• Bad thoughts - towards an organised crime harm assessment and prioritation system (OCHAPS)

      Dorn, N.; Bunt, H. van de (WODC, 2010)
      The overall purpose of this paper is to give conceptual support to the Ministry of Justice and the Public Prosecutor's Office in understanding the impact of organised crime on society. CONTENT: 1. Introduction and overview 2. Hurts to victims - how to conceptualise, what metrics? 3. Threat: neutralisation of guardians, public and private 4. Systemic damage: essential yet challenging 5. Renewed emphasis on effectiveness / amenability / efficiency 6. Cross-cutting issues 7. Relation between international and dutch approaches 8. Conclusions and recommendations
    • Criminaliteitsoverlast bij de horeca

      Duyne, P.C. van (WODC, 1978)
      Allereerst wordt nader ingegaan op de omvang van het probleem: hoeveel bedrijven worden er weleens lastig gevallen, en hoe vaak? Daarbij wordt tevens ingegaan op de ernst van het probleem. De ernst van de criminaliteitsoverlast wordt toegelicht aan de hand van de mate waarin er geweld gepleegd is, het aantal malen dat de politie gewaarschuwd is en er een aangifte ondertekend is. Ook het oordeel van de ondervraagden zelf over de ernst van de gepleegde feiten wordt hierbij betrokken. Tenslotte wordt de concentratie van de criminaliteit bij bepaalde bedrijfstypen besproken en wordt enige aandacht gewijd aan het opvallende criminaliteitspatroon in de drie grote steden Amsterdam, Den Haag en Rotterdam.
    • De burger als rechter - een onderzoek naar geprefereerde sancties voor misdrijven in Nederland

      Ruiter, S.; Tolsma, J.; Hoon, M. de; Elffers, H.; Laan, P. van der (Nederlands Studiecentrum Criminaliteit & Rechtshandhaving (NSCR), 2011)
      Welke straffen prefereren Nederlandse burgers voor diverse delicten? Dat is de vraag die in dit onderzoek centraal heeft gestaan. De reden om geïnteresseerd te zijn in die kwestie is dat regelmatig in politieke kringen en de media gesuggereerd wordt dat de Nederlandse strafrechters geheel andere en wel veel mildere straffen zou opleggen dan het Nederlandse publiek zou willen. Of dat zo is, is volgens wetenschappers echter allerminst een uitgemaakte zaak, en dat is in deze studie nader onderzocht. Daarom wordt ook nagegaan hoe de voorkeuren van burgers zicht verhouden tot de rechterlijke praktijk. INHOUD: 1. Introductie en vraagstelling 2. Onderzoeksopzet 3. Sanctieoordelen van burgers-als-rechter bij verschillende typen delict 4. De invloed van kenmerken van delictscenario's op sanctieoordelen van burgers-als-rechter 5. De invloed van strafdoelen en andere kenmerken van burgers-als-rechter op hun sanctieoordelen 6. De invloed van informatie over kosten van en recidive na sancties op sanctieoordelen van burgers-als-rechter 7. Oordelen van burgers-als-rechter en rechterlijke uitspraken vergeleken 8. Samenvatting en discussie
    • De misdrijf-straf index - Op weg naar een maat voor de ernst van delicten afgeleid van de afdoening van strafzaken

      Beerthuizen, M.G.C.J.; Wartna, B.S.J.; Verweij, S.; Tollenaar, N. (WODC, 2015)
      Dit rapport beschrijft een poging om aan de hand van de afdoening van strafzaken een individuele maat te ontwerpen voor de ernst van de delicten die via de strafzaken werden afgehandeld. Doelstelling van het onderzoek is na te gaan of de duur of hoogte van de opgelegde straffen kan worden aangewend als proxy voor de zwaarte van de vervolgde delicten.
    • De uitvoering van (verscherpt) reclasseringstoezicht bij overvallers en de samenhang met recidive

      Beijersbergen, K.A.; Verweij, S. (WODC, 2020)
      In het huidige onderzoek is nagegaan hoe het reclasseringstoezicht van overvallers er in de praktijk uit ziet, wat het recidivepercentage onder overvallers met toezicht is en in hoeverre de maatregelen in het kader van verscherpt toezicht samenhangen met de recidive onder overvallers na afloop van het toezicht. De onderzoeksgroep bestond uit alle veroordeelde overvallers in Nederland, waarbij reclasseringstoezicht onderdeel was van de afdoening, het toezicht niet voor 2012 was gestart en het toezicht was afgerond in de periode 2013 tot en met 2016. De studie maakt deel uit van het vijfjarige onderzoeksprogramma naar de recidive onder daders van high impact crimes (HIC; ofwel overvallers, straatrovers en woninginbrekers).
    • Delictkenmerken PIJ-populatie 2006-2010

      Weijters, G.; Blom, M. (WODC, 2012)
      In 2010 is door het WODC gerapporteerd over de (delict)kenmerken van jongeren die in de periode 1996-2005 een PIJ-maatregel opgelegd hebben gekregen (zie link bij: Meer informatie). De vraag is nu of nieuwe ontwikkelingen ertoe hebben geleid dat de populatie Pij'ers er in de periode 2006-2010 anders uit is gaan zien wat betreft achtergrondkenmerken en delictkenmerken dan de Pij-populatie in de periode 1996-2005.
    • Delictkenmerken van de PIJ-populatie 1996-2005 - ontwikkeling en vergelijking met jongeren met jeugddetentie, voorlopige hechtenis en OTS

      Weijters, G. (WODC, 2010)
      De PIJ-maatregel (Plaatsing in Inrichting voor Jeugdigen) is de zwaarste sanctie die via het jeugdstrafrecht opgelegd kan worden als een jongere een zeer ernstig delict heeft gepleegd. In dit onderzoek zijn de kenmerken onderzocht van jongeren die in de periode 1995-2005 een PIJ-maatregel opgelegd hebben gekregen. Er is gekeken naar sociaaldemografische kenmerken, kenmerken van het delict waarvoor de jongere is veroordeeld en kenmerken van de strafrechtelijke geschiedenis. De kenmerken van PIJ-ers zijn vergeleken met de kenmerken van jongeren die in dezelfde periode op een andere titel in een justitiële jeugdinrichting verbleven.
    • Evaluatie Wet aanpassing regeling vervolgingsverjaring 2012

      Kruize, P.; Harms, K. (medew.); Huisman, S. (medew.); Spek, M. van der (medew.) (Ateno, 2020-12-29)
      In 2006 is de verjaring afgeschaft voor misdrijven waarop een levenslange gevangenisstraf is gesteld. Mede naar aanleiding van het bekend worden van grootschalig misbruik binnen kerkelijke instellingen werd in 2011 een nieuw wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de wijziging van de regeling van de vervolgingsverjaring ingediend bij de Tweede Kamer. Dit heeft geresulteerd in de Wet aanpassing regeling vervolgingsverjaring 2012, die in werking is getreden op 1 april 2013 (verder aangeduid met: wetswijziging van 2013). Het doel van het onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de resultaten van de wetswijziging van 2013. Het onderzoek geeft antwoord op de volgende vier vragen: 1. Hoeveel van de bij het Openbaar Ministerie ingestroomde strafbare feiten zouden vermoedelijk zijn verjaard zonder de Wet aanpassing regeling vervolgingsverjaring 2012? 2. In hoeverre gaat het bij de in onderzoeksvraag 1 genoemde strafbare feiten om feiten waarvan de verjaringstermijn is verlengd dan wel is afgeschaft en om welke strafbare feiten gaat het daarbij precies? 3. Op welke wijze zijn deze feiten door het Openbaar Ministerie afgedaan? Hoeveel feiten zijn geseponeerd en hoeveel feiten zijn aan de rechter voorgelegd? 4. Wat is het vonnis van de rechter in eerste aanleg? Voor hoeveel feiten worden verdachten schuldig bevonden dan wel vrijgesproken door de rechtbank? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Vervolgingsverjaring nader bezien, 3. Onderzoeksmethoden, 4. Verjaring na twintig jaar, 5. Geen verjaring, 6. Verjaring bij zedenmisdrijven, 7. Conclusies
    • Evaluatie Wet beperking oplegging taakstraffen

      Ridder, J. de; Emans, B.J.M.; Hoving, R.A.; Krol, E. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2018)
      Het doel van het onderzoek is vast te stellen of de invoering van art. 22b Sr. in samenhang met de aanscherping van het vorderingsbeleid van het OM heeft geleid tot de beoogde aanpassing van de toepassingspraktijk inzake het adviseren, vorderen en opleggen van taakstraffen en tot de daarmee door de wetgever beoogde doelen. Deze doelstelling is te vertalen in de volgende onderzoeksvragen: Welke doeleinden beoogde de wetgever te verwezenlijken met de invoering van art. 22b Sr in samenhang met de aanscherping van het vorderingsbeleid van het OM, welke beleidstheorie ligt aan de keuze van die doelstellingen ten grondslag en in hoeverre is deze beleidstheorie ex ante gefundeerd? Heeft de invoering van art. 22b Sr in samenhang met de aanscherping van het vorderingsbeleid van het OM geleid tot een blijvende aanpassing van de praktijk van het rekwireren en opleggen van taakstraffen? In hoeverre zijn sinds 1 januari 2012 de beoogde effecten opgetreden en in hoeverre zijn die dat toe te schrijven aan een (blijvende) aanpassing van de in vraag 2 bedoelde uitvoeringspraktijk? Als casusstudies zijn gebruikt: een dodelijk verkeersongeval, ongeregeldheden bij een KNVB-bekerfinale, Project X Haren, en mishandeling door een kopschopper. INHOUD: 1. Inleiding 2. Beleidsreconstructie 3. Trends en de werking van artikel 22B Sr 4. Doelbereiking 5. Samenvatting en slotbeschouwing
    • Haalbaarheidsstudie monitoring en evaluatie pilots ISD voor JOVO-ZAVP

      Tollenaar, N.; Beerthuizen, M.G.C.J.; Barendregt, C.; Laan, A.M. van der (WODC, 2017)
      Sinds de invoering wordt de maatregel inrichting voor stelselmatige daders (ISD) in beperkte mate, maar in aantallen wel stabiel over de tijd, opgelegd aan zeer actieve volwassen veelplegers (ZAVP). Diverse onderzoeken hebben aannemelijk gemaakt dat de ISD-maatregel een recidiveverminderend effect heeft voor ZAVP’s. Bovendien blijkt de maatregel een aanzienlijk incapacitatie-effect te hebben voor de duur van de maatregel. De maatregel wordt in verhouding nog relatief weinig opgelegd aan jongvolwassen (JOVO) ZAVP’s. Er is een aanpak opgesteld die is toegespitst op de jongvolwassen veelpleger van high-impact crimes (HIC). Onderdeel van deze aanpak is het uitvoeren van een pilot in vier regio’s. Deze pilot, met een beoogde looptijd van twee jaar, is in 2016 gestart in de regio’s Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Zeeland/West-Brabant.De centrale vraag in deze rapportage is: In hoeverre is het haalbaar om de pilots voor een ISD-maatregel voor jongvolwassen HIC-veelplegers te monitoren en te evalueren.
    • Het aanvragen van een Verklaring Omtrent Gedrag door jongeren als dilemma - Een schatting van het 'dark number' van niet-aanvragers van een VOG voor opleidingen in het middelbaar beroepsonderwijs

      Boekhoorn, P.; Verhaegh, T.; Wolbers, M. (Kenniscentrum Beroepsonderwijs Arbeidsmarkt (KBA Nijmegen), 2019)
      De Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) is een preventief bestuursrechtelijk instrument, dat bedoeld is te voorkomen dat personen die een bepaald justitieel verleden hebben kwetsbare functies in de samenleving gaan vervullen. Een VOG kan in verschillende gevallen van een arbeidssituatie nodig zijn, bijvoorbeeld voor het vervullen van een functie waarin met kwetsbare personen, met vertrouwelijke gegevens, met geld of met specifieke goederen wordt gewerkt. Het doel van het onderzoek is te achterhalen in welke mate deze (v)mbo-jongeren geen VOG-aanvraag ten behoeve van het onderwijs indienen omdat zij, al dan niet vanwege hun justitieel verleden, verwachten geen VOG te ontvangen.De algemene hoofdvragen van dit onderzoek luiden als volgt:In welke mate dienen (v)mbo-jongeren geen VOG-aanvraag in omdat zij inschatten dat zij geen VOG krijgen vanwege hun justitieel verleden?In hoeverre hangt het niet-aanvragen samen met de ernst en/of aard van hun justitieel verleden, hun kennisniveau over de VOG en/of hun (gewenste) opleiding?In welke mate is de inschatting van VOG-mijders dat zij geen VOG krijgen juist?Voor de beantwoording van de hoofdvragen zijn twee deelonderzoeken uitgevoerd. In deze rapportage staan de bevindingen van beide deelonderzoeken gepresenteerd. INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksopzet en dataverzameling 3. VOG-aanvragen door laatstejaars vmbo'ers en jongeren in het mbo 4. VOG-aanvragers onder (v)mbo-jongeren met en zonder justitieel verleden 5. Kennis van de jongeren omtrent de VOG 6. VOG-aanvraag mijders nader bekeken 7. Conclusies
    • Naar Nationale Veiligheidsindices

      Vergouw, S.J.; Jennissen, R.P.W.; Weijters, G.; Smit, P.R. (WODC, 2014)
      In dit onderzoek wordt een methode beschreven om zo betrouwbaar mogelijk ontwikkelingen in criminaliteit, overlast en onveiligheidsbeleving in Nederland te beschrijven. Dit onderzoek komt voort uit een verzoek van het Strategisch Beraad Veiligheid (SBV), een overlegorgaan tussen het ministerie van Veiligheid en Justitie en de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG). Het SBV heeft de vraag gesteld of het mogelijk is een instrument te ontwikkelen waarmee de ontwikkeling in sociale veiligheid in Nederland in kaart kan worden gebracht. Het is de wens om een index te ontwikkelen waarbij zowel slachtofferenquêtes als politiecijfers worden gebruikt om trends in sociale veiligheid op landelijk, maar ook op regionaal niveau te beschrijven. Met regionaal kan in dit geval gemeenteniveau, maar ook het niveau van regionale eenheden, politiedistricten of basisteams worden bedoeld. Onder sociale veiligheid verstaan we criminaliteit, door burgers ervaren overlast en de onveiligheidsbeleving van burgers. De verkorte resultaten van dit onderzoek zijn gepubliceerd in Factsheet 2014-4. INHOUD: 1. Inleiding 2. Criminaliteitsontwikkeling 3. Overlastontwikkeling 4. Ontwikkeling van onveiligheidsbeleving 5. Slotbeschouwing
    • Onrustgevoelens in Nederland

      Cozijn, C.; Dijk, J.J.M. van (WODC, 1976)
      INHOUD: 1. Inleiding 2. Opzet en methode van onderzoek 3. Het oordeel over de misdaadproblematiek 4. Onrustgevoelens in de samenleving 5. Wie zijn de personen met de hoge onrustskores 6. Van welk type delikt gaat de meeste dreiging uit 7. Waar hangen onrustgevoelens verder mee samen? 8. Mogelijke konsekwenties van onrustgevoelens 9. Konklusies SAMENVATTING: Eén van de onderwerpen waaraan tijdens de behandeling van de Justitiebegroting 1974 door de Tweede Kamer der Staten-Generaal aandacht werd besteed, was de ontwikkeling van de criminaliteit in Nederland. Deze discussie was aanleiding om binnen het Ministerie van Justitie een Stuurgroep Preventie Criminaliteit in te stellen, die tot taak kreeg om het vraagstuk van de (toenemende) criminaliteit nader te bestuderen. Op verzoek van deze stuurgroep werden door het WODC een aantal onderzoeken uitgevoerd. Eén van deze onderzoeken had ten doel de meningen en gevoelens van de bevolking over het criminaliteitsvraagstuk te peilen. Van de voornaamste uitkomsten van dit onderzoek wordt in dit rapport verslag gedaan.
    • Ontwikkeling zwaarte misdrijfzaken

      Homburg, G. (Cebeon, 2021-06-10)
      De geregistreerde criminaliteit is in de afgelopen twee decennia steeds verder gedaald. Dat is niet goed terug te zien in de prestaties van de strafrechtketen. In het bijzonder is het niet gelukt om doorlooptijden in de strafrechtketen terug te dringen. Partijen in de keten verklaren dat onder andere door een toename van de zaakzwaarte, die het gevolg is van maatschappelijke, juridische en technisch-inhoudelijke ontwikkelingen. Dit onderzoek is bedoeld om meer inzicht te krijgen in de ontwikkeling van de zaakzwaarte in de strafrechtketen en in de mogelijkheden om de zwaarte en de verzwaring van strafzaken te meten en te kwantificeren. De onderzoeksvragen luiden: 1. Welke definitie van zaakzwaarte kan worden gehanteerd? 2. Hoe kan de aldus gedefinieerde zaakzwaarte geoperationaliseerd worden: is het mogelijk zaakzwaarte te kwantificeren? 3. Zo ja, hoe heeft de zaakzwaarte van de sinds 2010 door politie, OM en rechter afgedane misdrijfzaken zich ontwikkeld? 4. Welke oorzaken van genoemde ontwikkelingen zijn aan te wijzen? 5. Zijn er verdere differentiaties bij de beantwoording van vraag 2 en 3 aan te geven, in termen van bepaalde tijdvakken, soorten zaken, kenmerken van zaken, fasen van het strafproces of regionale verschillen? 6. In hoeverre en in welke mate kunnen de bevindingen onder 3, 4 en 5 verklaren dat de zwaarte van misdrijfzaken af- of toeneemt?
    • Peiling van de opinies in de Nederlandse bevolking omtrent belastingontduiking en misbruik bij sociale uitkeringen - onderzoeksrapport: resultaten van een enquête onder ruim 1000 personen

      Berghuis, A.C.; Kommer, M.M. (WODC, 1984)
      De peiling omvat de volgende onderwerpen: 1. achtergronden: leeftijd, (arbeids-)positie, opleiding, politieke affiniteit, inkomen, etcetera; 2. de houding tegenover de hoogte van belastingen en uitkeringen; 3. de waargenomen omvang van belastingontduiking en uitkeringsmisbruik; 4. de houding tegenover ontduiking en misbruik, alsmede de noodzaak van bestrijding; (*) contacten met belastingdienst, uitkerende instanties; en 5. houding tegenover een aantal maatregelen tegen ontduiking en misbruik.
    • Plegers van partnergeweld en kindermishandeling - Verschillen, overeenkomsten en overlap

      Woicik, K.; Eisenberg, M.; Burgers, V.W.G.; Tressova-van Veldhoven, D.; Sijtsema, J.J.; Bogaerts, S.; Zijp-Lens, K. van (medew.) (Universiteit Tilburg - Tilburg Law School, 2019)
      In het huidige onderzoek wordt beoogd inzichten te krijgen in achtergronden en risicofactoren van plegers van partnergeweld, kindermishandeling en overlap van beide vormen van geweld in de algemene populatie. Daarbij wordt onder meer ingestoken op mogelijke genderspecifieke verschillen in plegers en (risico)factoren die voorafgaan aan geweld of een escalatie veroorzaken dan wel afhouden. INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksmethoden 3. Kwantitatieve onderzoeksresultaten 4. Kwalitatieve onderzoeksresultaten 5. Conclusie en beschouwingen
    • Recidive onder justitiabelen in Nederland - Een verslag over de periode 2004 tot en met 2016

      Weijters, G.; Verweij, S.; Tollenaar, N. (WODC, 2017)
      Sinds 2005 berekent het WODC jaarlijks de recidive, i.e. het opnieuw in contact komen met justitie, van verschillende dadergroepen die met justitie in aanraking zijn gekomen. In deze factsheet wordt de recidive van vijf daderpopulaties beschreven: - volwassen daders met een strafzaak; - minderjarige daders met een strafzaak; - ex-gedetineerden; - ex-pupillen van Justitiële Jeugdinrichtingen; - ex-reclassenten (uitgesplitst naar mensen die onder toezicht zijn geweest van reclassering Nederland en mensen die een werkstraf hebben uitgevoerd).Over de recidive na een tbs-maatregel en de forensische zorg in het algemeen wordt in een aparte rapportage verslag gedaan. Voorliggend onderzoek beschrijft de recidive van de justitiabelen die tussen de jaren 2004 en 2013 werden bestraft, uitstroomden uit een justitiële inrichting, een werkstraf hebben afgerond of van wie het toezicht bij de reclassering afliep. Het laatste cohortjaar dat meegenomen is in deze studie is 2013. Dat is het meest recente jaar waarover cijfers met betrekking tot de tweejarige recidive berekend konden worden.Het onderzoek is een vervolg op project 2637 (zie link bij: Meer informatie).
    • Recidive onder justitiabelen in Nederland - Verslag over de periode 2006-2018

      Weijters, G.; Verweij, S.; Tollenaar, N.; Hill, J. (WODC, 2019)
      Sinds 2005 brengt Het WODC periodiek de strafrechtelijke recidive, i.e. nieuwe delicten waar een veroordeling door de rechtbank of een afdoening van het OM op volgt, onder verschillende dadergroepen in kaart. In deze rapportage staat de ontwikkeling van de recidive van de volgende dadergroepen centraal. Het gaat allereerst om alle volwassen en jeugdige daders tegen wie in de periode 2006 tot en met 2015 een strafzaak is begonnen vanwege een gepleegd delict. Onder volwassen daders verstaan we alle daders die volgens het volwassen strafrecht zijn veroordeeld en onder jeugdige daders de daders die volgens het jeugdstrafrecht zijn veroordeeld. Daarnaast wordt de recidive beschreven van ex-gedetineerden en ex-JJI-pupillen die van 2006 tot en met 2015 zijn vrijgekomen. Ten slotte wordt de recidive beschreven van daders die in de periode 2006 tot en met 2015 met de reclassering in aanraking kwamen voor het uitvoeren van een werkstraf of een periode onder toezicht van de reclassering stonden. Alle personen in het onderzoek zijn tot juli 2018 gevolgd om er zeker van te zijn dat zo veel mogelijk relevante nieuwe justitiecontacten konden worden meegenomen.Nieuw in deze rapportage is dat niet alleen wordt gerapporteerd of een dader opnieuw in aanraking komt met justitie vanwege een gepleegd delict, maar ook dat gekeken is naar de ernst van de recidive en het gemiddeld aantal keer dat gerecidiveerd wordt. Naast de feitelijke, waargenomen recidive rapporteren we ook de gecorrigeerde recidive, waarbij rekening wordt gehouden met veranderingen in de samenstelling van de onderzoeksgroepen over de tijd. Dit betekent dat in de gecorrigeerde recidivetrends eventuele veranderingen in een aantal achtergrondkenmerken van de onderzoeksgroep, zoals geslacht, geboorteland, leeftijd en strafrechtelijke carrière, zijn verwerkt. De volgende onderzoeksvragen staan centraal in dit onderzoek: Wat zijn de achtergrondkenmerken van personen die in de periode 2006 tot en met 2015 zijn veroordeeld, vrijgekomen zijn uit een PI of een JJI, een werkstraf bij de reclassering hebben uitgevoerd of onder toezicht van de reclassering hebben gestaan? Wat is het recidivebeeld van de verschillende onderzoeksgroepen: welk deel kwam opnieuw in aanraking met justitie voor enig delict of voor een zeer ernstig delict (recidiveprevalentie)? Wat is het gemiddeld aantal nieuwe strafzaken per jaar? Hoe ontwikkelt de recidive zich onder de verschillende dadergroepen gecontroleerd voor verschillen in achtergrondkenmerken en kenmerken van de justitiële geschiedenis? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode 3. Recidive onder volwassen en jeugdige daders 4. Recidive onder volwassen en jeugdige ex-gedetineerden 5. Recidive onder ex-werkgestraften en ex-ondertoezichtgestelden 6. Conclusie en discussie
    • Recidive onder justitiabelen in Nederland - Verslag over de periode 2008-2020

      Verweij, S.; Tollenaar, N.; Teerlink, M.; Weijters, G. (WODC, 2021-10-11)
      Het WODC brengt periodiek de strafrechtelijke recidive, i.e. nieuwe delicten gepleegd in Nederland waar een veroordeling door de rechtbank of een afdoening van het OM op volgt, onder verschillende onderzoeksgroepen in kaart. In deze rapportage staat de ontwikkeling van de recidive van de volgende onderzoeksgroepen centraal. Het gaat allereerst om alle volwassen en jeugdige daders tegen wie in de periode 2008 tot en met 2017 een strafzaak is afgedaan met een geldige afdoening. Onder volwassen daders verstaan we alle daders die volgens het volwassenenstrafrecht zijn veroordeeld en onder jeugdige daders de daders die volgens het jeugdstrafrecht zijn veroordeeld. Daarnaast wordt de recidive beschreven van personen die van 2008 tot en met 2017 zijn vrijgekomen uit een PI of JJI. Voorts wordt de recidive beschreven van daders die in de periode 2012 tot en met 2017 met de reclassering in aanraking kwamen voor het uitvoeren van een werkstraf of die een periode onder toezicht van de reclassering stonden. Nieuw in deze rapportage is dat er ook specifiek gekeken wordt naar volwassen daders die onder meer een financiële sanctie opgelegd hebben gekregen van het OM of de rechter. De volgende onderzoeksvragen staan centraal in dit onderzoek: 1. 1 Wat zijn de achtergrondkenmerken van personen die in de periode 2008 tot en met 2017 zijn veroordeeld, zijn vrijgekomen uit een PI of een JJI, een werkstraf bij de reclassering hebben uitgevoerd of onder toezicht van de reclassering hebben gestaan? 2. Wat is het recidivebeeld van de verschillende onderzoeksgroepen over de tijd: - welk deel kwam binnen twee jaar opnieuw in aanraking met justitie (prevalentie)? - wat is het gemiddeld aantal nieuwe justitiecontacten per recidivist per jaar (frequentie)? - wat is het gemiddeld aantal nieuwe justitiecontacten per 100 daders per jaar (omvang)? - welke typen recidivedelicten werden gepleegd binnen twee jaar (soort recidive)? 3. Hoe ontwikkelt de recidive zich over de tijd onder de verschillende dadergroepen gecontroleerd voor verschillen in achtergrondkenmerken en kenmerken van de geschiedenis? 4. Welke financiële sancties werden in 2017 aan volwassen daders opgelegd: - welk deel van de daders kreeg te maken met financiële sancties en om welke typen financiële sancties ging het daarbij? - met welke straffen werden deze financiële sancties gecombineerd? 5. Wat is het recidivebeeld na geldboetes (opgelegd door het OM of de rechter) of de transactie geldsom bij volwassen daders: - welk deel kwam opnieuw in aanraking met justitie (prevalentie) en in hoeverre komt dit overeen met de voorspelde recidive op basis van achtergrondkenmerken en kenmerken van de justitiële geschiedenis? - hoe ontwikkelt de recidive zich over de tijd gecontroleerd voor verschillen in achtergrondkenmerken en kenmerken van de justitiële geschiedenis? INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode 3. Recidive onder volwassen en jeugdige daders 4. Recidive onder volwassen en jeugdige ex-gedetineerden 5. Recidive onder ex-werkgestraften en ex-ondertoezichtgestelden 6. Conclusie en discussie.
    • Recidivebericht 2015 - Landelijke cijfers over de terugval van justitiabelen bestraft in de periode 2002-2012

      Wartna, B.S.J.; Tollenaar, N.; Verweij, S.; Alberda, D.L.; Essers, A.A.M. (WODC, 2016)
      Het WODC houdt de terugval van justitiabelen bij. Elk jaar berekent het onderzoeksinstituut de recidive van iedereen die in Nederland als verdachte met justitie te maken kreeg. Zes daderpopulaties worden met de jaarlijkse metingen van de Recidivemonitor gevolgd: volwassen daders met een strafzaak, minderjarige daders met een strafzaak, ex-reclassenten, ex-gedetineerden, ex-pupillen van justitiële jeugdinrichtingen en ex-terbeschikking-gestelden. Over de terugval na de tbs-maatregel en de forensische zorg in het algemeen wordt apart verslag gedaan. Deze factsheet geeft een update van de recidive in de vijf andere daderpopulaties. Het onderzoek heeft betrekking op de justitiabelen die tussen de jaren 2002 en 2012 werden bestraft of uitstroomden uit een justitiële inrichting. 2002 gold als het startjaar voor een reeks van beleidsprogramma’s gericht op recidivereductie en 2012 was bij het samenstellen van deze factsheet het meest recente jaar waarover cijfers met betrekking tot de 2-jarige recidive beschikbaar zijn. Alle personen werden tot juli 2015 gevolgd, om er zeker van te zijn dat alle relevante nieuwe justitiecontacten in het onderzoek konden worden meegenomen. Het onderzoek is een vervolg op project 2508a (zie link bij: Meer informatie) en heeft betrekking op de jeugdige en volwassen daders van wie in de periode 1997-2012 een strafzaak is afgedaan.