• Beleid bestrijding terrorismefinanciering - Effectiviteit en effecten (2013-2016)

      Wesseling, M.; Goede, M. de (Universiteit van Amsterdam - Amsterdam Institute for Social Science Research, 2018)
      Het Nederlandse beleid dat terrorismefinanciering tegengaat is gebaseerd op de veertig aanbevelingen door de Financial Action Task Force (FATF) en op EU regelgeving die Nederland verplicht risicogericht beleid tegen witwassen en terrorismefinanciering te voeren. De Beleidsmonitor terrorismefinanciering vormt onderdeel van een beleidscyclus waarin aan de hand van de risico’s van terrorismefinanciering het beleid tegen terrorismefinanciering wordt vastgesteld dat vervolgens op effectiviteit wordt geëvalueerd.De doelstelling van het rapport is om een breed overzicht te geven van de activiteiten, initiatieven en samenwerkingsverbanden in het Nederlandse landschap van de bestrijding van terrorismefinanciering. Daarbij geven we een overzicht van aantallen van meldingen, rechtszaken, bevriezing, aanwijzingen etc. De centrale vraagstelling van dit rapport is: Welke activiteiten hebben de actoren in het opsporings- en handhavingsnetwerk voor het bestrijden van terrorismefinanciering ontplooid in de periode 2013-2016, en hoe verhouden deze activiteiten zich tot de doelstellingen op dit gebied van de FATF? INHOUD: 1. Terrorismefinanciering en effectiviteit: een analyse van het FAFT raamwerk 2. Van effectiviteit naar effecten: een analyse van de wetenschappelijke literatuur 3. Onderzoeksmethoden en vertrouwelijkheid 4. Ministeries en toezichthouders in de strijd tegen TF 5. Operationele actoren in de strijd tegen TF 6. Informatie delen en samenwerkingsplatformen 7. Risico gericht werken in de praktijk 8. Opsporingsmethoden: typologieën versus namen delen
    • Binnen is binnen - Leeropbrengsten van de Social Impact Bond 'Werk na detentie'

      Jacobs, M.J.G.; Reijden, L.S. van der (medew.); Moors, J.A. (EMMA, 2021-12-31)
      Dit rapport beschrijft de resultaten van een eindevaluatie van de Social Impact Bond ‘Werk na detentie’. Een Social Impact Bond (SIB) is een vorm van publiek-private samenwerking waarbij private investeerders de aanpak van een maatschappelijk probleem door een onafhankelijke uitvoeringspartij voorfinancieren. Slaagt de aanpak, dan betaalt de overheid de investering met een vooraf afgesproken rendement terug. Slaagt de aanpak niet, of onvoldoende, dan zijn de investeerders hun investering (deels) kwijt. Dit rapport is een eindevaluatie van de SIB ‘Werk na detentie’. Doel van het onderzoek wordt als volgt omschreven: Inzicht krijgen in de lessen en leerervaringen van de Social Impact Bond ‘Werk na detentie’. De bedoeling is ‘alles overziend’ terug te blikken op de periode 2016-2021 en te inventariseren wat de inhoudelijke en procesmatige lessen en leerervaringen zijn, te onderzoeken welke mechanismen daaraan ten grondslag liggen en na te gaan in hoeverre een SIB geschikt is als financieringsconstructie voor publiek-private samenwerking bij de aanpak van een maatschappelijk probleem op het justitiële terrein. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Social Impact Bonds in het justitiële domein – een literatuuronderzoek, 3. Korte samenvatting proces- en effectevaluatie van de SIB ‘Werk na detentie’, 4. Eindevaluatie SIB ‘Werk na detentie’, 5. Beantwoording onderzoeksvragen, 6. Conclusie
    • Brandweeronderwijs in Nederland - naar een volgende stap

      Hols, M.C.A.B.; Morée, R.J.; Geus, L.A.J. de; Schinning, R.D. (Capgemini Consulting, 2011)
      In 2008 verongelukten drie brandweerlieden bij de bestrijding van een brand in De Punt. De Onderzoeksraad voor Veiligheid verrichtte hiernaar een onderzoek (2009) en heeft op basis daarvan ondermeer enkele aanbevelingen opgenomen om de aansluiting tussen praktijk, kennisontwikkeling en brandweeronderwijs te versterken. Het ministerie van BZK als wetgever enerzijds en de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG) en het Veiligheidsberaad als vertegenwoordigende organen van de werkgevers anderzijds, zien het als een gezamenlijke opdracht om die aansluiting vorm te geven; ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid. Daarnaast kwam in reacties die het onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid opriep ook naar voren dat eenduidigheid in de organisatie en financiering van het brandweeronderwijs ontbreekt. Daarom heeft de staatssecretaris van BZK in haar reactie van 6 april 2010 op de aanbevelingen van de Onderzoeksraad een onderzoek naar de organisatie en financiering van het brandweeronderwijs aangekondigd, alsmede een verkenning van meer aansluiting tussen het brandweeronderwijs, het reguliere beroepsonderwijs en het onderwijs van de andere veiligheidspartners. Doel van het onderzoek is enerzijds inzicht verkrijgen in de organisatie en financiering van het brandweeronderwijs. Deze kennis kan gebruikt worden om meer eenduidigheid te creëren in de organisatie en financiering van het brandweeronderwijs en knelpunten op te lossen door het vergroten van de efficiency en effectiviteit. Anderzijds is het doel het verkennen van die mogelijkheden van meer aansluiting tussen het brandweeronderwijs, het reguliere beroepsonderwijs en het onderwijs van de andere veiligheidspartners. Onderzoek gestart onder projectbegeleiding van Directie Kennisontwikkeling voor Openbaar Bestuur en Veiligheid (BZK) en per 1/1/2011 voortgezet onder projectbegeleiding van de afdeling Extern Wetenschappelijke Betrekkingen (WODC). INHOUD: 1. Inleiding 2. Organisatie brandweeronderwijs in perspectief; historie en actoren 3. Vraag en aanbod brandweeronderwijs 4. Kwaliteitsborging brandweeronderwijs 5. Bekostiging brandweeronderwijs 6. Door het veld ervaren knelpunten en kansen brandweeronderwijs 7. Aansluiting op ander onderwijs 8. Analyse, reflectie en aanbevelingen
    • Buitengerechtelijke procedures civiel en bestuur 2016

      Klein Haarhuis, C.M. (WODC, 2018)
      Veel problemen en geschillen in het civiel- en bestuursrechtelijke domein worden niet door de rechter, maar (eerst) door buitengerechtelijke instanties behandeld. Dit factsheet beschrijft, over de periode 2005-2016, eerst de instroom bij een aantal kenmerkende procedures in het civielrecht. Vervolgens komt het aantal afgehandelde bezwaarschriften door zes landelijke bestuursorganen aan bod. Dit wordt gevolgd door een tweetal overige procedures en, als laatste, met een beeld van de kosten in termen van tarieven en gemiddelde doorlooptijden (geldend in 2016). Al met al is sprake van een wisselend beeld zonder eenduidige trend; dit weerspiegelt het gevarieerde karakter van de procedures.
    • Buitenlandse financiering en beïnvloeding van religieuze instellingen in Nederland

      Hoorens, S.; Nederveen, F.; Snippe, J.; Muijnck, J. de; Sijtsma, M. (RAND Europe, 2020)
      Vanuit de gedachte ‘wie betaalt, bepaalt’ bestaan er zorgen over ongewenste beïnvloeding van religieuze instellingen vanuit onvrije landen. Deze zorgen richten zich met name op nationalistische invloed via religieuze instellingen en op invloed door religieuze stromingen die een andere rechtsorde voorstaan dan de Nederlandse democratische rechtsstaat.Aangezien een haalbaarheidsstudie door RAND naar dit onderwerp in 2015 had uitgewezen dat de beschikbare informatie tekortschoot om tot een betrouwbare inschatting van de totale omvang van buitenlandse financiering van moskeeën te komen, werd in de opzet van dit onderzoek gekozen voor een bottom-up benadering, waarbij informatie wordt opgevraagd bij de religieuze instellingen zelf. Daarnaast is het onderzoek breder opgezet dan eerder onderzoek, door het onderzoek niet te beperken tot islamitische instellingen maar het te richten op de grootste kerkgenootschappen en geloofsgemeenschappen in Nederland: kerken, parochies en gemeenten aangesloten bij de Rooms-Katholieke Kerk (RKK), Protestantse Kerk in Nederland (PKN), Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), Gereformeerde Gemeenten, Christelijke Gereformeerde Kerken, Hersteld Hervormde Kerk en de Anglicaanse Kerk in Nederland, evenals een groot aantal migrantenkerken en alle identificeerbare moskeeën. De aandacht van het onderzoek gaat uit naar de jaren na publicatie van het vorige RAND-rapport: de periode 2016-2019. In plaats van de totale omvang van buitenlandse financiering is dit onderzoek gericht op de relatieve omvang van buitenlandse financiering aan deze instellingen: enerzijds relatief ten opzichte van de totale inkomsten van de instellingen binnen een religieuze stroming en anderzijds ten opzichte van andere religieuze stromingen of geloofsgemeenschappen.De centrale vraagstelling van dit onderzoek luidt derhalve: Wat is de relatieve omvang en aard van buitenlandse financiering aan religieuze instellingen tussen de grootste denominaties in Nederland en binnen relevante stromingen of afsplitsingen van deze denominaties en in hoeverre gaat deze financiering gepaard met ongewenste beïnvloeding? INHOUD: 1. Introductie 2. Doelstelling en aanpak 3. Religieuze instellingen in Nederland en hun financiën 4. Resultaten enquête 5. Resultaten van het bureauonderzoek 6. Casestudies 7. Conclusies en reflectie
    • Continuïteit in de bekostiging van politie, openbaar ministerie en rechtspraak

      Koopmans, C.; Vlaanderen, M.; Rougoor, W.; Folmer, T.; Grootelaar, H.; Duijneveldt, I. van; Berg, P. van den (medew.); Hers, J. (medew.); Kruijf, J. de (medew.); Verheuvel, N. (SEO Economisch onderzoek, 2021-05)
      De afgelopen tien jaar hebben bezuinigingen en extra financiële middelen tot problemen geleid bij politie, openbaar ministerie en rechtspraak. Het is van belang dat de wijze van bekostiging blijft aansluiten bij de kostenstructuur en de rollen van de drie organisaties. De bekostiging kan zich meer dan nu richten op de strafrechtketen als geheel en op bredere maatschappelijke effecten zoals preventie van criminaliteit. Als vertrekpunt fungeerde een startnotitie van het WODC met de volgende probleemstelling: • “Wat zijn de hoofd- of basisafspraken omtrent de bekostigingssystematiek van politie, OM en de rechtspraak sedert 2010, in welke mate is daarin sprake van continuïteit en wat is de onderliggende beleidstheorie daaromtrent, en wat is daarin de rol van de bijzondere kenmerken van de betrokken organisaties: de politie als ‘sui-generis’ organisatie, de rechtsstatelijke positie van het OM en de onafhankelijkheid van de rechtspraak? Is er in deze hoofdafspraken ook aandacht voor afstemming ten opzichte van elkaar in de keten?” • “Welke fluctuaties (bezuinigingen en investeringen) hebben zich voorgedaan in de bekostiging van politie, OM en rechtspraak sedert 2010 en welke visie/doelstellingen/beleidsafwegingen lagen daaraan ten grondslag, wat kan gezegd worden over de realisatie daarvan, en wat waren de consequenties voor de organisaties en de ketensamenwerking?” • “Zijn er in de begrotingssystematiek op andere beleidsterreinen concrete voorbeelden te vinden die kunnen bijdragen aan vergroting van de continuïteit van de bekostiging? • Wat zijn de ervaringen met een tweetal ketenbrede programma’s in het strafrecht, te weten ZSM en de digitalisering van de keten? • Welke betekenis hebben de bevindingen, ook die onder twee en drie, voor de mogelijkheden om te komen tot het beter borgen in de toekomst van de continuïteit van beleid en bekostiging van deze organisaties, teneinde de rechtsstaat duurzaam te versterken?” INHOUD: 1. Inleiding 2. Economische theorie van bekostigings-systemen 3. Bekostiging politie, OM en Rechtspraak 2010-2020 4. Ketensamenwerking 5. Verkenning alternatieve bekostigingssystematieken 6. Bevindingen, conclusies en aanbevelingen.
    • De glans van de parels - Onderzoek naar de effectiviteit van 'Pearls in Policing' en de aansluiting bij nieuw beleid

      Winter, H.; Struiksma, N.; Schol, M.; Schudde, B.; Zee, T. van der (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2014)
      Pearls in Policing (PiP) is een initiatief voor topmensen in politieorganisaties van over de hele wereld. Het doel is professionele kennis en ervaring in te zetten om oplossingen te vinden voor internationale veiligheidsvraagstukken. Pearls in Policing is opgericht in 2007. In Nederland wordt Pearls in Policing uitgevoerd door de School voor Politie Leiderschap. De financiering van de opleiding is geregeld tot en met 2014 en de vraag is of deze nadien moet worden voortgezet. In dit onderzoek komt de volgende probleemstelling aan de orde:Op welke wijze heeft Pearls in Policing de afgelopen zeven jaar gestalte gekregen, op welke wijze zijn de middelen ingezet, welke prestaties zijn geleverd, hoe wordt het gewaardeerd door betrokkenen, wat zijn de doelen die ten grondslag liggen aan Pearls in Policing, sluiten deze aan bij de doelen van de organisaties die Pearls in Policing financieren en in hoeverre zijn de doelen gerealiseerd?Kunnen de doelen van Pearls in Policing ook anders worden bereikt, wat kan Pearls in Policing op dit gebied leren van soortgelijke initiatieven, en op welke wij-ze kan Pearls in Policing aansluiten bij het (aangepaste) strategisch landenbeleid internationale politiesamenwerking? INHOUD: 1. Plaatsbepaling 2. Onderzoeksvragen en -aanpak 3. Aanleiding, activiteiten, organisatie en middelen 4. Reconstructie van de beleidstheorie 5. Prestaties, waardering en doorwerking 6. Doeltreffendheid 7. PiP en de toekomst 8. Conclusies
    • De kosten van procedures - Gedragskeuzen in de delta van geschilbeslechting

      Croes, M.T.; Os, R.M.V. van (WODC, 2012)
      Dit onderzoek richt zich op de kosten van oplossingsrichtingen die burgers kiezen voor (potentieel) juridische problemen, waarmee zij in Nederlands worden geconfronteerd en de wijze waarop zij daarmee omgaan. In dit Memorandum wordt een manier geopperd om dergelijke kosten vast te stellen. Wanneer deze kosten vervolgens in de verklaring van de gedragskeuzen zouden worden meegenomen, zou dat het Geschilbeslechtingsdelta-onderzoek verder kunnen verbeteren. INHOUD: 1. Inleiding 2. Kosten-batenbalans 3. Soorten kosten 4. Vaste kosten 5. Variabele kosten 6. Financiering van de kosten 7.Een rekenvoorbeeld 8. Conclusie en discussie
    • Directe plaatsing in gemeenten van hervestigde vluchtelingen - Een onderzoek naar de impact van het gewijzigde beleid

      Schol, M.; Woestenburg, N.; Sibma, A.; Jager, L. de; Winter, H. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2013)
      In plaats van een acclimatiseringperiode in het asielzoekerscentrum AZC Amersfoort, worden uitgenodigde vluchtelingen sinds september 2011 rechtstreeks in gemeenten geplaatst. Dit leidt enerzijds tot besparingen, anderzijds kan de maatschappelijke hulpverlening en begeleiding van deze vluchtelingen onder druk komen te staan. Momenteel zijn tussen de 50 en 60 gemeenten actief met deze groep. De centrale vraag van die onderzoek is hoe de directe plaatsing en begeleiding van hervestigde vluchtelingen in gemeenten in de praktijk verloopt, zowel inhoudelijk als financieel, hoe deze uitvoeringspraktijk beoordeeld wordt door betrokken partijen en of zich daarbij knelpunten voordoen. INHOUD: 1. Samenvatting 2. Summary 3. Onderzoeksvragen en -aanpak 4. Het proces in vogelvlucht 5. Selectie 6. Voorbereiding vluchtelingen 7. Voorbereiding in gemeenten 8. Reis en aankomst 9. Verblijf 10. Financiën 11. Conclusie
    • Dutch National Risk Assessment on Terrorist Financing 2019

      Veen, H.C.J. van der; Heuts, L.F. (WODC, 2020)
      Dutch policy to prevent and combat terrorist financing is based on the recommendations of the Financial Action Task Force (FATF) and European Union (EU) directives and regulations. Article 7 of this directive obliges EU Member States to implement a risk-based policy against money laundering and terrorist financing and to establish a National Risk Assessment (NRA). In 2017 the Research and Documentation Centre (WODC) carried out the first NRA on terrorist financing and on money laundering for the European part of the Netherlands. A year later, the WODC also conducted an NRA on both topics for the Caribbean Netherlands: the islands Bonaire, Sint Eustatius and Saba (see link). A second NRA for the European Netherlands on terrorist financing has been carried out by the WODC, with the aim of identifying the greatest risks in the field of terrorist financing. These are terrorist financing risks with the greatest residual potential impact. To this end, the terrorist financing threats with the greatest potential impact have been identified, an estimate has been made of the impact these threats can have and the ‘resilience’ of the policy instruments aimed at preventing and combating terrorist financing has been determined.
    • Evaluatie besturingsmodel rechtsbijstand

      Bulder, A.; Wal, A. van der; Leeuw, F.L.; Flap, H.D. (Universiteit Utrecht, Vakgroep Sociologie, 1997)
      Het onderzoek naar aanleiding van de modernisering van de bestuurlijke organisatie, waarvan hier verslag wordt gedaan, richt zich meer in het bijzonder op het model dat de wetgever voor ogen had bij de besturing van het nieuwe stelsel. De uitgangspunten van dit model zijn verwoord in de in 1993 gepubliceerde Besturingsvisie Rechtsbijstand. In deze Besturingsvisie omschrijft het departement op welke mechanismen de besturing zal zijn gebaseerd en tevens wat de hoofdlijnen zijn van het gekozen besturingsmodel (d.i. het samenstel van sturingsinstrumenten). In dit onderzoek wordt in de eerste plaats nagegaan in hoeverre het ontworpen besturingsmodel feitelijk is ingevoerd in de periode 1994-1996. Vervolgens komt de doeltreffendheid van het model aan de orde wanneer de vraag beantwoord wordt of het model ertoe leidt dat de doelen van de wet realiteit worden ('objectief' en 'subjectief', in de ogen van de betrokkenen.)
    • Evaluatie BFT

      Hers, J.; Rougoor, W.; Biesenbeek, C.; Beusekom, H. van; Barth, R. (SEO Economisch Onderzoek, 2018)
      Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) is enerzijds verantwoordelijk voor het financieel toezicht en kwaliteits- en integriteitstoezicht op notarissen en gerechtsdeurwaarders en anderzijds voor het toezicht op de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) door notarissen, accountants, belastingadviseurs en administratiekantoren. De probleemstelling van het onderzoek is: In welke mate was het toezicht en de handhaving door het Bft op de aangewezen toezichtterreinen in de jaren 2012 tot en met 2016 in de praktijk doelmatig en doeltreffend? INHOUD: 1. Inleiding 2. Toezicht op notarissen en gerechtsdeurwaarders 3. Toezicht op de Wwft 4. Doelmatigheid van het BFT 5. Conclusies
    • Evaluatie Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV)

      Bilo, N.; Huberts, S.; Veen, S. van der; Wilms, P. (Significant APE, 2019)
      Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) is in 2004 opgericht door publieke en private partijen en beoogt de maatschappelijke veiligheid te vergroten. Deze doelstelling wil het CCV bereiken door de ontwikkeling en beschikbaarstelling van kennis en instrumenten op het gebied van criminaliteitspreventie en veiligheid, gericht op een integrale aanpak door samenwerking tussen (semi-)publieke en private organisaties. De centrale probleemstelling in dit onderzoek is: ‘In hoeverre heeft het CCV in de periode 2013-2018 zijn algemene doelstelling gerealiseerd, hoe verhoudt dat beeld zich tot de vorige evaluatie van 2013, in hoeverre heeft het CCV opvolging gegeven aan de aanbevelingen uit de vorige evaluatie en in hoeverre is het huidige CCV in overeenstemming met het gewenste toekomstbeeld dat betrokkenen hebben voor de organisatie.’ INHOUD: 1. Inleiding 2. Probleemstelling en aanpak 3. Onderzoeksverantwoording 4. Schets van het CCV 5. Verhouding tot het ministerie van Justitie en Veiligheid 6. Aanbod en waardering van de producten en diensten 7. Het toekomstbeeld 8. Conclusies
    • Evaluatie Kwaliteitsimpuls politieonderwijs Caribisch Nederland

      Boogaard, M.; Dingemanse, P.; Klein, T.; Middelbeek, L. (medew.); Emmelot, Y. (medew.); Sligte, H. (medew.) (Kohnstamm Instituut, 2020)
      De Kwaliteitsimpuls politieonderwijs Caribisch Nederland is een tijdelijke maatregel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Dit ministerie stelde in de periode 2016-2019 een bijzondere bijdrage beschikbaar van €350.000 op jaarbasis, met als doel de professionalisering van het Korps Politie Caribisch Nederland (KPCN) te stimuleren, en bij te dragen aan verbetering van de samenwerking tussen de verschillende korpsen. De evaluatiestudie had tot doel zowel de opbrengsten en als de eventuele verbeterpunten van de Kwaliteitsimpuls in beeld te brengen. Kort samengevat ging het daarbij om drie hoofdpunten: Welke beleidstheorie ligt ten grondslag aan de Kwaliteitsimpuls politieonderwijs Caribisch Nederland? Hoe verliep de uitvoering van de Kwaliteitsimpuls, wat zijn de opbrengsten en knelpunten, volgens de verschillende betrokken partijen? In hoeverre voldoet de Kwaliteitsimpuls aan de beoogde doelstellingen en wat zijn de belangrijkste aandachtpunten bij een mogelijke continuering? INHOUD: 1. Aanleiding en achtergrond voor het onderzoek 2. Verantwoording methode 3. Beleidsreconstructie 4. Overzicht van de feitelijk uitgevoerde activiteiten binnen de kwaliteitsimpuls 5. Evaluatie van de uitvoering van de Kwaliteitsimpuls 6. Opbrengsten van de Kwaliteitsimpuls en wensen voor de toekomst 7. Samenvatting en conclusies
    • Evaluatie pilot zorgcontinuïteit - ketensamenwerking in Rotterdam

      Goedvolk, M.; Walberg, A. (Significant, 2013)
      In de periode van september 2012 tot en met juni 2013 is een evaluatie uitgevoerd van de pilot zorgcontinuïteit in locatie De Schie van PI Rotterdam. De pilot zorgcontinuïteit bestaat uit twee belangrijke elementen: het inzetten van een trajectregisseur van de GGD Rotterdam en gezamenlijke inkoop. De zorg richt zich op de groep kortgestraften en preventief gehechten met Rotterdam-binding. De doelstelling van dit onderzoek is het inzichtelijk maken van de mate waarin de pilot in de praktijk wordt uitgevoerd zoals beoogt, het benoemen van de succesfactoren en knelpunten en het vaststellen van de mate waarin zorgcontinuïteit is bevorderd door uitvoering van de pilot. INHOUD: 1. Achtergrond en aanleiding 2. Onderzoeksopzet 3. Succesfactoren voor zorgcontinuïteit uit de literatuur 4. De pilot zorgcontinuïteit 5. Conclusies
    • Evaluatie Regeling Uitstapprogramma's Prostitutie (RUPS II)

      Timmermans, M.; Kuin, M.; Leerdam, J. van; Groot, J. (medew.); Duysak, S. (medew.); Verbeek, E. (medew.); Born, M. (medew.) (Regioplan Beleidsonderzoek, 2019)
      De Regeling Uitstapprogramma’s Prostituees II is erop gericht om een landelijk dekkend netwerk van uitstapprogramma’s te realiseren waar sekswerkers uit heel Nederland terechtkunnen. Het doel van de evaluatie is om te onderzoeken in hoeverre dit bereikt is. Daarnaast moet het onderzoek leiden tot advies over de wijze waarop de aangekondigde structurele gelden voor uitstapprogramma’s verdeeld en beheerd kunnen worden. Het derde doel van het onderzoek is het in kaart brengen van het bereik en de resultaten van uitstapprogramma’s die (deels) uit RUPS II zijn bekostigd.De hoofdvragen van de evaluatie zijn:Is er een landelijk dekkend netwerk van uitstapprogramma’s?Op welke manier kunnen de financiële middelen die in het regeerakkoord beschikbaar zijn gesteld het beste worden verdeeld en beheerd?Wat is bekend over de effecten van de verschillende RUPS-programma’s? INHOUD: 1. Inleiding 2. Landelijke dekking uitstapprogramma's 3. Toekomstige financiële systematiek 4. Resultaten RUPS II 5. Conclusie
    • Evaluatie uitstapprogramma's prostitutie - Deelrapport Landelijke dekking en toekomstige financiële regeling

      Timmermans, M.; Kuin, M.; Leerdam, J. van; Groot, J. (medew.); Duysak, S. (medew.); Verbeek, E. (medew.); Born, M. (medew.) (Regionplan beleidsonderzoek, 2018)
      Uit zowel de praktijk als de wetenschappelijke literatuur is bekend dat uitstappen uit de prostitutie allerlei belemmeringen kent en dus zeer complex kan zijn. In 2008 werd de eerste Regeling Uitstapprogramma’s Prostituees (RUPS) door het Rijk ingevoerd. Het betrof een subsidieregeling om ontwikkeling en uitvoering van uitstapprogramma’s mogelijk te maken. Met RUPS II wordt beoogd een landelijk dekkend netwerk aan uitstapprogramma’s te bieden. Dit rapport is een verslag van de evaluatie van de landelijke dekkingsgraad van uitstapprogramma’s en de verkenning van de verdeling en het beheer van de toekomstige structurele gelden voor uitstapprogramma’s.
    • Evaluatie van de Wet herziening gerechtelijke kaart - Samenwerking in de strafrechtketen

      Kristen, F.G.H.; Sikkema, E.; Lindeman, J.M.W.; Schiffelers, M.J.W.A.; Vorm, B. van der; Weerd, A. van der; Schmidt, E.; Vries, A.J. de (Universiteit Utrecht - Montaigne Centrum, 2017)
      Met de inwerkingtreding van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Wet HGK) per 1 januari 2013 is het aantal ressorten en arrondissementen verminderd. Deze nieuwe schaalgrootte moet de rechterlijke macht in staat stellen om zaken tijdig, met voldoende kwaliteit en tegen redelijke kosten te kunnen afhandelen, doordat de afzonderlijke gerechten en parketten kunnen beschikken over voldoende personeel en over voldoende aanbod van zaken. Tevens krijgt de rechtspraak meer ruimte om zich op specifieke terreinen binnen de nieuwe rechtbanken te specialiseren. De herziening introduceert verder een nieuwe inrichting van het gerechtsbestuur.Het onderhavige onderzoek richt zich op de samenwerking in de strafrechtketen in de eerste lijn. Het onderzoek strekt tot voorlichting van de Commissie Evaluatie Wet herziening gerechtelijke kaart (voorzitter: prof. mr. dr. H.R.B.M. Kummeling) die de Wet herziening gerechtelijke kaart en de Splitsingswet moet evalueren. Het doel van het onderzoek is om te vast te stellen wat de werking van de Wet herziening gerechtelijke kaart en de Splitsingswet is (geweest) voor wat betreft de samenwerking in de strafrechtketen in de eerste lijn en hoe deze werking kan worden verklaard. Het antwoord hierop biedt de mogelijkheid te beoordelen of de herziening van de gerechtelijke kaart heeft bijgedragen aan een effectievere en efficiëntere samenwerking in de strafrechtketen. INHOUD: 1. Aanleiding voor en opzet van het onderzoek 2. Theoretisch kader 3. Analyse van de doelen van de Wet herziening gerechtelijke kaart en de Splitsingswet 4. Beschrijving en empirische analyse 5. Bevindingen 6. Samenvatting 7. Lijst van aangehaalde literatuur 8. Bijlagen
    • Evaluatie van de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties en geschillenbeslechting

      Cock Buning, M. de; Bijl, P. de; Voorn, R.-J.; Sluijs, J.; Hommema, I. (Universiteit Utrecht - Faculteit Recht, Economie Bestuur en Organisatie (REBO), 2016)
      Op 1 juli 2013 is de Wet tot verbreding en versterking van het toezicht op collectieve beheersorganisaties (CBO’s) in werking getreden (Wet Toezicht 2013). Evenals in de voorgaande wet is het College van Toezicht Auteursrechten (CvTA) aangewezen als toezichthouder op de collectieve inning, het zorgvuldig beheer en de tijdige en juiste verdeling van gelden door collectieve beheersorganisaties (CBO’s). Deze organisaties innen gelden bij gebruikers en/of verdelen gelden aan auteurs- en nabuurrechthebbenden voor hun beschermde prestaties. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is afgesproken om deze wet na drie jaar te evalueren. De probleemstelling luidt als volgt: Heeft het CvTA zijn wettelijke taken doelmatig en doeltreffend vervuld en zijn bevoegdheden op een doelmatige en doeltreffende wijze uitgeoefend? Anders gesteld, heeft de aanscherping van het toezicht haar doel bereikt, namelijk om voldoende waarborgen te kunnen bieden voor transparant en effectief functioneren van CBO's ten gunste van betalingsplichtigen en rechthebbenden? INHOUD: 1. Inleiding 2. Beleidsreconstructie 3. Praktijkwerking 4. Onderzoeksbevindingen 5. Financiering van CvTA 6. Conclusies
    • Evaluatie Veiligheidswet BES

      Woestenburg, N.; Beukers, M.; Oldenboom, J.; Simmons-de Jong, G.; Struiksma, N.; Marchena-Slot, A.; Winter, H. (Pro Facto, 2022-04-25)
      De Veiligheidswet BES is op 10-10-’10 ingevoerd toen de staatkundige structuur van het Koninkrijk der Nederlanden werd gewijzigd en Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbare lichamen deel zijn gaan uitmaken van het land Nederland. De Veiligheidswet BES regelt de taak en samenstelling van het politiekorps en de inrichting en organisatie van de brandweerzorg, rampenbestrijding, crisisbeheersing en geneeskundige hulpverlening in Caribisch Nederland. De volgende onderzoeksvraag stond in het onderzoek centraal: Hoe functioneert de Veiligheidswet BES gelet op de per 10-10-’10 geformuleerde uitgangspunten en doelstellingen, welke knelpunten zijn te onderscheiden en in hoeverre is de wet toekomstbestendig, mede gelet op de huidige en toekomstige ontwikkelingen in het veiligheidsdomein en de bevindingen van de eind 2020 geëvalueerde Wet veiligheidsregio’s? INHOUD: 1. Inleiding 2. Doelen en uitgangspunten van de wet 3. Beleid, uitvoering, financiering en toezicht 4. Samenwerking onderling en in de regio 5. Toekomstbestendigheid en verhouding tot de Wet veiligheidsregio's 6. Conclusie