• Aansprakelijkheid op grond van de Wet bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement

      Cozijn, C. (WODC, 1991)
      Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet Bestuurdersaansprakelijkheid (WBA) is de vraag gerezen of aan deze wet nog wel behoefte zou zijn wanneer de vrijwel gelijktijdig voorbereide Wet bestuurdersansprakelijkheid bij Faillissement (WBF) in werking zou zijn getreden. Mede naar aanleiding van deze discussie is toen in de WBA de bepaling opgenomen dat de regering uiterlijk vijf jaren na inwerkingtreding van de wet aan het parlement verslag zou doen van de ervaringen met de wet. Hoewel deze evaluatieplicht zich niet uitstrekte tot de WBF, werd besloten om deze vanwege de nauwe relatie met de WBA toch in de evaluatie te betrekken. Er werd een uitgebreid onderzoekprogramma opgesteld, waarin voorzien werd in een viertal deelonderzoeken; in dit rapport wordt verslag gedaan van het onderzoek m.b.t. de uitvoering van de WBF.
    • Civiele rechtspraak

      Eshuis, R.J.J.; Diephuis, B.J. (WODC, 2018)
      Dit factsheet heeft de civiele rechtspraak als onderwerp. Het is een geactualiseerde versie van het vierde hoofdstuk uit de publicatie ‘Rechtspleging Civiel en Bestuur’, dat in 2013 voor het laatst in druk verscheen. De gepresenteerde gegevens omvatten in- en uitstroomgegevens, doorlooptijden en gegevens over het soort geschil en het financieel belang.
    • De garantstellingsregeling curatoren - Rapport van de evaluatie van de werking van de Garantstellingsregeling curatoren in de praktijk

      Vriesendorp, R.D.; Verstijlen, F.M.J.; Slegers, C.W.M. (Katholieke Universiteit Brabant - Schoordijk Instituut - Center for Company Law, 1999)
      Verslag wordt gedaan van de resultaten en bevindingen van een onderzoek dat werd uitgevoerd in het kader van de evaluatie van de Garantstellingsregeling curatoren (Stcrt. 1993, nr.76, d.d. 21 april 1993). Voorts worden enige aanbevelingen ter zake gepresenteerd.
    • Effecten van de Wet ketenaansprakelijkheid op malafiditeit

      Berghuis, A.C.; Duyne, P.C. van; Essers, J.J.A. (WODC, 1985)
      In het kader van de evaluatie van de Wet Ketenaansprakelijkheid (WKa) is een studie ondernomen naar het met de wet beoogde effect van terugdringing van de malafide onderaanneming en het malafide ter beschikking stellen van arbeidskrachten. Deze studie omvat twee activiteiten: een onderzoek naar faillissementen in enkele delen van het bedrijfsleven, en een inventarisatie met betrekking tot malafiditeit na inwerkingtreding van de Wet Ketenaansprakelijkheid (waaronder ook begrepen is de Verleggingsregeling Omzetbelasting).
    • Evaluatie Garantstellingsregeling curatoren 1999-2005

      Vriesendorp, R.D.; Verstijlen, F.M.J.; Dijck, G. van; Kopalit, D.F. (medew) (WODC, 2006)
      In 1999 heeft het Schoordijk Instituut (Tilburg) onderzoek verricht naar de garantstellingsregeling (GSR). Het was de bedoeling dat op basis van de resultaten van dit onderzoek de GSR werd bijgesteld. Inmiddels is er een nieuwe conceptregeling. Dit concept wijkt nauwelijks af van de bestaande regeling. De concept wijzigingen zijn meer ingegeven door regels van beheersbaarheid dan 'fundamentele' veranderingen. In vergelijking met vijf jaar gelden zijn de aantallen en aard van de faillissementen behoorlijk veranderd. Er blijken nu veel meer lege boedels te zijn, waarbij misbruik niet wordt uitgesloten. Het doel van dit onderzoek is het in kaart brengen van het functioneren van de huidige regeling in de praktijk, het opsporen van eventuele knelpunten en het doen van aanbevelingen voor een eventuele nieuwe regeling. Dit laatste is vergaard in gesprekken met de koepelorganisaties van curatoren en rechter-commissarissen.
    • Evaluatie Garantstellingsregeling curatoren 2012

      Ridder, J. de; Beukers, M.; Koning, J.; Lennarts, M.L.; Verstijlen, F.M.J.; Struiksma, N. (medew.); Vriesendorp, R.D. (medew.) (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2019)
      De Garantstellingsregeling curatoren verschaft in de gevallen dat de boedel ontoereikend is de curator financiële ondersteuning voor het instellen van een rechtsvordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid of faillissementspauliana als ook voor het instellen van een vooronderzoek dan wel een verhaalsonderzoek naar de mogelijkheden voor zo’n vordering. De Garantstellingsregeling is in 2012 aangepast naar aanleiding van een evaluatieonderzoek uit 2006. Het aantal administratieve handelingen is verminderd en de toezichthoudende rol van de rechter-commissaris is verkleind. De verhouding tussen de maximale hoogte van de gevraagde garantstelling en de hoogte van de schulden is versoepeld naar 1:2. Inmiddels is het denken over de mogelijke verdere ontwikkeling van de GSR door gegaan. Het onderhavige evaluatieonderzoek is daar een uitvloeisel van. In dit onderzoek staan drie vragen centraal, te weten:In hoeverre is de GSR 2012 doeltreffend en doelmatig gebleken?Kan het Rijksgarantiekader in de GSR worden ingepast met behoud van het optimaliseren van de doelstellingen van de regeling, zo ja, op welke manier zou dit kunnen?Hoe verhoudt de GSR zich tot de Wet versterking positie curatoren en de Wet civielrechtelijke bestuursverbod en tot de uitbreiding naar aansprakelijkheidsprocedures door een curator van derden dan wel de uitbreiding naar natuurlijke personen en personenvennootschappen (zoals bedoeld in de motie-Gesthuizen)? INHOUD: 1. Inleiding 2. Beleidsconstructie 3. Toepassing en werking van de GSR 4. De hoofdrolspelers 5. Premiefinanciering en de GSR 6. Herijking faillissementsrecht 7. Uitbreiding GSR conform motie-Gesthuizen 8. Samenvattende analyse
    • Faillissement

      Berends, A.; Huls, N.; Niemeijer, E.; Jungmann, N.; Beltzer, R.M.; Knegt, R.; Vriesendorp, R.D.; Galen, R.J. van; Weel, B.J. ter (WODC, 2000)
      ARTIKELEN: 1. Mr. drs. A. Berends - Faillissementsrecht; een balsturig onderdeel van het recht 2. Prof. dr. N. Huls - Naar een economische faillissementsfilosofie; niet terug- maar vooruit kijken 3. Mr. dr. E. Niemeijer, drs. N. Jungmann - Problematische schuldsituaties; van faillissement naar schuldsanering van natuurlijke personen 4. mr. drs. R.M. Beltzer, dr. R. Knegt - Faillissementen en het afvloeien van personeel; over misbruik van het faillissementsrecht 5. Prof. mr. R.D. Vriesendorp - De rechter-commissaris bij insolventies; onpartijdige rechter of betrokken commissaris 6. Mr. R.J. van Galen - Het Nederlandse faillissement; lessen uit het buitenland 7. Drs. B.J. ter Weel - De economie van het faillissement; 'creatieve destructie' onder kleine startende bedrijven Bijlagen: 1. Faillissementen: enige kerngegevens 2. Faillissementsfraude SAMENVATTING: Dit nummer poogt de problematiek van het faillissement in kaart te brengen. Bovendien worden tal van hervormingsvoorstellen gepresenteerd. Na een lange periode van windstilte – de Faillissementswet stamt uit 1896 – is het insolventierecht nu volop in beweging. Opmerkelijk is dat de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) die in 1998 werd geïntroduceerd, door velen als lichtend voorbeeld wordt gezien. De WSNP kan worden omschreven als een nieuw type sociaal beleid dat zwakke belangen beoogt te verdedigen. De schuldsaneringsregeling wil voorkomen dat schuldenaars hun hele leven met schuld blijven zitten en poogt een nieuwe start aan te moedigen (na een periode van strikte aflossing volgt kwijtschelding van het restant van schulden).
    • Faillissementen bij besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid - een studie naar misbruik van rechtspersonen: interimrapport

      Berghuis, A.C.; Paulides, G. (WODC, 1982)
      In dit onderzoek zijn in totaal 991 dossiers bekeken van besloten vennootschappen, wier faillissement in 1980 werd beëindigd. Het tweede hoofdstuk bevat een beschrijving van deze vennootschappen en het verloop van het faillissement. Het thema misbruik staat hierbij nog niet centraal; daarop wordt in Hoofdstuk 3 expliciet ingegaan. Hoofdstuk 2 valt uiteen in twee gedeelten. Allereerst komen de kenmerken van de gefailleerde bv's ter sprake, daarna volgt informatie over het faillissement en de afwikkeling daarvan.
    • Faillissementen bij besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid - een studie naar misbruik van rechtspersonen; interimrapport 2: aanvullende studies

      Berghuis, A.C.; Paulides, G. (WODC, 1983)
      In maart 1982 verscheen het interimrapport Faillissementen bij besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid - een studie naar misbruik van rechtspersonen'. Aan het einde van dat rapport werd reeds aangekondigd (in § 4.3) dat enkele aansluitende studies zouden worden verricht, bij de belastingdienst en enkele bedrijfsverenigingen. Dit tweede interimrapport bevat de resultaten van deze aanvullende studies. Bovendien staan de resultaten vermeld van nog een derde aanvullend onderzoek waarin de personen die in en met de b.v.'s opereerden, centraal staan, en van een vierde, gericht op patronen van fraude-b.v.'s.
    • Faillissementen en selectief ontslag - Een onderzoek naar 'oneigenlijk gebruik' van de Faillissementswet

      Knegt, R. (red.); Beltzer, R.M.; Mudde, E.C (Universiteit van Amsterdam - Hugo Sinzheimer Instituut, 1996)
      In het onderzoek is een antwoord gezocht op de volgende vragen: Hoe vaak komt 'oneigenlijk gebruik' van het faillissement, dat wil dus zeggen met de overwegende bedoeling om dienstverbanden te beëindigen, voor? In hoeverre is het een 'bepaald' deel van het personeel (in termen van leeftijd, sexe en ziekteverzuim) dat na faillissement zonder werk achterblijft? Ter beantwoording van deze vragen, die in hoofdstuk 2 van het rapport nader zijn uitgewerkt, zijn 286 faillissementsdossiers onderzocht en is gebruik gemaakt van data van de uitvoeringsinstanties sociale zekerheid die betrekking hadden op door faillissementen getroffen werknemers.
    • Faillissementen: oorzaken en schulden 2015

      Elswijk, D.A. van; Jansen, J.P.; Duijkers, R.P.R.; Moerman, M.P. (CBS, 2016)
      Het onderzoek is een vervolg op en actualisering van het CBS-onderzoek 'Faillissementen; oorzaken en schulden’ door Boer en Lalta uit 2011, zodat de resultaten kunnen worden vergeleken met de cijfers van het CBS over de jaren 2004, 2006, 2008 en 2010. In dit rapport zijn de resultaten beschreven van een onderzoek naar de oorzaken en schulden van in 2015beëindigde faillissementen. De opzet van het onderzoek is zoveel mogelijk vergelijkbaar gehouden met die van eerdere CBS-studies naar oorzaken en schulden van beëindigdefaillissementen. Een belangrijk verschil met de voorgaande CBS-onderzoeken is dat voor zowel ‘bedrijven en instellingen’ als voor natuurlijke personen een gestratificeerde aselecte steekproef is toegepast, met uitzondering van ‘bedrijven en instellingen’ met meer dan 100 werkzame personen; deze zijn alle onderzocht. De resultaten van dit onderzoek blijven volledig vergelijkbaar met die van eerdere CBS-studies. INHOUD: 1. Inleiding 2. Achtergronden onderzoek schulden en oorzaken faillissementen 3. Aantal beëindigde faillissementen 4. Schulden voortkomend uit beëindigde faillissementen 5. Strafbare en of onrechtmatige benadeling 6. Bijlagen
    • Fraude

      Friedrichs, D.O.; Brummelkamp, G.W.; Huisman, W.; Flikweert, T.; Onna, J.H.R. van; Kemp, F.; Schuyt, C.J.M.; Groot, W.; Maassen van den Brink, H.; Fenger, M.; et al. (WODC, 2014)
      ARTIKELEN: 1. D.O. Friedrichs - Kapitalistische banken als criminele ondernemingen: de casus Wall Street 2. G.W. Brummelkamp, W. Huisman en T. Flikweert - Drie drijvende krachten achter bedrijfscriminaliteit; een empirisch onderzoek naar fraude in het midden- en kleinbedrijf 3. J.H.R. van Onna - Patronen in de criminele ontwikkeling van fraudeurs 4. F. Kemp - Faillissementsfraude: een hardnekkig fenomeen; pleidooi voor een preventieve aanpak 5. C.J.M. Schuyt - Als je merkt dat niemand het merkt; over fraude in de wetenschap 6. W. Groot en H. Maassen van den Brink - Oorzaken van fraude in de zorgsector 7. M. Fenger en W. Voorberg - Het bestrijden van uitkeringsfraude: mogelijkheden en moeilijkheden 8. Internetsites. SAMENVATTING: In dit themanummer wordt een meer algemene definitie gehanteerd van fraude: opzettelijke misleiding om een voordeel te behalen ten koste van anderen. Hierin zitten drie basisbestanddelen. Allereerst moet de misleiding opzettelijk zijn: het kan ook zijn dat men ongewild en onbewust een foute voorstelling van zaken geeft. Zo is regelgeving soms dermate ingewikkeld dat het niet naleven ervan zowel voordelen als nadelen oplevert voor de overtreder. Het tweede aspect van de definitie draait om misleiding: men zet anderen op het verkeerde been door een valse voorstelling van zaken te geven. Dat kan actief door een leugen te vertellen of door bepaalde veranderingen in de eigen situatie niet te melden. Ten derde moet het bedrog ten eigen voordele strekken. Vaak zal het dan om het binnenharken van geld van anderen gaan. Maar een dergelijke gedraging kan ook draaien om het verwerven of verkrijgen van een vooraanstaande (markt)positie. Deze factoren komen aan de orde in de artikelen over diverse vormen van fraude.
    • Fraude en misbruik bij faillissement - Een onderzoek naar hun aard en omvang en naar de mogelijkheden van bestrijding

      Knegt, R.; Beukelman, A.M.; Popma, J.R.; Willigenburg, P. van; Zaal, I. (WODC, 2005)
      Het doel van dit onderzoek is een overzicht te geven van de omvang en aard van faillissementsfraude, de wijze waarop fraude en misbruik door diverse instanties worden bestreden en na te gaan welke knelpunten en punten van verbetering er mogelijk zijn in het beleid ter bestrijding van faillissementsfraude.
    • Huwelijksvermogensrecht in rechtsvergelijkend perspectief - Denemarken, Duitsland, Engeland, Frankrijk, Italië, Zweden

      Braat, B.; Oderkerk, A.E.; Steenhoff, G.J.W.; Boele-Woelki, K. (Universiteit Utrecht - Molengraaff Instituut voor Privaatrecht, 1999)
      In het in 1997 verschenen rapport van de Commissie rechten en plichten van echtgenoten werd geconcludeerd dat rechtsvergelijkend onderzoek geboden was teneinde het stelsel van huwelijksvermogensrecht te kunnen aanpassen. Het onderzoek zou zich moeten richten op de vraag welke kenmerkende verschillen er in de praktijk bestaan, met name bij de afwikkeling van de boedel bij echtscheiding. Dit rapport is het resultaat van dit onderzoek. Het bevat achtereenvolgens rapporten per onderzocht land, een rechtsvergelijkende synthese van verschillen en overeenkomsten, een poging tot verklaring en een evaluatie, waarbij de sterke en zwakke punten van de verschillende stelsels zijn geanalyseerd.
    • Incassoprocedures - Opzet voor een Nederlandse incassoprocedure met empirische en rechtsvergelijkende aantekeningen

      Freudenthal, M. (Rijksuniversiteit Utrecht - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 1996)
      De studie valt uiteen in twee delen. In de eerste plaats in een deel waarin naast een historisch overzicht van de Nederlandse incassoprocedures een beschrijving van de huidige procedures voor de inning van geldvorderingen wordt gegeven. In dit deel van het onderzoek valt ook de rechtsvergelijkende beschrijving van het Duitse en Oostenrijkse Mahnverfahren, de Belgische summiere rechtspleging om betaling te bevelen en de Franse injonction de payer en het référé-provision. In de tweede plaats bevat de studie een empirische dimensie, waarin de toepassing van de gerechtelijke procedures en de buitengerechtelijke incasso in Nederland onderzocht worden. Het onderzoek wordt afgesloten met de beantwoording van de vraag of in Nederland de wenselijkheid bestaat voor een incassoprocedure en zo ja, hoe een dergelijke procedure zou moeten worden ingericht.
    • Informele reorganisatie in het perspectief van surseance van betaling, WSNP en faillissement

      Adriaanse, J.A.A.; Huls, N.J.H.; Kuijl, J.G.; Vos, P. (WODC, 2004)
      Doel van het onderzoek is inzicht krijgen in de huidige praktijk van ‘minnelijke oplossingen’ ter afwending van de gerechtelijke procedures van surseances van betaling en faillissementen. Aan de hand van deze praktijk en de mogelijke voor- en nadelen kan worden bezien of het mogelijk en wenselijk is om minnelijke oplossingen te stimuleren ter vermindering van gerechtelijke procedures; en zo ja, of hiervoor nieuwe wetgeving mogelijk en gewenst is. INHOUD: 1. Aanleiding voor het onderzoek, probleemstelling en methode 2. Formele en informele reorganisaties in de literatuur 3. Informele reorganisaties in de praktijk: 35 casestudies 4. Ervaringen en opvattingen uit de praktijk: enquêtes en interviews 5. De belangrijkste bevindingen
    • Inpoldering van het fraudelandschap - Tussen-evaluatie interregionale fraude-teams en het landelijk loket horizontale fraude

      Faber, W.; Lugt, B.W.M. van der (Faber organisatievernieuwing, 1999)
      Dit is het verslag van een onderzoek naar de (neven)effecten van de in het kader van het project financieel rechercheren gekozen organisatiestructuur voor de bestrijding van fraude en de potentie van het interregionaal clusteren van expertise.
    • Misbruik van buitenlandse rechtspersonen - Een verkennend onderzoek naar de aard, omvang en ernst van misbruik van buitenlandse rechtspersonen in Nederland

      Bunt, H.G. van de; Koningsveld, T.J. van; Kroeze, M.J.; Vorm, B. van der; Wezeman, J.B.; Wingerde, C.G. van; Zonnenberg, A. (Erasmus universiteit Rotterdam - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 2007)
      Achtergrond van dit onderzoek is de toenemende internationalisering van het handelsverkeer en van de (georganiseerde) criminaliteit, signalen uit het veld van toenemend misbruik van buitenlandse rechtsvormen in Nederland en misbruik van stichtingen voor terrorismefinanciering. Twee hoofdvragen staan in dit verkennende onderzoek centraal. De eerste hoofdvraag betreft de aard, omvang en ernst van misbruik van buitenlandse rechtspersonen in Nederland. Ten tweede staat de problematiek van de buitenlandse rechtspersoon voor de praktijk van toezicht en controle centraal.
    • Misbruik van BV's - een empirisch onderzoek

      Berghuis, A.C.; Paulides, G. (WODC, 1983)
      In maart 1982 verscheen, onder de titel 'Faillissementen van besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid - een studie naar misbruik van rechtspersonen', een interimverslag met de bevindingen van een analyse op bijna 1.000 faillissementsdossiers. Daarop aansluitend zijn aanvullende studies verricht, die verwerkt zijn in een tweede interimrapport, dat gelijktijdig met het onderhavige rapport gereed is gekomen. In dit eindverslag worden alle bevindingen bij elkaar gebracht, waarbij aard, omvang en achtergrond van het misbruik steeds centraal staan (hoofdstuk 2). Daaraan vooraf gaat een globale samenvatting van en beschouwing over de resultaten (hoofdstuk 1).
    • Ondernemingen in financiële moeilijkheden en de arbeidsrechtelijke positie van hun werknemers

      Verburg, L.G.; Veder, P.M.; Jansen, A.G.J.J.; Mennens, A.M.; Niebeek, A.W.; Pepels, S.C.; Wersch, F.M.R. van (Radboud Universiteit - Onderzoekcentrum Onderneming & Recht, 2016)
      Het onderzoek is gericht op het in kaart brengen van de gang van zaken in de praktijk met het doel inzicht te verschaffen in de rol die de arbeidsrechtelijke positie van werknemers in de praktijk speelt bij de wijze waarop wordt geprobeerd financieel noodlijdende ondernemingen te reorganiseren en de gevolgen die het gekozen traject heeft (gehad) voor de betrokkenen. Het onderzoek heeft aldus een exploratief en inventariserend karakter. Het onderzoek is er niet op gericht om op systematische wijze de onderzochte zaken met elkaar te vergelijken. Het onderzoek bestaat vooral uit een onderzoek naar en een analyse van 26 recente cases waarin ondernemingen al dan niet na een faillissement zijn gereorganiseerd. INHOUD: 1. Aanleiding voor het onderzoek, probleemstelling en methode 2. Oorzaken van de financiële moeilijkheden en de rol van de factor arbeid 3. De zoektocht naar oplossingen en de invloed van de arbeidsrechtelijke positie van werknemers 4. Opvattingen omtrent wijzigingen in de arbeidsrechtelijke positie van werknemers die de reorganisatie van ondernemingen in financiële moeilijkheden zouden kunnen bevorderen 5. De expertmeeting aangaande het onderhavige onderzoek, gehouden te Nijmegen op 25 september 2015 6. Conclusies