddelen bestaan niet 6. Internetsites SAMENVATTING: Identiteitsfraude en -diefstal worden nogal eens beschouwd als een probleem dat vooral in de Verenigde Staten speelt en - in mindere mate - in Groot-Brittannië. Er zijn echter steeds meer aanwijzingen dat identiteitsfraude onder invloed van globalisering en digitalisering in heel Europa in opkomst is. Vervalsing van paspoorten is lang niet altijd nodig om zich een andere identiteit aan te meten. Het is vooral lookalike-fraude die de afgelopen jaren een hoge vlucht heeft genomen en die een belangrijke aanleiding vormt voor de invoering van het biometrische paspoort. Op allerlei maatschappelijke terreinen (arbeidsmarkt, sociale zekerheid) zijn identiteitsfraude en -diefstal een realiteit aan het worden. De voortschreidende digitalisering biedt identiteitsdieven nieuwe kansen om computergebruikers vertrouwelijke gegevens te ontfutselen, zoals rekeningnummers en passwords. Dit themanummer tracht zowel inzicht te bieden in het delict identiteitsfraude en -diefstal als in de verschillende strategieën om het fenomeen te bestrijden.
    • Lepelen met een vork - Evaluatie van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden

      Kruize, P.; Gruter, P.; Hamers, L. (medew.); Noorloos, M. van (medew.); Suchtelen, T. van (medew.); Taverne, M. (medew.) (Ateno, 2019)
      Op 1 februari 2005 trad de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (wet DNA-V) in werking. De Wet DNA-V verplicht veroordeelden van een delict waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en een (voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straf, maatregel of een taakstraf is opgelegd, tot het afstaan van celmateriaal. Uit het afgenomen celmateriaal wordt een DNA-profiel opgemaakt dat in de Nederlandse databank voor strafzaken (bij het NFI) wordt opgenomen. Door deze profielen te vergelijken met profielen die aanwezig zijn in de databank of in de toekomst worden toegevoegd, kan een match ontstaan die van belang kan zijn voor opsporing, vervolging en bewijsvoering. Tevens gaat de wetgever ervan uit dat de verhoogde pakkans een afschrikwekkende werking heeft t.o.v. de verdachten wier DNA profiel in de databank is opgeslagen. De hier gepresenteerde evaluatie van de Wet DNA-V richt zich op de uitvoering van de wet anno 2018 en blikt (ook cijfermatig) terug op de periode 2012 t/m 2017. De evaluatie richt zich mede naar aanleiding van toezeggingen aan de Tweede Kamer op de volgende vier sporen:Uitvoering van de Wet DNA-VEffect van (conservatoire) afname van celmateriaal bij verdachten in voorarrestEffecten van de Wet DNA-V (DNA-matches en preventieve effecten)Vergelijking van de Nederlandse DNA-wetgeving met de regelgeving in Duitsland, Frankrijk, Engeland/Wales, Denemarken en Noorwegen en bestudering van EU-jurisprudentie op het terrein van DNA-wetgeving binnen het strafrecht. INHOUD: 1. Inleiding 2. Eerdere evaluaties en (toezicht op) het verbeterprogramma rond de Wet DNA-V 3. Uitvoering van de Wet DNA-V 4. Juridische kaders en alternatieve scenario's 5. De opsporingsbijdrage van DNA-V matches 6. Het preventieve effect van de Wet DNA-V 7. Internationale vergelijking van DNA-wetgeving en -jurisprudentie 8. Conclusies
    • Nanotechnologie in dienst van veiligheid en justitie - Verkenning van toepassingsmogelijkheden

      Schulze Greiving, V.; Kulve, H. te; Konrad, K.; Kuhlman, S.; Pinkse, P. (Universiteit Twente - Science, Technology and Policy Studies (STePS), 2016)
      In de afgelopen 15 jaar is nanotechnologie steeds meer onder de aandacht gekomen en heeft de financiering van nanotechnologisch onderzoek een grote vlucht genomen. Een aantal producten op basis van nanotechnologie is reeds op de markt verschenen. Over het algemeen is nanotechnologie nog steeds een opkomende technologie en zijn toepassingen nog in ontwikkeling. In dit rapport wordt de betekenis van nanotechnologie voor civiele veiligheidstoepassingen besproken en de studie geeft een breed overzicht van opkomende nanotechnologieën en toepassingsdomeinen. De focus in dit rapport ligt op de kansen die nanotechnologie biedt voor veiligheidstoepassingen. Mogelijke risico’s op het gebied van bijvoorbeeld gezondheid en milieu worden niet besproken. Op basis van een meta-literatuurstudie zijn verschillende toepassingsdomeinen geïdentificeerd en besproken in dit rapport: (i) detectie, (ii) bescherming, (iii) veilige identificatie en communicatie en (iv) defensie. Hiernaast zijn mogelijk interessante nanotechnologieën voor de veiligheidstoepassingen in deze domeinen beschreven en toegelicht. INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksopzet en -methoden 3. Detectie 4. Bescherming 5. Veilige identificatie en communicatie 6. Defensie 7. Conclusies en aanbevelingen 8. Referenties 9. Bijlagen
    • Op het eerste gezicht - Een verkenning van gezichtsherkenning en privacyrisico's in horizontale relaties

      Keymolen, E.; Noorman, M.; Sloot, B. van der; Cuijpers, C.; Koops, B.-J.; Zhao, B. (Universiteit van Tilburg - Tilburg Institute for Law, Technology, and Society (TILT), 2020)
      Gezichtsherkenningstechnologie wordt ingezet om op basis van digitale beelden (bijvoorbeeld een foto of video), gezichten of gezichtskenmerken te herkennen. De technologie wordt al enige tijd op beperkte schaal ingezet door overheden voor opsporing en beveiliging, maar is sinds kort ook beschikbaar voor bedrijven en burgers. Omdat het aannemelijk is dat gezichtsherkenningstoepassingen in de nabije toekomst op aanzienlijke schaal beschikbaar zullen zijn voor zowel burgers als bedrijven, is het noodzakelijk om in kaart te brengen of, en, zo ja, welke aanpassingen aan het huidige juridische raamwerk en aan andere reguleringsinstrumenten nodig zijn om de privacy van de burger te beschermen. Daarbij is het van belang om op te merken dat dit onderzoek zich uitsluitend richt op het gebruik van gezichtsherkenningstechnologie in horizontale relaties: relaties tussen bedrijven en burgers en tussen burgers onderling. De inzet van gezichtsherkenningstechnologie in verticale relaties, dat wil zeggen die tussen overheid en burger, is geen onderdeel van dit onderzoek. Om in kaart te brengen wat de huidige juridische middelen zijn om gezichtsherkenningstechnologie te reguleren, is een rechtsverkenning uitgevoerd die zich richt op de rechtsgebieden privacy- en gegevensbescherming, privaatrecht en strafrecht. Daaruit zijn tot slot een aantal reguleringsopties voortgekomen, evenals factoren die van invloed zijn op de keuze tussen de verschillende opties. In dit onderzoek staan twee vragen centraal: Hoe wordt gezichtsherkenningstechnologie door Nederlandse burgers en bedrijven gebruikt en hoe kan het gebruik van gezichtsherkenningstechnologieën door burgers en bedrijven een inbreuk vormen op de privacy van de burger (nu en over vijf jaar)? Hoe kunnen huidige en potentiële privacy-inbreuken worden voorkomen of beperkt? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methodologie 3. Gezichtsherkenning en privacy 4. Domeinstudies 5. Privacy-inbreuken veroorzaakt door het gebruik van gezichtsherkenningstechnologie: een antwoord op de eerste onderzoeksvraag 6. Rechtsverkenning 7. Reguleringsopties voor het voorkomen of beperken van privacy-inbreuken: een antwoord op de tweede onderzoeksvraag 8. Conclusies
    • Over getuigen, confrontaties en bewijs

      Boor, L.E.C. van der (WODC, 1992)
      Dit onderzoek heeft betrekking op het vóórkomen van herkenningstesten in strafzaken met getuigen bij de meervoudige kamer, de hierbij toegepaste procedures en de rol die de herkenningen bij het bewijs spelen. Dit is gedaan aan de hand van een dossieronderzoek en gesprekken met de politie.
    • De toekomst van DNA-analyse

      M’charek, A.; Knijff, P. de; Poot, C. de; Meulenbroek, L.; Aben, D.; Verhoef, P.; Willems, Y.; Groenen, M.; Kaptein, N. (WODC, 2021-07-01)
      ARTIKELEN: 1. Amade M'charek en Peter de Knijff - Commerciële DNA-databanken: Een mixed blessing of een bedreiging voor de forensische praktijk? 2. Christianne de Poot - Het gebruik van DNA in het opsporingsproces 3. Lex Meulenbroek en Diederik Aben - Een goudmijn vol tips: Het gebruik van genealogische DNA-databanken bij opsporing en identificatie 4. Petra Verhoef, Yayouk Willems en Marc Groenen - Publieke waarden en het gebruik van genetische gegevens 5. Nico Kaptein - Genealogische DNA-databanken: Consequenties van het delen van ons DNA SAMENVATTING: Dit themanummer van Justitiële verkenningen is gewijd aan de razendsnelle ontwikkeling die DNA-analyse sinds de eeuwwisseling heeft doorgemaakt en de consequenties daarvan. Als gevolg van deze ontwikkeling kregen politie en justitie een belangrijk nieuw hulpmiddel in handen bij de opsporing van verdachten. Maar daar bleef het niet bij. Het is vooral de opkomst geweest van bedrijven die DNA-tests aanbieden aan particulieren (direct-to-consumer (DTC) genetic testing), die voor een enorme groei van DNA-analyse heeft gezorgd. Inmiddels hebben tientallen miljoenen mensen hun DNA laten testen door bedrijven zoals 23andMe, AncestryDNA en FamilyTreeDNA. Het doorverkopen van DNA-gegevens is voor deze bedrijven een belangrijke inkomstenbron. DNA dat is ingestuurd voor een persoonlijke analyse, wordt soms ook voor andere doeleinden gebruikt. Steeds meer DNA-gegevens raken op deze wijze verspreid, zonder dat er zicht is op wat er precies met dit DNA gebeurt. Terwijl voor het beheer en gebruik van DNA-gegevens door politie en justitie strikte regels gelden, is dit vooralsnog niet het geval voor gegevens uit commerciële DNA-tests. Bij de ongecontroleerde wereldwijde verspreiding van DNA-gegevens en de mogelijke risico’s daarvan wordt in dit nummer uitgebreid stilgestaan. Teven besteden we aandacht aan het strafrechtelijk gebruik van DNA-data die door commerciële bedrijven zijn vergaard, investigative genetic genealogy (IGG). Ook de successen die daarmee zijn behaald in vastgelopen moordzaken, onder meer in de Verenigde Staten, worden besproken. Het is duidelijk dat lang niet iedereen die materiaal opstuurt naar een DTC-bedrijf een dergelijke toepassing voorziet, en dit gebruik is dan ook omstreden. Omdat DNA per definitie gedeeltelijk identiek is aan het DNA van verwanten, raakt dit niet alleen degenen die ervoor kiezen het DNA in te sturen, maar ook hun familieleden. Verwanten worden echter niet systematisch geïnformeerd en aan verwanten wordt in het algemeen geen toestemming gevraagd. Al met al is de situatie nu zo dat burgers geen universele en onvervreemdbare zeggenschap over hun DNA hebben, terwijl ze de consequenties van de verspreiding van DNA slechts beperkt kunnen overzien. Meerdere auteurs pleiten dan ook voor een grondige discussie over het gebruik van DNA-gegevens. Bij het verzamelen, analyseren en vertalen van DNA-gegevens zou bescherming van privacy wettelijk geregeld moeten zijn en dient genetische discriminatie te worden voorkomen. Ook moeten de verantwoordelijkheden voor degenen die DNA-gegevens toepassen, duidelijk worden omschreven.
    • Vereenvoudiging verdenkingscriteria - De gevolgen van de voorgenomen wijziging van de verdenkingscriteria voor de opsporingspraktijk

      Abels, D.; Benschop, A.; Blom, T.; Jonk, M.; Korf, D.J. (Universiteit van Amsterdam - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Bonger Instituut, 2016)
      Met dit onderzoek wordt beoogd de gevolgen in kaart te brengen van de voorgenomen wijziging van de verdenkingscriteria voor toepassing van opsporingsbevoegdheden en vrijheidsbenemende dwangmiddelen. Met ‘gevolgen’ worden de effecten van de wijzigingen voor de effectiviteit van de opsporing bedoeld. Die toekomstige effectiviteit is in het onderhavig onderzoek beoordeeld in kwantitatieve en in kwalitatieve zin. Om de gevolgen van de voorgenomen wetswijziging voor de effectiviteit van de opsporing zo goed en zo volledig mogelijk in kaart te brengen is nagegaan welke opsporingsbevoegdheden en vrijheidsbenemende dwangmiddelen ten gevolge van de voorgenomen wijzigingen niet meer kunnen worden toegepast bij de opsporing van de voor dit onderzoek geselecteerde misdrijven, en is aangegeven of dit volgens personen die betrokken zijn bij de opsporingspraktijk (medewerkers van politie en officieren van justitie) zal leiden tot gebrek aan effectiviteit in de opsporing. INHOUD: 1. Inleiding 2. Verantwoording en methoden 3. Wetsanalyse: gevolgen van de vereenvoudiging van verdenkingscriteria 4. Kwantitatieve analyse: Justitiedata en dossiers 5. Kwalitatieve analyse: interviews en expertmeeting 6. Conclusie en slotbeschouwing 7. Bijlage I