• Aard, omvang en handhaving van beschermingsbevelen in Nederland - Deel 1: Wettelijk kader en handhaving

      Aa, S. van der; Lens, K.; Klerx, F.; Bosma, A.; Bosch, M. van den (Intervict - Universiteit van Tilburg, 2012)
      In 2011 is een nieuwe Europese richtlijn aangenomen die regelt dat beschermingsmaatregelen ten behoeve van een slachtoffer kunnen worden meegenomen van de ene lidstaat naar een andere. Een beschermingsbevel is een beslissing, voorlopig of definitief, genomen in het kader van een civiel-, strafrechtelijk of bestuursrechtelijke procedure, waarbij, ter bescherming van een persoon tegen een handeling die zijn leven, fysieke of psychologische integriteit, waardigheid, persoonlijke vrijheid of seksuele integriteit in gevaar kan brengen, gedragsregels (verboden, geboden of beperkingen) worden opgelegd aan een volwassen persoon. De centrale probleemstelling van dit onderzoek luidt: Wat is de geldende regelgeving met betrekking tot civiel-, bestuurs- en strafrechtelijke beschermingsbevelen in Nederland en hoe ziet hun handhaving er in theorie en praktijk uit? Zie link hiernaast: Deel 2: Aard en omvang INHOUD: 1. Inleiding 2. Wettelijk kader beschermingsbevelen 3. Handhaving in de praktijk 4. Conclusie
    • Bestuurlijke aanpak georganiseerde criminaliteit - Onderzoek naar de stand van zaken in 2016

      Smits, J.; Struiksma, N.; Schudde, B. (medew.) (Arena Consulting, 2016)
      De bestrijding van georganiseerde criminaliteit vraagt een geïntegreerde aanpak op strafrechtelijk, fiscaal en bestuurlijk gebied. RIECs zijn regionale netwerkorganisaties voor de bestuurlijke aanpak van criminaliteit. Hierin werken gemeenten, politie, Openbaar Ministerie en de Belastingdienst samen op basis van het Bestuurlijk Akkoord Geïntegreerde Aanpak Georganiseerde Misdaad. Ze hebben tot doel om de bestuurlijke aanpak en de geïntegreerde aanpak van georganiseerde criminaliteit door gemeenten te versterken. De RIECs zijn in 2008-2009 gestart en thans is er een landelijke dekking. Een gemeente is aangesloten zodra de gemeente het RIEC-convenant ondertekent (Tweede Kamerstukken, Vergaderjaar 2010-2011, 29911 nr. 54; Jaarverslag 2010).In navolging van eerdere onderzoeken over 2009 en 2012 is de stand van zaken en ontwikkeling in de bestuurlijke aanpak van organiseerde criminaliteit in 2016 in beeld gebracht. De vraagstelling was vierledig: Wat was in 2016 de stand van zaken rond de bestuurlijke aanpak? Wat zijn de belangrijkste verschillen met 2012 en 2016?Hoe waarderen gemeenten de samenwerking in RIEC-verband? Welke conclusies kunnen daaruit worden getrokken? INHOUD: 1. Inleiding 2. Bewustzijn van georganiseerde criminaliteit 3. Rolopvatting en bestuurlijke verankering 4. Organisatorische verandering 5. Samenwerking 6. Uitvoeringsstrategie en inzet instrumenten 7. Effectiviteit bestuurlijke aanpak 8. Waardering RIEC-samenwerking 9. Conclusies
    • Blockchain en het recht - Een verkenning van de reguleringsbehoefte

      Schellekens, M.; Tjong Tjin Tai, E.; Kaufmann, W.; Schemkes, F.; Leenes, R. (Universiteit van Tilburg - Tilburg Institute for Law, Technology, and Society (TILT), 2019)
      Blockchain is een fenomeen dat zich in recente jaren op een grote publieke belangstelling mag verheugen. Het is een innovatieve techniek die een aanvulling kan vormen op het internet om het mogelijk te maken partijen die elkaar niet kennen of (volledig) vertrouwen met elkaar zaken te laten doen. Blockchain technieken pretenderen een vertrouwensprobleem op te lossen. Het open karakter van de blockchain zou bovendien kunnen bijdragen aan transparantie, controleerbaarheid en legitimiteit van allerlei maatschappelijke processen. Tevens zou blockchain vele intermediairs die als een trusted third party functioneren overbodig kunnen maken en daarmee een grote efficiëntieslag mogelijk kunnen maken.Dit onderzoek beoogt een kader te ontwikkelen voor de aanvaardbaarheid van blockchain vanuit juridisch perspectief. Dit kader biedt een biedt de mogelijkheid om de kansen en risico’s die blockchains bieden met elkaar in verband te brengen en zo het inzicht te vergroten in de mogelijkheden voor het benutten van de kansen die blockchain technologie burgers, bedrijven en overheden biedt en voor het beheersen van risico’s en aandachtspunten in het licht van toekomstige wetgeving.De vraagstelling die centraal staat is: Wat zijn vanuit en perspectief van juridische aanvaardbaarheid de kansen en risico’s verbonden aan blockchaintechniek? INHOUD: 1. Introductie 2. Technische uitleg van blockchain 3. Algemeen juridisch deel Use-cases 4. Synthese 5. Conclusie
    • De bescherming van persoonsgegevens - Acht Europese landen vergeleken

      Custers, B. (eindred.); Dechesne, F.; Georgieva, I.; Hof, S. van der; Sears, A.M.; Tani, T. (Universiteit Leiden - Elaw, Center for Law and Digital Technologies, 2017)
      De verschillen in de mate van bescherming van persoonsgegevens roept de vraag op in welk land persoonsgegevens (en daarmee een belangrijk deel van iemands privacy) het beste zijn beschermd en hoe goed de bescherming van persoonsgegevens in Nederland is geregeld in vergelijking met andere landen. Is Nederland een achterhoedespeler, een middenmoter of een koploper op het vlak van privacybescherming? Dit leidt tot de centrale vraagstelling van dit onderzoek: Wat is de positie van Nederland met betrekking tot de bescherming van de persoonsgegevens van de burgers in vergelijking met enkele andere landen binnen de Europese Unie? Om te komen tot een antwoord op deze vraag zijn zes deelvragen geformuleerd: Wat is de algemene situatie rondom de bescherming van persoonsgegevens? Welk beleid wordt er vanuit de nationale overheid gevoerd om persoonsgegevens te beschermen? Welke wet- en regelgeving is van toepassing op de bescherming van persoonsgegevens? Op welke wijze zijn wetgeving en beleid op het terrein van bescherming van persoonsgegevens in de praktijk vormgegeven? Hoe zijn toezicht en handhaving bij bescherming van persoonsgegevens georganiseerd? Wanneer de acht onderzochte landen met elkaar worden vergeleken op bovengenoemde aspecten, wat is dan de positie van Nederland? INHOUD: 1. Inleiding 2. Nederland 3. Duitsland 4. Zweden 5. Verenigd Koninkrijk 6. Ierland 7. Frankrijk 8. Roemenië 9. Italië 10. Conclusie
    • De Handleiding strafrechtelijke aanpak schoolverzuim - Een procesevaluatie

      Lubberman, J.; Rens, C. van; Mommers, A.; Koster, T. (Radboud Universiteit Nijmegen - ITS, 2015)
      In 2011 is, op initiatief van het OM, samen met Ingrado, de Handleiding Strafrechtelijke aanpak schoolverzuim tot stand gebracht. In 2012 is de handleiding geactualiseerd (registratienummer 2012H002) en in oktober 2012 is deze in werking getreden. Doel van de handleiding is om landelijk een meer eenduidig handhavings- en vervolgingsbeleid tot stand te brengen ten aanzien van de verschillende vormen van schoolverzuim. Voor het voorkomen en bestrijden van schoolverzuim en –uitval is een adequate, snelle en eenduidige aanpak nodig van alle organisaties en professionals die betrokken zijn bij dit fenomeen. Er zijn evenwel signalen dat de aanpak van schoolverzuim niet overal in Nederland even goed van de grond komt. Ook stellen het OM en Ingrado vast dat de partijen in de keten niet overal conform de handleiding werken. Er lijkt geen sprake van een uniforme aanpak. In deze procesevaluatie wordt onderzocht hoe het handhavings- en vervolgingsbeleid in gemeenten wordt vorm gegeven, in hoeverre dit conform de handleiding is en welke verbeteringen in de handleiding mogelijk zijn. INHOUD: 1. Inleiding 2. Achtergrond strafrechtelijke aanpak schoolverzuim 3. Signaalverzuim 4. Luxe verzuim 5. Absoluut verzuim 6. Het proces-verbaal 7. Ketenpartners en de handleiding 8. Conclusies en aanbevelingen
    • Dierenwelzijn in het vizier - De aard en omvang van dierenwelzijnszaken en de stand van zaken van de handhaving van de regelgeving op dat gebied in Nederland

      Leiden, I. van; Hardeman, M.; Bremmers, B.; Ham, T. van; Wijk, A. van (Bureau Beke, 2012)
      Eind 2011 is de dierenpolitie ingevoerd en is het centrale Meldpunt 144 'red een dier' voor het publiek opengesteld. In dezelfde periode is een strenger strafvorderingsbeleid ten aanzien van verwaarlozing en mishandeling van dieren in werking getreden. Dit onderzoek brengt in kaart op welke wijze de regelgeving op het gebied van dierenwelzijn in de periode rondom de invoering van de dierenpolitie gehandhaafd wordt. Daarbij is tevens getracht zicht te krijgen op de aard en omvang van verwaarlozing en mishandeling van dieren. INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoek naar de dierenpolitie 3. Omvang dierenwelzijnszaken 4. Samenwerking op het gebied van dierenwelzijn 5. De dierenpolitie in de praktijk 6. Dierenwelzijn in de literatuur 7. Samenvatting en conclusies
    • Handhaving en veiligheid bij strafrechtelijke contact-, locatie- en gebiedsverboden ter bescherming van slachtoffers

      Fischer, T.; Cleven, I.; Struijk, S.; Roggeveen, W. (medew.) (Erasmus Universiteit Rotterdam - Erasmus School of Law, 2019)
      De behoefte aan bescherming bij slachtoffers van (gewelds)delicten is aanzienlijk, zeker wanneer de dader een bekende is. Een van de instrumenten in het Nederlandse slachtofferbeleid om deze bescherming vorm te geven, is het zogenaamde beschermingsbevel; in de praktijk veeleer bekend als het contact-, locatie-, of gebiedsverbod. Het verbod omvat gedragsregels die kunnen worden opgelegd in het kader van een strafrechtelijke, civiele, of bestuurlijke procedure en heeft als doel een persoon te beschermen tegen een handeling die zijn of haar leven, fysieke of psychologische integriteit, waardigheid, persoonlijke vrijheid, of seksuele integriteit in gevaar kan brengen. Dit onderzoek beoogt antwoord te geven op de volgende centrale onderzoeksvraag: Hoe verloopt het handhavingsproces en de naleving van Nederlandse strafrechtelijke verboden ter bescherming van een initieel slachtoffer en in hoeverre en onder welke voorwaarden dragen deze verboden naar verwachting daadwerkelijk bij aan die bescherming? INHOUD: 1. Inleiding 2. Theoretische grondslagen voor effectiviteit van verboden 3. Juridisch kader 4. Gegevensverzameling 5. Signalering en schendingen 6. Handhavingsreacties bij schendingen 7. Verboden en objectieve veiligheid 8. Verboden en veiligheidsbeleving 9. Conclusie en discussie
    • Handhaving jegens overheden - Rapport voor de commissie Bestuursrechtelijke en Privaatrechtelijke Handhaving

      Drupsteen,Th.G.; Leeuw, S.D.M. de; Snijhorst, R.; Tang-van Loenen, P.H. van der (Rijksuniversiteit Leiden - Vakgroep staats- en bestuursrecht, 1997)
      In dit rapport komen de volgende onderzoeksvragen aan de orde: - hoe verhoudt zich het toezicht door hogere bestuursorganen (bijv. het Rijk) tot de decentralisatie van overheidstaken? - welke problemen en mogelijkheden zijn er bij de handhaving jegens organen die ressorteren onder de centrale overheid? - wat is de rol van inspecties zoals de Arbeidsinspecties en de Inspectie van de Milieuhygiene (vgl. het idee van een bestuurlijk openbaar ministerie)? - beschikken de bestuurlijke controleorganen over voldoende onderzoeksbevoegdheden teneinde overtredingen van overheden aan het licht te kunnen brengen? Voordat de comrnissie ingaat op deze aandachtspunten, neemt zij een standpunt in over het vraagstuk van de strafrechtelijke inununiteit van overheidslichamen.
    • Handhaving Leerplichtwet HON-project Breda - Evaluatierapport

      Boekhoorn, P.F.M.; Waelen, W. (medew.); Speller, T.E.A.M. (medew.) (BBSO, 2003)
      In het kader van het porgramma Handhaven op Niveau (HON) is in april 200 een pilotproject voor leerplichthandhaving gestart. Dit onderzoek doet verslag van de evaluatie over de periode voorjaar 2000 tot najaar 2002.
    • Handhaving van de Arbeidsomstandighedenwet - Rapport voor de Commmissie bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke handhaving

      Hazewindus, W.G.A.; Wilthagen, A.C.J.M.; Grimminck, E. (medew.) (Hugo Sinzheimer Instituut, 1997)
      De hoofdvragen in dit onderzoek zijn:Hoe is het wettelijk handhavingssysteem op het gebied van de arbeidsomstandigheden opgezet; wie zijn de betrokken actoren; welke bevoegdheden en competenties zijn te onderscheiden? Zijn er knelpunten in deze opzet?Hoe functioneert dit handhavingssysteem in de praktijk?Welke knelpunten en problemen zijn er te signaleren in de uitvoering en handhaving? In welke mate bestaat er, ter oplossing van deze knelpunten en problemen, in de praktijk behoefte aan andere instrumenten, in het bijzonder die van privaatrechtelijke aard?
    • Het motiverende effect van normatieve en afschrikwekkende boodschappen - een stated preference-benadering

      Graaf, S. de; Putte, B. van den; Werff, S. van der (SEO Economisch onderzoek, 2011)
      Onderzocht is welke voorlichtingsboodschappen volgens burgers en leidinggevenden van bedrijven het meest motiveren om lichte overtredingen niet meer te begaan. Een centrale vraag is of handhavingscommunicatie zich vooral moet bedienen van afschrikwekkende boodschappen (pakkans, sancties) of juist van normatieve boodschappen of een combinatie van deze elementen. Moet benadrukt worden dat er wordt gecontroleerd, en/of dat er sancties staan op het niet naleven van de regels, of is het effectiever om te benadrukken dat het niet naleven van de regels een kwalijk effect heeft op de samenleving en/of dat regelovertreding afwijkend gedrag is? Hoe reageren niet-overtreders op de boodschappen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Theoretisch kader 3. Boodschappen: hoe onderzocht? 4. Burgers: sanctiekans meest motiverend 5. Bedrijven: boetehoogte meest motiverend 6. Conclusie en discussie
    • Internationale en Europeesrechtelijke verplichtingen ten aanzien van handhaving in de zeescheepvaart

      Backes, Ch.W.; Blomberg, A.B.; Dotinga, H.M.; Soons, A.H.A. (WODC, 2005)
      Het onderzoek is één van de deelprojecten van het programma ‘Bruikbare rechtsorde’. In dit deelproject is onderzocht of de handhavingsplichten van de vlaggenstaat op grond van de Schepenwet en de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Wvvs), binnen de daarvoor geldende internationale kaders, eigentijdser, effectiever en efficiënter kan worden ingevuld. In het onderhavige onderzoek gaat het over de vraag of het internationale recht en het Europese recht het toelaten dat handhaving van de regelgeving op het gebied van de zeescheepvaart geschiedt door middel van bestuurlijke en civielrechtelijke instrumenten in plaats van de thans gebruikelijke strafrechtelijke handhaving.
    • Met scherp schieten - Een onderzoek naar een aantal veiligheidsrisico's met betrekking tot de schietsport in Nederland

      Ferwerda, H.; Appelman, T.; Wijk, A. van (Bureau Beke, 2013)
      Naar aanleiding van het schietincident in Alphen aan den Rijn op 9 april 2011 heeft de Onderzoeksraad voor de Veiligheid een onderzoek ingesteld naar het Nederlandse systeem ter beheersing van het legaal wapenbezit en of het systeem voldoende functioneert. De minister van Veiligheid en Justitie heeft, mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), het rapport van de Onderzoeksraad op 29 september 2011 aan de Tweede Kamer aangeboden. In dit onderzoek staat de volgende probleemstelling centraal: 'Welke mogelijke veiligheidsrisico's zijn er binnen de schietsport te onderkennen aan 1) commerciële belangen, 2) opslag en vervoer van legale wapens en munitie en 3) het laten schieten zonder wapenverlof?' INHOUD: 1. Een onderzoek naar de schietsport in Nederland 2. Kenmerken en achtergronden van de schietsport in Nederland 3. Commerciële belangen 4. Opslag en vervoer van legale vuurwapens en munitie 5. Schieten zonder verlof 6. Conclusie 7. Samenvatting
    • Selectief naast restrictief - Evaluatie van de Wet modern migratiebeleid

      Lodder, G. (Universiteit Leiden - Instituut voor Immigratierecht, 2019)
      Op 1 juni 2013 is de Wet modern migratiebeleid (wet MoMi) in werking getreden. De wet MoMi ziet op een modernisering van het reguliere toelatingsbeleid ten aanzien van migranten van buiten de Europese Unie, de zogenaamde derdelanders. Het reguliere toelatingsbeleid is gedifferentieerd naar verschillende verblijfsdoelen zoals werk, studie of gezinshereniging. De wet MoMi heeft geen betrekking op asielmigratie.De centrale probleemstelling van de wetsevaluatie is: Voldoet de wet MoMi aan de doelstellingen zoals deze door de wetgever zijn geformuleerd bij de totstandkoming van de wettelijke regeling? De probleemstelling is uitgewerkt in drie onderzoeksvragen die corresponderen met de drie hierboven genoemde terreinen: de toelatingsprocedures, de referentensystematiek en toezicht en handhaving.Zijn de toelatingsprocedures voor alle reguliere migranten snel, doeltreffend en beheersbaar?Werkt de referentensystematiek en zijn de administratieve lasten voor burgers en bedrijven zo beperkt mogelijk gehouden?Is het toezicht- en handhavingsmechanisme zoals neergelegd in de wet MoMi (gebaseerd op vertrouwen vooraf en controle achteraf) effectief? INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoekskader 3. Kennismigratie 4. Arbeid in loondienst 5. Onderzoek 6. Studie 7. Au Pair 8. Familie en gezin 9. Toezicht en handhaving 10. Conclusies en aanbevelingen
    • Toezicht door Inspectie Justitie en Veiligheid bij toenemende maatschappelijke complexiteit - Een verkennend onderzoek

      Wein, B.; Willems, R.; Helderman, J.-K.; Rouwette, E. (Bestuurs- en Beleidslab, 2020)
      Onder het motto ‘Toezicht dat ertoe doet’ wil de Inspectie Justitie en Veiligheid bijdragen aan een rechtvaardige en veilige samenleving. Daarbij is niet alleen de Inspectie zelf in beweging, maar ook de omgeving waarin de Inspectie haar toezichtsrol uitoefent. De Inspectie wil weten hoe goed toezicht te houden te midden van toenemende maatschappelijke complexiteit. Meer concreet is de vraag die centraal staat in dit onderzoek: ‘Of en zo ja, hoe de Inspectie Justitie en Veiligheid haar toezichtsaanpak en governancestructuur verder kan ontwikkelen zodanig dat meer recht wordt gedaan aan de toenemende maatschappelijke complexiteit en het functioneren in ketens en netwerken’.Het onderzoek is kwalitatief van aard en heeft daarnaast een verkennend karakter; uiteindelijk wordt gezocht naar manieren waarop de Inspectie haar toezichtsaanpak (nog) beter gestalte kan geven. INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksaanpak 3. Resultaten huidige omgang krachtenvelden 4. Resultaten verdieping en kleuring a.d.h.v. dialogen met relevante actoren 5. Resultaten synthese 6. Conclusie en reflectie
    • Toezicht en effectmeting. Het kán! - Researchsynthese van onderzoek naar de effectiviteit van toezichtsinterventies

      Winter, H.B.; Ridder, J. de (Rijksuniversiteit Groningen - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 2010)
      Een steeds terugkerend thema in (internationale) wetenschappelijke literatuur over handhaving en toezicht is de constatering dat er (te) weinig valide en betrouwbaar onderzoek wordt gedaan naar de effectiviteit hiervan. Dit onderzoek moet bijdragen aan de opzet van een (wetenschappelijk) onderzoeksprogramma voor het meerjarenprogramma Handhaven en Gedrag en het meerjarenprogramma Evaluatie effecten van toezicht. In deze studie komt de volgende probleemstelling aan de orde: Welke relevante effectonderzoeken zijn uitgevoerd over toezicht en handhaving, hoe zijn die onderzoeken uitgevoerd, welke designs zijn gebruikt, wat zijn de uitkomsten en hoe zouden toezichthouders deze onderzoeken kunnen uitvoeren? De pdf van dit rapport is terug te vinden op de website van Pro Facto (zie link bij: Meer informatie).
    • Tussenevaluatie - Handhaving van coronagedragsregels in de periode maart tot en met november 2020

      Bouwmeester, J.; Doeschot, F. ten; Noort, L. van; Straaten, G. van; Vlaanderen, A. (I&O Research, 2021-05)
      Sinds het uitbreken van de coronacrisis heeft de Nederlandse overheid maatregelen ingevoerd om de verspreiding van het Covid-19 virus tegen te gaan. Naast dringende adviezen om geen handen meer te schudden en zoveel mogelijk thuis werken, werden er gedragsregels ingesteld die gevolgen hadden voor de persoonlijke vrijheden van de Nederlanders, zoals verplicht 1,5 meter afstand houden tot elkaar en een verbod op groepsvorming in de openbare ruimte. Sommige maatregelen werden zonder veel commotie opgenomen in het maatschappelijk verkeer. Over andere maatregelen werd een maatschappelijke discussie gevoerd. Ook was sprake van overtreding van de gedragsregels. Politieagenten en buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) hadden er, in het handhaven van de coronagedragsregels, vanaf maart 2020 ineens een taak bij. De minister van Justitie en Veiligheid verzocht een tussentijdse evaluatie uit te voeren van de handhaving van de coronagedragsregels in de eerste negen maanden na het van kracht worden van die gedragsregels. Het onderzoek gaat in op het handhavingsbeleid, de aansturing en uitvoering van de handhaving, de praktijkervaringen van handhavers, de naleving door burgers, en het draagvlak bij burgers voor handhaving en de eigen ervaringen die zij met handhavend optreden hadden. In het kader van het onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: deskresearch naar handhavingsbeleid en oriënterende interviews, analyse van geregistreerde bekeuringen en waarschuwingen voor overtreding van de coronagedragsregels, en een empirisch deel bestaande uit enquêtes onder 955 handhavers en 1.637 burgers, analyse van reeds uitgevoerde en lopende nalevingsonderzoeken en een media-analyse. INHOUD: 1. Inleiding 2. Handhavingsbeleid 3. Uitvoering handhaving 4. Ervaringen van handhavers 5. Ervaringen van burgers.
    • Voorstellen Onderzoeksprogrammeringen 'Handhaving en Gedrag' en 'Effecten van Toezicht'

      Willemsen, F. (WODC, 2010)
      Dit zijn voorstellen voor een tweetal onderzoeksprogrammeringen met een uitgebreide toelichting ten behoeve van het project 'Handhaving en Gedrag' en het project 'Effecten van Toezicht'. In 2005 is het project 'Handhaving en Gedrag' van start gegaan. Dit project is gericht op het vergaren van empirische wetenschappelijke kennis met een gedragswetenschappelijk karakter. De centrale vraag is, of en in welke mate het nalevingsgedrag van burgers, bedrijven en instellingen wordt beïnvloed door individuele motieven en kenmerken, door de wijze van toezicht en handhaving en door andere (sociale) omgevingsfactoren. Het meerjarenprogramma 'Effecten van Toezicht' is in 2002 van start gegaan. De doelstelling van dit programma is: Het verbeteren van de toezichtspraktijk door het meten van effecten van toezicht, waarbij gebruik wordt gemaakt van resultaten van (wetenschappelijk) onderzoek van die toezichtspraktijk. Het programma heeft een Research en Development (R&D) karakter.