• Eindverslag Evaluatiecommissie justitiële rijkswetten - Vijf jaar justitiële rijkswetten - rapportage van een wetsevaluerend onderzoek (bijlage)

      Begina, R. (voorz.); Brouwer, H.N. (voorz.) (Evaluatiecommissie justitiële rijkswetten, 2015)
      In het Instellingsbesluit werd deze Evaluatiecommissie belast met de evaluatie van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie (verder: Rijkswet GHvJ), de Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder: Rijkswet OM), de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder: Rijkswet Politie) en de Rijkswet Raad voor de rechtshandhaving (verder: Rijkswet RvdR). Gelet op de omschrijving van de Evaluatieopdracht wordt van de Evaluatiecommissie een oordeel gevraagd over aspecten van doeltreffendheid en effecten van de Rijkswetten. Daartoe moest onder meer worden bezien hoe deze in de praktijk worden toegepast en welke (onvoorziene) knelpunten daarbij kunnen worden gesignaleerd. Om onafhankelijke oordeelsvorming door de Evaluatiecommissie te bevorderen is in opdracht van de Evaluatiecommissie allereerst wetenschappelijk onderzoek verricht naar de werking van de Rijkswetten in de huidige praktijk. Dit onderzoek was erop gericht te komen tot bevindingen ten aanzien van de evaluatievragen die waren opgenomen in het Instellingsbesluit en het daarop gebaseerde Plan van Aanpak. Het onderzoek is uitgevoerd door wetenschappers van de Universiteit Utrecht, de University of Curaçao en het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden. Het resultaat van dit onderzoek is toegevoegd als bijlage aan dit eindverslag. INHOUD: 1. Inleiding 2. Algemene impressie 3. Rijkswet Politie 4. Openbaar ministerie 5. Gemeenschappelijk Hof van Justitie 6. Raad voor de rechtshandhaving 7. Institutionele aspecten 8. Slotopmerkingen
    • Evaluatie Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen - Voor de publieke waarde van informatie

      Struiksma, N.; Cazemier, J.; Diekema, M.; Floor, T.; Ridder, J. de (Pro Facto, 2022-04-26)
      Sinds 1 april 2000 heeft Nederland als eerste EU-lidstaat een Nationaal Irapporteur op het gebied van mensenhandel. Op grond van art. 9 van de Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen (wet van 15 november 2013) en daaraan voorafgaande regelingen dient het instituut elke vier jaar geëvalueerd te worden. Dit evaluatieonderzoek heeft vier hoofdvragen: 1. Hoe heeft de Nationaal rapporteur in de periode 2017-2020 zijn taken uitgevoerd? 2. Welke financiële middelen had de Nationaal rapporteur in de periode 2017-2020 beschikbaar en hoe zijn die besteed? Hoe verhoudt zich dat tot de middelen en besteding daarvan door de nationaal rapporteurs in drie andere EU-lidstaten? 3. Wat was de externe waardering voor de taakuitvoering van de Nationaal rapporteur in de periode 2017-2020? 4. In hoeverre is – de antwoorden op de eerste drie hoofdvragen en de deelvragen overziend – een wijziging van de taken, werkwijze en/of bevoegdheden van de Nationaal rapporteur gewenst en hoe kijkt de Nationaal rapporteur aan tegen deze eventuele wijzigingen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksaanpak 3. De taak van de Nationaal rapporteur 4. Bestuurlijke inbedding 5. Organisatie en financiën 6. Taakopvatting Nationaal rapporteur 7. Activiteiten 2017-2020 8. Externe waardering 9. Landenvergelijking 10. Integrale analyse
    • Inrichting en organisatie Brandweerkorps en Korps Politie Caribisch Nederland

      Nauta, O.; Egmond, P. van (DSP-groep, 2015)
      De staatkundige hervormingen binnen het Koninkrijk van oktober 2010 hebben een wijziging met zich meegebracht voor de politie en de brandweer op de drie BES-eilanden. De politiekorpsen en brandweerkorpsen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn samengevoegd tot één politiekorps (Korps Politie Caraïbisch Nederland, KPCN), respectievelijk één brandweerkorps (Brandweerkorps Caraïbisch Nederland, BKCN). De Minister van Veiligheid en Justitie (VenJ) is korpsbeheerder van zowel het KPCN als het BKCN. De minister van VenJ draagt als korpsbeheerder van het politie- en het brandweerkorps Caraïbisch Nederland zorg voor de kwaliteit van de taakuitoefening, de resultaten en het beheer van de beide korpsen. De volgende probleemstelling staat in dit rapport centraal: In hoeverre functioneren het Korps Politie Caribisch Nederland en het Brandweerkorps Caribisch Nederland in kwantitatief en kwalitatief opzicht binnen de kaders van wet- en regelgeving c.q. in hoeverre zouden zij in staat moeten zijn binnen die kaders te functioneren? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methodische verantwoording 3. Brandweerkorps Caribisch Nederland 4. Verbetermogelijkheden 5. Conclusie BKCN 6. KPCN 7. Verbetermogelijkheden KPCN 8. Conclusies KPCN 9. Tot slot
    • Ondernemingen in financiële moeilijkheden en de arbeidsrechtelijke positie van hun werknemers

      Verburg, L.G.; Veder, P.M.; Jansen, A.G.J.J.; Mennens, A.M.; Niebeek, A.W.; Pepels, S.C.; Wersch, F.M.R. van (Radboud Universiteit - Onderzoekcentrum Onderneming & Recht, 2016)
      Het onderzoek is gericht op het in kaart brengen van de gang van zaken in de praktijk met het doel inzicht te verschaffen in de rol die de arbeidsrechtelijke positie van werknemers in de praktijk speelt bij de wijze waarop wordt geprobeerd financieel noodlijdende ondernemingen te reorganiseren en de gevolgen die het gekozen traject heeft (gehad) voor de betrokkenen. Het onderzoek heeft aldus een exploratief en inventariserend karakter. Het onderzoek is er niet op gericht om op systematische wijze de onderzochte zaken met elkaar te vergelijken. Het onderzoek bestaat vooral uit een onderzoek naar en een analyse van 26 recente cases waarin ondernemingen al dan niet na een faillissement zijn gereorganiseerd. INHOUD: 1. Aanleiding voor het onderzoek, probleemstelling en methode 2. Oorzaken van de financiële moeilijkheden en de rol van de factor arbeid 3. De zoektocht naar oplossingen en de invloed van de arbeidsrechtelijke positie van werknemers 4. Opvattingen omtrent wijzigingen in de arbeidsrechtelijke positie van werknemers die de reorganisatie van ondernemingen in financiële moeilijkheden zouden kunnen bevorderen 5. De expertmeeting aangaande het onderhavige onderzoek, gehouden te Nijmegen op 25 september 2015 6. Conclusies
    • Rapportage evaluatie Politiewet 2012 - Deelonderzoek Bedrijfsvoering

      Veldhuisen, A. van; Niessen, I.; Genderen, R. van; Hommema, I. (Andersson Elffers Felix (AEF), 2017)
      Op 1 januari 2013 trad de Politiewet 2012 in werking. Artikel 74 van de wet bepaalt dat de Minister van Justitie en Veiligheid binnen vijf jaar na inwerkingtreding een evaluatie van die wet aan de Staten-Generaal moet sturen over doeltreffendheid en effecten van de wet in de praktijk. Doelstelling: Beschrijven van de bedrijfsvoering van de nieuwe politieorganisatie zoals geregeld op basis van de Politiewet en de stand van de implementatie en voorlopige effecten beoordelen.De opdracht draagt in zich dat niet alleen onderzocht dient te worden of de wet feitelijk is geïmplementeerd, maar ook hoe deze wet wordt geïnterpreteerd en toegepast in de dagelijkse praktijk.Dit is deelonderzoek 3 ten behoeven van het eindrapport Evaluatie Politiewet 2012 (zie: link hiernaast). INHOUD: 1. Inleiding 2. Implementatie 3. Voorlopige effecten 4. Reflecties bij de stand van zaken
    • Schieten op een bewegend doel - Evaluatie Instituut Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen

      Ridder, J. de; Struiksma, N.; Bloemhoff, C.; Boxum, Ch. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2017)
      Sinds 1 april 2000 heeft Nederland als eerste Europese natie een Nationaal rapporteur op het gebied van mensenhandel. Op grond van artikel 9 van de Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen dient het instituut elke vier jaar geëvalueerd te worden. De centrale onderzoeksvraag van deze evaluatie luidt als volgt: Wat zijn de ambities, doelstellingen en taken van de Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen, hoe worden de taken uitgevoerd, welke middelen zijn voorhanden, hoe worden deze besteed, wat is de (externe) waardering van de taakuitvoering en is er aanleiding om de taakuitvoering of bevoegdheden te wijzigen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Ontstaansgeschiedenis, taken en doelen 3. Staatsrechtelijke positie van de Nationaal rapporteur 4. Middelen 5. Taakuitvoering 6. Waardering door externen 7. Nadere analyse en waardering van de taakuitvoering 8. Resumé van bevindingen
    • Transnationale samenwerking tussen toezichthouders in Europa

      Boswijk, P.; Jansen, O.J.D.M.L.; Widdershoven, R.J.G.M. (WODC, 2008)
      De centrale onderzoeksvraag in dit onderzoek luidt: hoe hebben Nederland en andere lidstaten de wederzijdse bijstand van toezichthouders bij de uitvoering van Europees recht geregeld en welke onderdelen daarvan zijn geschikt voor toepassing in Nederland? In 2007 is een tussenrapport afgerond. Op basis van de resultaten van die eerste fase is een keuze gemaakt voor vier lidstaten (Duitsland, Frankrijk, Spanje, Engeland en Wales) en vijf sectoren (douane, financieel toezicht, sociale zekerheid, visserij, en voedselveiligheid).
    • Transnationale samenwerking van toezichthouders - een quick scan

      Jansen, O.J.D.M.L.; Boswijk, P. (WODC, 2007)
      De centrale probleemstelling van dit onderzoek is: Hoe hebben andere EU-landen de transnationale bestuurlijke samenwerking van toezichthouders formeel en praktisch geregeld en welke onderdelen daarvan zijn geschikt voor toepassing in Nederland? Dit is de eerste fase van het onderzoek in de vorm van een quick scan van de status van transnationale samenwerking in de EU-lidstaten. Daarbij is in het bijzonder gekeken naar de Europese en nationale regelgeving over transnationale samenwerking.
    • Vitale vennootschappen in veilige handen

      Bulten, C.; Jong, B. de; Breukink, E.-J.; Jettinghof, A. (Radboud Universiteit Nijmegen, Onderzoekcentrum Onderneming & Recht, 2017)
      Het komt geregeld voor dat buitenlandse investeerders belangrijke aandeelhoudersrechten in Nederlandse ondernemingen verwerven of trachten te verwerven. Buitenlandse investeringen leveren een materiële bijdrage aan de Nederlandse welvaart. Niettemin komt in de huidige geopolitieke context de vraag op of buitenlands aandeelhouderschap tevens een bedreiging kan vormen voor Nederlandse (publieke) belangen. De vraag is 'wat zijn de risico’s van (buitenlands) aandeelhouderschap voor de nationale veiligheid'? In dit onderzoek staat de vraag centraal hoe aandeelhouderschap in een Nederlandse naamloze of besloten vennootschap (mogelijke) toegang tot (vertrouwelijke) informatie en invloed op beslissingen biedt en op welke wijze dit gevolgen kan hebben voor de nationale veiligheid. Het onderzoek bevat een theoretisch en een empirisch gedeelte. De juridisch-theoretische methodologie bestond uit een studie van Nederlandse en buitenlandse regelgeving, rechtspraak en rechtsgeleerde literatuur. Het empirisch onderzoek vond plaats door middel van het houden van interviews.De volgende vitale sectoren komen aan bod: energie, ICT/Telecom, drinkwater en water, transport, chemie, de nucleaire sector, de financiële sector, de digitale overheid en defensie. Tevens is een analyse van in andere landen voorkomende regels die de nationale veiligheid tegen ongewenste buitenlandse investeringen pogen te beschermen, opgenomen. De onderzoekers bekeken achtereenvolgens het systeem in de Verenigde Staten van Amerika, in Duitsland, in Frankrijk, in het Verenigd Koninkrijk, in Noorwegen, in Zweden en in Zwitserland. INHOUD: 1. Inleiding 2. Kernbegrippen 3. Rechten van aandeelhouders 4. Analyse van vitale sectoren 5. Internationaal perspectief 6. Bevindingen, synthese en aanbevelingen 7. Summary