• Aansprakelijkheid van toezichthouders - Een analyse van de aansprakelijkheidsrisico's voor toezichthouders wegens inadequaat handhavingstoezicht en enige aanbevelingen voor toekomstig beleid

      Dam, C.C. van (WODC, 2006)
      In de afgelopen decennia zijn er steeds meer toezichthouders gekomen (NMA, OPTA etc.). Zij houden vaak in het algemeen belang toezicht op activiteiten waar grote financiële belangen in het spel zijn. Het is daarom niet denkbeeldig dat deze toezichthouders voor grote bedragen aansprakelijk worden gesteld indien zij bijvoorbeeld een bepaalde activiteit verbieden. Denk bijvoorbeeld aan een overname of fusie. Verder wordt de overheid bij rampen naast de directe veroorzaker(s) steeds vaker mede aansprakelijk gesteld voor de schade (Enschede, Bovenkarspel). De reden daarvoor is dat de overheid, anders dan de directe veroorzaker, voldoende verhaal biedt. De aansprakelijkheid van de overheid wordt dan veelal gebaseerd op onvoldoende toezicht en handhaving. Het onderzoek inventariseert de voor- en nadelen van diverse vormen van aansprakelijkheid van toezichthouders en onderzoekt of er redenen zijn de aansprakelijkheid van toezichthouders en overheid bij onvoldoende toezicht en handhaving in het algemeen te beperken of te limiteren.
    • Aard, omvang en handhaving van beschermingsbevelen in Nederland - Deel 1: Wettelijk kader en handhaving

      Aa, S. van der; Lens, K.; Klerx, F.; Bosma, A.; Bosch, M. van den (Intervict - Universiteit van Tilburg, 2012)
      In 2011 is een nieuwe Europese richtlijn aangenomen die regelt dat beschermingsmaatregelen ten behoeve van een slachtoffer kunnen worden meegenomen van de ene lidstaat naar een andere. Een beschermingsbevel is een beslissing, voorlopig of definitief, genomen in het kader van een civiel-, strafrechtelijk of bestuursrechtelijke procedure, waarbij, ter bescherming van een persoon tegen een handeling die zijn leven, fysieke of psychologische integriteit, waardigheid, persoonlijke vrijheid of seksuele integriteit in gevaar kan brengen, gedragsregels (verboden, geboden of beperkingen) worden opgelegd aan een volwassen persoon. De centrale probleemstelling van dit onderzoek luidt: Wat is de geldende regelgeving met betrekking tot civiel-, bestuurs- en strafrechtelijke beschermingsbevelen in Nederland en hoe ziet hun handhaving er in theorie en praktijk uit? Zie link hiernaast: Deel 2: Aard en omvang INHOUD: 1. Inleiding 2. Wettelijk kader beschermingsbevelen 3. Handhaving in de praktijk 4. Conclusie
    • Advocaat bij politieverhoor 2017-2019

      Geurts, T.; Hoekstra, M.S.; Aidala, R. (medew.); Beenakkers, E.M.Th. (medew.); Lierop, L.E.H.P. van (medew.); Teeuwen, G. (medew.) (WODC, 2021-07-12)
      In deze rapportage wordt voortgebouwd op eerder onderzoek van Klein Haarhuis (2018). In dit eerdere onderzoek stond de opstartfase van het nieuwe recht centraal (de periode van 1 maart 2016 - 1 maart 2017) en de stand van zaken werd vooral beschreven vanuit de politieorganisatie. Bovendien konden zwaardere zaken maar beperkt worden meegenomen. Het onderhavige onderzoek belicht het nieuwe recht opnieuw, maar dan vooral vanuit het advocatenperspectief en één tot drie jaar na de invoering van het recht. Een wijziging in onderzoeksmethodiek zorgde ervoor dat we ditmaal meer van de zwaarste zaken in de analyse konden betrekken. Daarnaast is nog gekeken naar twee wijzigingen die gelijktijdig met de wettelijke verankering werden doorgevoerd, te weten de beperkte uitbreiding van bevoegdheden van de advocaat en de verlenging van de ophoudtermijn bij ernstigere strafbare feiten van zes naar maximaal negen uur. Het onderhavige onderzoek richt zich op verhoorbijstand voor meerderjarige verdachten van strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is. Vooral voor deze onderzoeksonderwerpen bestaan er beleidsmatig gezien relevante kennislacunes. Onder verhoorbijstand rekenen we de door advocaten verleende bijstand tijdens het politiële verdachtenverhoor en het verhoor voor de inverzekeringstelling (ivs-verhoor). De volgende vier onderzoeksvragen staan in deze rapportage centraal: 1. Hoe verloopt de invoering van de Implementatiewet in termen van organisatie en werkprocessen? 2. Hoe pakt de implementatie van het recht op verhoorbijstand in de praktijk uit? 3. Welke rol heeft de advocaat tijdens het verhoor? 4. Hoe hebben de uitgaven aan (piket)vergoedingen voor consultatie- en verhoor-bijstand zich ontwikkeld? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Achtergronden bij het onderzoek, 3. Organisatie en werkprocessen, 4. Effectuering van het recht, 5. Invulling van de advocatenrol, 6. Conclusie
    • 'Collectieve' acties - Een interne rechtsvergelijking tussen privaatrecht en bestuursrecht

      Wiggers-Rust, L.F. (WODC, 2014)
      De aanleiding van het onderzoek is de toenemende vervlechting van privaat- en bestuursrecht in de nationale rechtsorde. Gevolgen hiervan zijn bijvoorbeeld vervagende grenzen; meer ruimte voor keuze van verschillende instrumentaria met onhelderheid in de argumentatie ter zake; afstemmingsproblemen (zowel materieel als op het gebied van rechtsmachtverdeling); complexiteit van regelgeving en rechtsmachtverdeling; en het ontstaan van kennislacunes bij juristen. Aan de hand van een actueel vraagstuk (‘collectieve’ acties) is in kaart gebracht wat de overeenkomsten en verschillen in vormgeving in privaatrecht en bestuursrecht zijn, waar sprake is van afstemmingsproblemen en wat kan gelden als de (basis voor) beargumenteerde keuzes met als uitgangspunt de bevordering van consistentie, harmonie, rechtseenheid en/of vereenvoudiging. Dit onderzoek sluit aan bij het wetsvoorstel modernisering rechtspraak. INHOUD: 1. Inleiding 2. Wettelijke bepalingen 3. Verschillen en achtergronden 4. Afstemmingsproblemen 5. Actuele ontwikkelingen in maatschappij/wetgeving 6. Actuele Europese ontwikkelingen 7. (Ir)relevantie van vastgestelde verschillen tussen de desbetreffende bepalingen/systemen, mede tegen de achtergrond van de gesignaleerde en geanalyseerde ontwikkelingen in maatschappij/wetgeving en/of Europa 8. Denkbare keuzes/oplossingen: welke wijze van regeling verdient aanbeveling, in welk geval en waarom? 9. Slotbeschouwing
    • Consistency in Sentencing

      Ashworth, A.; Killias, M.; Kommer, M.; Junger-Tas, J.; Jareborg, N.; Snacken, S.; Beyens, K.; Bunt, H. van de; Heuvel, E. van den; Dashkov, G.; et al. (WODC, 1994)
      ARTICLES: 1. Editorial 2. Towards European sentencing standards - A. Ashworth 3. Recommendation No. R (92) 17 4. Sentencing reform - from rhetorics to reducing sentencing disparity - M. Killias 5. Punitiveness in Europe - a comparison - M. Kommer 6. Alternative sanctions: myth and reality - J. Junger-Tas 7. The Swedish sentencing law - N. Jareborg 8. Sentencing and prison overcrowding - S. Snacken and K. Beyens 9. Varia: H. van de Bunt and E. van den Heuvel on the European Documentation and Research Network; 10. Dashkov on changes in Russia - influences on crime; 11. W. Häseker on foreign relations of the 'Polizei-Führungsakademie'; 12. E. van den Heuvel about a book on police cooperation in Europe
    • De bescherming van minderjarige slachtoffers - Implementatie van internationale voorschriften in nationale wet- en regelgeving in de praktijk

      Sondorp, J.E.; Hoogeveen, C.E. (Adviesbureau Van Montfoort, 2020)
      Het doel van het onderzoek is om in kaart te brengen in hoeverre internationale voorschriften ten aanzien van de behandeling en positie van minderjarige slachtoffers zijn geïmplementeerd in nationale wetgeving en in de praktijk. Bijkomend doel is om te benoemen op welke punten er mogelijk hiaten zijn en op welk terrein Nederland juist verder gaat dan hetgeen internationaal verplicht wordt gesteld of wordt aanbevolen. Het onderzoek is verricht in opdracht van het WODC op verzoek van de Directie Slachtofferbeleid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De volgende onderzoeksvragen worden in dit onderzoek beantwoord: Welke verplichtingen heeft Nederland op grond van internationale richtlijnen en verdragen als het gaat om de bescherming van minderjarige slachtoffers van misdrijven binnen de context van de toepassing van het strafrecht? Welke van deze verplichtingen zijn in Nederland tot dusver op papier geïmplementeerd en op welke wijze? Zijn de op papier geïmplementeerde verplichtingen ook in de uitvoeringspraktijk doorgevoerd. In welke mate wel of (nog) niet? INHOUD: 1. Inleiding en onderzoeksvragen 2. Onderzoeksverantwoording 3. Internationaal en nationaal kader 4. Verplichtingen Nederland vanuit internationaal kader 5. Bescherming van minderjarige slachtoffers in de praktijk 6. Conclusies
    • De gelaagdheid van de vreemdelingenwetgeving in historisch en vergelijkend perspectief

      Böcker, A. (red.); Terlouw, A.B. (red.); Broek, J.J. van der; Grütters, C.A.; Nijmeijer, A.G.A.; Oers, R. van (Radboud Universiteit Nijmegen - Onderzoekscentrum voor Staat en Recht, 2013)
      Bij de bespreking van het wetsvoorstel Modern migratiebeleid in de Eerste Kamer, is een aantal specifieke vragen gerezen ten aanzien van die gelaagdheid van de Nederlandse vreemdelingenregelgeving (Handelingen Eerste Kamer, Vergaderjaar 2009/10, nr. 35, p. 1544 en 1547). De doel van dit onderzoek is de vragen over de gelaagdheid van de vreemdelingenwetgeving te beantwoorden en inzicht te geven in de oorzaken van deze gelaagde structuur en in de voor- en nadelen ervan voor organisaties, functionarissen die de regels moeten uitvoeren, handhaven, toepassen of interpreteren. Het onderzoek bestaat uit drie deelonderzoeken: rechtshistorisch onderzoek, een externe rechtsvergelijking en een interne rechtsvergelijking. INHOUD: 1. Onderzoeksopzet 2. Algemene overwegingen voor en tegen gelaagde regelgeving 3. Historische analyse: parlementaire debatten 4. Historische analyse: wijzigingen van de regelgeving 5. Historische analyse: interviews met sleutelinformanten 6. Implementatie van vijf richtlijnen in 27 lidstaten 7. Gelaagde regelgeving in drie andere lidstaten 8. De gelaagdheid van de Nederlandse belastingwetgeving 9. Gelaagde normstelling in het milieurecht, in het bijzonder ten aanzien van de luchtkwaliteit 10. Conclusies en slotopmerkingen
    • De invloed van EU-recht op de in Nederland geldende regelgeving - Verslag van een Expertmeeting, georganiseerd door het WODC i.s.m. het Asser Instituut, d.d. 8 februari 2005

      Unknown author (WODC, 2005)
      Dit is een verslag (5 pagina's) van een Expertmeeting, georganiseerd door het WODC en het T.M.C. Asser Instituut op 8 februari 2005. Twintig betrokkenen vanuit de departmentale en wetenschappelijke wereld bespraken de complexiteit van het onderzoek dat nodig is om de Europese invloed op de Nederlandse regelgeving te kunnen vaststellen.
    • De omzetting van Europese richtlijnen - Instrumenten, technieken en processen in zes lidstaten vergeleken

      Voermans, W.; Steunenberg, B.; Berglund (medew.); Dimitrova, A. (medew.); Kaeding, M. (medew.); Mastenbroek, E. (medew.); Meuwese, A. (medew.); Romeijn, M. (medew.) (WODC, 2005)
      Het EU-recht neemt een steeds grotere plaats in en bepaalt voor meer dan 50% de Nederlandse rechtsorde. De implementatie van richtlijnen kost de nodige tijd en moeite. Een discussie is gaande over de wijze waarop en de snelheid waarmee implementatie plaats kan vinden. In 2006 an English translation was published by Wolf Legal Publishers, under the titel: The Transposition of EC Directives: A comparative study of instruments, techniques and processes in six Member States (see Link Wolf Legal Publishers on the right)
    • De verdachte in beeld - Eisen en waarborgen voor het gebruik van videoconferentie ten aanzien van verdachte in het Nederlandse strafproces in rechtsvergelijkend perspectief

      Hoon, A.M. de; Hirsch Ballin, M.F.H.; Bollen, S.G.M.J. (Vrije Universiteit - Faculteit der Rechtsgeleerdheid - afdeling Strafrecht en Criminologie, 2020)
      In toenemende mate wordt gezocht naar toepassing van digitale methoden in het strafproces. Door technische ontwikkelingen zijn de mogelijkheden voor toepassing van videoconferentie in het strafproces gegroeid. Met de verbetering van techniek, wordt videoconferentie, waarbij een directe beeld- en geluidsverbinding tot stand wordt gebracht tussen de betrokken personen in het strafproces, steeds meer als redelijk alternatief beschouwd voor fysieke aanwezigheid.Op dit moment bestaat onvoldoende duidelijkheid over de vraag in hoeverre videoconferentie ook kan worden toegepast bij de verdachte en aan welke eisen en waarborgen toepassing ten aanzien van de verdachte moet voldoen. Net als in andere landen is ook in Nederland dit thema in beweging en is er behoefte aan nader inzicht in de nationale en internationale normering en praktijk voor de verdere ontwikkeling in de Nederlandse strafrechtpraktijk. De hoofdvraag van dit onderzoek luidt daarom: “Wat kan Nederland uit de nationale en internationale normering en praktijk van de toepassing van videoconferentie bij verdachten leren met het oog op de normering en beleidsontwikkeling ervan in de Nederlandse strafrechtpraktijk?” De nationale en internationale normering en praktijk is in kaart gebracht door onderzoek te doen naar de regelingen en praktijk van Nederland, Italië, Frankrijk, Canada, Zwitserland, Duitsland en het internationale en transnationale strafrecht. INHOUD: 1. Inleiding 2. De normering op grond van strafvorderlijke beginselen en mensenrechten 3. Internationale regelgeving inzake videoconferentie in het strafproces 4. Toepassing in het Nederlandse strafproces 5. Toepassing in de internationale praktijk 6. Analyse en beantwoording vraagstelling 7. Gevolgtrekkingen voor de toekomst
    • De Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens - Over het bewaren en gebruiken van gegevens over telefoon- en internetverkeer ten behoeve van de opsporing

      Odinot, G.; Jong, D. de; Bokhorst, R.J.; Poot, C.J. de (WODC, 2013)
      Over de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens, die op 1 september 2009 in werking is getreden, worden in het parlement regelmatig kritische vragen gesteld. Bij de evaluatie zal aandacht worden besteed aan de bijdrage die de wet levert aan opsporing en vervolging van ernstige criminaliteit; de vraag welke risico’s de wet oplevert voor ongerechtvaardigde inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en welke maatregelen zijn genomen om deze te beschermen; op welke wijze de wet bijdraagt aan de efficiënte inzet van schaarse capaciteit bij de opsporingsdiensten. In 2014 is een Engelse vertaling van dit rapport gepubliceerd. INHOUD: 1. De Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens - een inleiding 2. Communicatie op afstand, ontwikkelingen en gevolgen 3. De wetsgeschiedenis en Europese regelgeving inzake de bewaarplicht van verkeersgegevens 4. Het bewaren en beveiligen van de gegevens in de praktijk 5. Het gebruik van historische verkeersgegevens in de praktijk 6. Het gebruik van historische verkeersgegevens in cijfers 7. Slotbeschouwing
    • Derde evaluatie van de Algemene wet bestuursrecht 2006 - De Europese agenda van de Awb

      Widdershoven, R.J.G.M.; Verhoeven, M.J.M.; Prechal, S.; Duijkersloot, A.P.W.; Gronden, J.W. van de; Hessel, B.; Ortlep, R. (WODC, 2007)
      Het betreft een onderzoek in het kader van de derde evaluatie van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met de groei van het aantal beleidsterreinen van de Europese Gemeenschap (EG) ontwikkelt ook het Europese (bestuurs)recht zich. Het Europees (bestuurs)recht bestrijkt een breed terrein en betreft de uitvoering van het recht van de EG. Op welke onderdelen sluit de Awb nu of in de (nabije) toekomst niet of onvoldoende aan bij het Europese recht en welke urgentievolgorde kan eventueel in de geïnventariseerde onderdelen worden aangebracht?
    • Eerste fase evaluatie Wet bescherming persoonsgegevens - Literatuuronderzoek en knelpuntenanalyse

      Zwenne, G.-J.; Duthler, A.-W.; Groothuis, M.; Kielman, H.; Koelewijn, W.; Mommers, L. (WODC, 2007)
      Het doel van de evaluatie is om te beschrijven op of - , en op welke wijze de Wbp bijdraagt aan de beoogde doelstellingen van de wet en welke knelpunten zich in de praktijk voordoen. Vanwege de omvang van het terrein waarop de Wbp van toepassing is, wordt de evaluatie van de Wbp opgesplitst in twee fases. Fase 1 dient om bouwstenen aan te dragen voor de nadere invulling van de tweede fase van het evaluatieonderzoek. Allereerst is geïnventariseerd wat de doelstellingen waren bij de invoering van de Wbp. Daarnaast is - voorzover deze doelstellingen samenhangen met de implementatie van de privacy-richtlijn 95/46/EG - nagegaan wat de bedoelingen van de gemeenschapswetgever daarbij waren (doelstellingeninventarisatie). Vervolgens is onderzocht welke knelpunten er in de literatuur en rechtspraak zijn gesignaleerd bij de uitvoering en toepassing van de wet (knelpuntenanalyse).
    • Eindadvies MDW Kansspelen - Europese regelgeving

      Unknown author (Europa Instituut, 1999)
      Dit advies is opgesteld aan de hand van drie analyses. Achtereenvolgens worden doorgelicht de Nederlandse kansspelwetgeving, de Europese bepalingen inzake vrij verkeer en de relevante mededingingsrechtelijke bepalingen. Per analyse wordt, waar nodig, gewezen op mogelijke knelpunten bij regelgeving op het terrein van kansspelen en loterijen. Een beknopte conclusie rondt het advies af.
    • Euroshore - Protecting the EU financial system from the exploitation of financial centres and offshore facilities by organised crime

      Levi, M. (ed.) (University of Trento - Transcrime, 2000)
      The aim of the research reported here was to foster the development of the promising path of 'organised crime prevention' that the European Union has undertaken with its Action Plan and the Forum Towards a European Strategy to Prevent Organised Crimee held in the Hague on 4-5 November 1999. Its rationale is that there is a broad area of regulatory measures that could be used to hamper the growth of organised crime. This action, if properly pursued, would be less costly and more effective In' terms of reducing the amount of organised crime than crime control action alone, with which, however, it should be combined. Acting on the regulation of the markets in' filtrated and exploited by organised crime requires understanding and explanation of why and how the demand of organised crime is matched by opportunities which facilitate its development. The policy implications of this understanding should be a re-regulation of the mechanisms that produce such opportunities.
    • Evaluatie PNR-Wet

      Irion, K.; Es, R. van; Meeren, K. van der; Dijkman, D. (Universiteit van Amsterdam - Instituut voor Informatierecht (IViR), 2021-11-09)
      Op 18 juni 2019 is de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven (PNR-wet) in werking getreden. Deze wet verplicht de luchtvaartmaatschappijen om passagiersgegevens van elke vlucht die in Nederland vertrekt of aankomt te verstrekken aan de Passagiersinformatie-eenheid Nederland (Pi-NL). De Pi-NL mag krachtens deze wet verzamelde passagiersgegevens uitsluitend verwerken voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit. Met de aanname van de PNR-wet voldoet de Nederlandse wetgever aan zijn plicht om de EU-richtlijn 2016/681 (PNR-richtlijn) te implementeren. Dit onderzoek vervult de verplichting uit artikel 25 van de PNR-wet dat twee jaar na de inwerkingtreding van de wet een evaluatie dient plaats te vinden van de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Deze evaluatie is ook gericht op de naleving van de privacywaarborgen en op de verwerking van passagiersgegevens van intra-EU-vluchten. De periode waarop deze evaluatie betrekking heeft, loopt van de inwerkingtreding van de wet op 18 juni 2019 tot 5 juli 2021. INHOUD: 1. Inleiding 2. Het wettelijk kader met betrekking tot PNR-gegevens 3. Het gebruik van de PNR-wet in cijfers 4. De rol van de passagiersgegevens in het werk van de opsporingsdiensten 5. Compliance met geldende privacynormen PNR-wet 6. Doeltreffendheid, noodzakelijkheid en evenredigheid verzameling intra-EU-passagiersgegevens 7. Bevindingen
    • Evaluatie van de artikelen 29a en 29b van de Auteurswet 1912

      Guibault, L.; Mom, G.J.H.M. (Universiteit van Amsterdam - Instituut voor Informatierecht (IVIR), 2007)
      Ter implementatie van de Richtlijn nr. 2001/29 inzake - samengevat - auteursrecht in de informatiemaatschappij zijn de artikelen 29a (wettelijke bescherming van technische beveiliging) en 29b (wettelijke bescherming van elektronische gebruiksinformatie) in de Auteurswet opgenomen (met equivalenten in de Databankenwet en de Wet op de naburige rechten). Dit onderzoek evalueert deze regeling.
    • Gebruik van passagiersgegevens voor grenscontrole - Evaluatie van de uitvoering van de API-richtlijn

      Brummelkamp, G.; Vogels, R. (Panteia, 2018)
      In de Europese Unie bestaat sinds 2004 een Advance Passenger Information (API)-richtlijn gericht op de verbetering van grenscontroles en de bestrijding van illegale immigratie. Lidstaten mogen volgens de richtlijn (2004/82 EC) bepalingen opnemen in hun nationale wetgeving die het mogelijk maken om luchtvaartmaatschappijen te verplichten om gevalideerde passagiersgegevens voorafgaand aan de vlucht door te geven aan de grensautoriteiten in de betreffende lidstaat. De richtlijn laat het echter aan de lidstaten zelf over om van deze mogelijkheid daadwerkelijk gebruik te maken. Onder andere hierdoor bestaat binnen de EU momenteel een grote variëteit wat betreft het gebruik van API-gegevens. In Nederland is de API-richtlijn in 2007 geïmplementeerd, met als algemeen beleidsdoel de verbetering van de grenscontrole en de bestrijding van illegale immigratie.Met dit onderzoek is het gebruik van API-gegevens in Nederland geëvalueerd. Het onderzoek is een vervolg op de eerste evaluatie van API in 2014. Op grond van dit eerste evaluatieonderzoek heeft de minister van Justitie en Veiligheid de Tweede Kamer toegezegd een tweede evaluatiestudie te laten uitvoeren als onder andere het systeem verder is uitontwikkeld. Voor deze tweede evaluatie zijn twee centrale onderzoeksvragen geformuleerd: Wat kan gezegd worden over het gebruik en de effectiviteit van APIgegevens ten behoeve van grenscontrole en het tegengaan van illegale immigratie en op welke wijze is gevolg gegeven aan eerdere aanbevelingen ten aanzien van API? In hoeverre kunnen recente relevante Europese ontwikkelingen gevolgen hebben voor de wijze waarop API-gegevens in Nederland gebruikt worden? INHOUD: 1. Inleiding 2. API-richtlijn en actuele ontwikkelingen 3. API in de praktijk 4. Evaluatie van de meerwaarde en verbetermogelijkheden 5. Conclusies
    • Gemeenschapsrecht en gezinsmigratie - Het gebruik van het gemeenschapsrecht door gezinsmigranten uit derde landen

      Schreijenberg, A.; Klaver, J.F.I.; Soethout, J.E.; Lodder, G.G.; Vleugel, M.J. (WODC, 2009)
      Dit onderzoek heeft betrekking op de omvang, samenstelling en toename van, en vormen van gebruik door, de groep gezinsmigranten die in Nederland een verzoek doen tot toelating op grond van het gemeenschapsrecht.
    • Grensoverschrijdend slachtofferschap - Een inventarisatie van aard, omvang en aandachtspunten in verband met de effectuering van slachtofferrechten

      Wijk, A. van; Ham, T. van; Hardeman, M. (Bureau Beke, 2015)
      Op 25 oktober 2012 is een Europese richtlijn tot stand gekomen die zich richt op de slachtofferrechten binnen de Europese Unie (EU). Het doel van deze richtlijn is het zorgdragen voor een minimum aan rechten voor slachtoffers van misdrijven binnen alle 28 lidstaten van de EU. Deze minimumrechten bestaan onder andere uit passende ondersteuning, informatie en bescherming en dient uiterlijk op 16 november 2015 in de nationale wetgeving van EU-lidstaten te zijn geïmplementeerd. Naast specifiek benoemde slachtoffergroepen (kinderen, slachtoffers van terrorisme, gehandicapte slachtoffers en nabestaanden) kunnen drie typen slachtoffers worden onderscheiden waarvoor Nederland verantwoordelijkheid draagt: Nederlandse burgers die slachtoffer worden van een strafbaar feit in het buitenland en daarna terugkeren in Nederland of hun nabestaande(n) (slachtoffertype A); Niet-Nederlandse burgers die in Nederland slachtoffer worden van een strafbaar feit, hetzij tijdens een bezoek als toerist, hetzij tijdens verblijf in verband met werk, studie e.d. (slachtoffertype B); Niet-Nederlandse burgers die in het buitenland slachtoffer zijn geworden van een strafbaar feit waarvoor de dader in Nederland vervolgd wordt, bijvoorbeeld omdat deze zich hier bevindt (slachtoffertype C). Binnen dit onderzoek staat de volgende vraagstelling centraal: Wat zijn de aard en omvang van het grensoverschrijdende slachtofferschap waar Nederland verantwoordelijkheden in heeft en wat zijn de eventuele specifieke problemen en behoeften van de slachtoffers in grensoverschrijdende zaken?