• 909 zorgen - Een onderzoek naar de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling

      Slot, N.W.; Theunissen, A.; Esmeijer, F.J.; Duivenvoorden, Y. (Vrije Universiteit Amsterdam - Faculteit der Psychologie en Pedagogiek, 2001)
      In dit onderzoek is gepoogd zicht te krijgen op de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling via een analyse van 103 dossiers van vier gezinsvoogdij-instellingen. Tevens werd een enquête gehouden onder kinderrechters en stafmedewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming en werden gezinsvoogden, ouders en kinderen geïnterviewd.
    • Aantal coffeeshops en gemeentelijk beleid in 2001

      Bieleman, B.; Goeree, P. (WODC, 2002)
      Aantal coffeeshops en gemeentelijk beleid in 2001 is het zesde deel in een reeks studies naar aantallen verkooppunten van cannabis en vormen van gemeentelijk softdrugsbeleid. Het is de derde meting waarbij ambtenaren van alle Nederlandse gemeenten zijn ondervraagd. De inventarisatie is eind 2001 uigevoerd in opdracht  van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Justitie. De inventarisatie biedt zicht op de aantallen officieel gedoogde coffeeshops en de verschillende vormen van coffeeshopbeleid zoals die door de Nederlandse gemeenten worden gehanteerd. Naast informatie met betrekking tot de situatie eind 2001, verkregen via gesprekken met gemeenteambtenaren van alle 504 Nederlandse gemeenten, biedt dit rapport tevens vergelijkingen met gegevens van de metingen die zijn uitgevoerd in 1999 en 2000. Op deze wijze worden de  ontwikkelingen in het aantal coffeeshops en de gevoerde beleidsvormen inzichtelijk gemaakt. Verder wordt aandacht besteed aan de spreiding van de coffeeshops en de ontwikkelingen in het gemeentelijk softdrugsbeleid.
    • Bestuurlijke preventie van veel voorkomende criminaliteit - een enquête onder gemeenten, parketten en provincies

      Polder, W.; Willemse, H.M. (WODC, 1989)
      Bij het samenstellen van de enquête is uitgegaan van de volgende algemene vragen:Hebben de gemeenten een actief preventiebeleid, ook buiten de projecten van de Stuurgroep Bestuurlijke Preventie Criminaliteit (SBPC)?Verlopen de SBPC-projecten naar wens?Bestaat er al een eerste indruk van de resultaten?
    • De balie geschetst - Verslag van een door het WODC gehouden schriftelijke enquête onder de Nederlandse advocatuur

      Klijn, A. (WODC, 1981)
      In overleg met de begeleidingscommissie werd het doel van het onderzoek omschreven als het via verzamelen van materiaal verkrijgen van inzicht in zowel de samenstelling van en de rechtshulpverlening door de Nederlandse advocatuur in haar geheel, alsook in de samenstelling van en de rechtshulpverlening door verschillende binnen de balie te onderscheiden catergorieën, met daarbij speciale aandacht voor de advocatencollectieven. In deze omschrijving wordt tot uitdrukking gebracht dat twee vraagstellingen aan het onderzoek ten grondslag liggen. Allereerst de vraag naar een beschrijving van de huidige advocatuur in termen van de bovengenoemde kenmerken van de persoon van de advocaat, de werksituatie en de praktijkuitoefening. Vervolgens de vraag naar het opsporen van een aantal samenhangen tussen bedoelde kenmerken.
    • De tevredenheid van slachtoffers van misdrijven met de slachtofferzorg - Eindrapport

      Koolen, I.; Heide, M. van der; Ziegelaar, A. (WODC, 2005)
      De regering wil, in aansluiting op een EU-kaderbesluit d.d. 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure, de positie van het slachtoffer versterken, en heeft dit als aandachtspunt in het strategisch akkoord opgenomen. Belangrijk daarbij is om te weten hoe tevreden slachtoffers op dit moment zijn met de huidige wet- en regelgeving, waaraan eventueel behoefte is en welke beleidsvoornemens in dat licht prioriteit zouden moeten krijgen. Het onderzoek is uitgevoerd in twee fasen, een literatuurstudie en een telefonische enquête onder slachtoffers. In het Bijlagenrapport zijn de rechte tellingen en de open antwoorden van de enquête opgenomen.
    • Ervaringen met bezwaar - onderzoek naar de ervaringen van burgers met de bezwaarschriftenprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht

      Waard, B.W.N. de (red.); Bolt, K.F.; Merkx, C.J.A.M.; Muijnck, J.A. de; Oude Vrielink, M.J.; Rutten-van Deurzen, W.M.C.J. (medew.) (Universiteit van Tilburg - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 2011)
      Dit rapport brengt verslag uit van een onderzoek naar de ervaringen van burgers met de bezwaarschriftenprocedure zoals geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het onderzoek is gesplitst in twee deelonderzoeken. Als eerste deel is een voornamelijk kwantitatief onderzoek verricht naar de ervaringen van burgers voor en tijdens bezwaarschriftenprocedures en de factoren die hierop van invloed zijn. Voor een dieper inzicht in de onderliggende mechanismen is een beknopt kwalitatief deelonderzoek verricht. Dit deelonderzoek beoogt vanuit een integraal perspectief een dieper inzicht te geven in de verwachtingen en doelstellingen van bezwaarden en hun ervaringen en handelswijzen voor, tijdens en na de bezwaarschriftenprocedure. INHOUD: 1. Inleiding en probleemstelling 2. Uitwerking probleemstelling 3. Opzet en verloop van het kwantitatieve deelonderzoek 4. Waarom maken personen en bedrijven wel of geen bezwaar? 5. Wat zijn de ervaringen tijdens en na de procedure? 6. Waardering vooraf en achteraf, door dezelfde respondenten 7. Verdieping van de resultaten: aanvullende analyse 8. Aanvullende opmerkingen van bezwaarmakers 9. Samenvatting en conclusies naar aanleiding van het eerste deelonderzoek 10. Methodische verantwoording bij de kwalitatieve deelstudie 11. Uitkomsten 12. Intermezzo: gegevens over de informatieverstrekking door de bestuursorganen 13. Beschouwing naar aanleiding van de bevindingen 14. Verhouding van de uitkomsten van het kwalitatieve onderzoek tot die van het kwantitatieve deelonderzoek 15. Hoe verder? 16. Samenvatting
    • Evaluatie van de slachtoffercirculaire Vaillant II - een eerste indruk

      Andel, H.G. van (WODC, 1987)
      De evaluatie betreft de vraag in hoeverre er gevolg aan de slachtoffercirculaire wordt gegeven door OM en de politie.
    • Geregistreerd partnerschap in Nederland - Een verkennend onderzoek

      Unknown author (Van Dijk, Van Soomeren en Partners, 1999)
      In het onderzoek is nagegaan hoeveel mensen gebruik gemaakt hebben van de mogelijkheid van een geregistreerd partnerschap, welke redenen men daarvoor heeft en de consequenties van de keuze. Gezien de aard en omvang van het onderzoek - een quick scan onder 153 geregistreerde partnerschappen - moeten de resultaten worden beschouwd als indicaties.
    • Het imago van de prostitutie - Een onderzoek naar de beeldvorming betreffende de prostitutiebranche gehouden onder de Nederlandse bevolking

      Unknown author (WODC, 2002)
      De wetswijziging waarbij het algemeen bordeelverbod is opgeheven heeft tot doel van de prostitutiebranche een 'normale' beroepsgroep te maken, met alle daarmee verbonden rechten en plichten. Om te kunnen volgen of de beoogde doelstelling wordt gerealiseerd, is een omvangrijk evaluatieonderzoek opgezet, dat uit verschillende deelonderzoeken bestaat. Eén van die deelonderzoeken is een onderzoek onder de Nederlandse bevolking. De centrale vraag is: Op welke manier kijkt de Nederlandse bevolking tegen prostitutie, prostituees, en exploitanten? Door de legalisering van de prostitutie hebben de prostituees en exploitanten een aantal rechten maar ook plichten gekregen. Door die plichten, zoals het afdragen van premies en betalen van belasting, is het voor prostituees en exploitanten moeilijker geworden hun werkzaamheden in de prostitutie verborgen te houden. Voor de sociale positie en het welzijn van de prostituees denkt en in welke mate prostitutie een geaccepteerd beroep is. Daarnaast is in dit project een belangrijke onderzoeksvraag: Wat vindt men van het prostitutiebeleid, dat heeft geleid tot het opheffen van het algemeen bordeelverbod?
    • Het toekennen van prioriteiten bij de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis

      Berghuis, A.C.; Essers, J.J.A. (WODC, 1985)
      Het geheel aan verrricht onderzoek kan worden onderscheiden in vier onderdelen: 1) een periodieke peiling naar het bestand aan voorlopig gehechten per arrondissement - aantallen en de onderverdeling naar insluitingsprioriteit; 2) een registratie per zaak waarin voorlopige hechtenis is bevolen over prioriteitstoekenning en enkele gegevens over de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis; 3) een dossierstudie; 4) een enquete onder o.a. OvJ's naar de ervaringen met de nieuwe werkwijze.
    • Knelpunten bij de toepassing van dienstverlening? - Uitkomsten van een enquête onder rechters, officieren van justitie, advocaten en coördinatoren dienstverlening

      Kockelkorn, R.; Laan, P.H. van der; Meulenberg, C. (WODC, 1991)
      In september en oktober 1990 heeft het WODC op verzoek van de Overleg- en adviescommissie Alternatieve Sancties (OCAS) een schriftelijke enquete gehouden onder rechters, officieren van justitie, advocaten en coordinatoren dienstverlening. Doel van deze enquete was het achterhalen van eventuele knelpunten bij de toepassing van de Wet Straf van Onbetaalde Arbeid (dienstverlening). Bevat enqueteformulier. INHOUD: 1. Inleiding 2. Toepassing van de dienstverlening 3. Persoon van de dienstverlener 4. Organisatie van de dienstverlening 5. Niet naar behoren verrichte dienstverleningen 6. Knelpunten 7. Opvattingen over dienstverlening 8. Slotbeschouwing.
    • Methodologische evaluatie van de Politiemonitor Bevolking

      Schoen, E.D.; Defize, P.R.; Bakker, M. (TNO Technisch Psychische Dienst (TNO TPD), 2000)
      Doelstelling van dit project is: het op basis van de monitoren 1993, 1995, 1997 en 1999 onderzoeken van (1) de representativiteit van de Politiemonitor Bevolking (PMB), en (2) de trends in criminaliteit volgens de PMB en het interpreteren van (de validiteit van) deze trends in het licht van andere registratiesyetemen. De opbouw van dit rapport is als volgt. In hoofdstuk 2 wordt de representativiteit van de PMB behandeld. Hierbij komen o.m. aan de orde het toepassen van weegfactoren en de manier van steekproeftrekking en non-respons. In hoofdstuk 3 worden jaartrends besproken, mede in relatie met (categoriën van) achtergrondkenmerken. In hoofdstuk 4 wordt nagegaan in hoeverre voor de vragen uit de Politiemonitor Bevolking overeenkomstige vragen te vinden zijn in de Enquete Rechtsbescherming en Veiligheid (ERV) van het CBS, nu opgenomen in het Periodiek Onderzoek Leefsituatie (POLS), de Internationale Slachtofferenquete (ICSV: International Crime Victims Survey) en de Politieregistratie (PR). Het slothoofdstuk bevat aanbevelingen voor de PMB 2001, opgesteld op grond van de conclusies van de hoofdstukken 2-4.
    • Monitor Bedrijven en Instellingen - Adviesrapport

      Korpel, J.; Hermans, E. (NIPO Consult, 2000)
      Dit is een adviesrapport over de mogelijke invulling van de complete Monitor Bedrijven en Instellingen in alle sectoren van het Nederlandse bedrijfsleven. Bij dit rapport is ook een afzonderlijk handboek beschikbaar. Van drie sectoren zijn afzonderlijke rapportages gepubliceerd (zie links bij: Meer informatie), te weten:Bouwnijverheid tabellenbijlageVervoer, opslag, communicatie tabellenbijlageCultuur, recreatie en overige dienstverlening tabellenbijlage
    • Onrustgevoelens in Nederland

      Cozijn, C.; Dijk, J.J.M. van (WODC, 1976)
      INHOUD: 1. Inleiding 2. Opzet en methode van onderzoek 3. Het oordeel over de misdaadproblematiek 4. Onrustgevoelens in de samenleving 5. Wie zijn de personen met de hoge onrustskores 6. Van welk type delikt gaat de meeste dreiging uit 7. Waar hangen onrustgevoelens verder mee samen? 8. Mogelijke konsekwenties van onrustgevoelens 9. Konklusies SAMENVATTING: Eén van de onderwerpen waaraan tijdens de behandeling van de Justitiebegroting 1974 door de Tweede Kamer der Staten-Generaal aandacht werd besteed, was de ontwikkeling van de criminaliteit in Nederland. Deze discussie was aanleiding om binnen het Ministerie van Justitie een Stuurgroep Preventie Criminaliteit in te stellen, die tot taak kreeg om het vraagstuk van de (toenemende) criminaliteit nader te bestuderen. Op verzoek van deze stuurgroep werden door het WODC een aantal onderzoeken uitgevoerd. Eén van deze onderzoeken had ten doel de meningen en gevoelens van de bevolking over het criminaliteitsvraagstuk te peilen. Van de voornaamste uitkomsten van dit onderzoek wordt in dit rapport verslag gedaan.
    • Ontslagvergoedingen - Regelingen, opvattingen en praktijk

      Beltzer, R.M.; Knegt, R.; Rijs, A.D.M. van (Universiteit van Amsterdam - Hugo Sinzheimer Instituut, 1998)
      Het Nederlandse ontslagrecht is sinds 20 jaar voorwerp van politiek debat, wetenschappelijke productiviteit, onderwerp van vele rechterlijke uitspraken en aanleiding voor seminars en andere educatieve activiteiten. Bij de gelegenheid van de behandeling van het wetsvoorstel Flexibiliteit en zekerheid in de Tweede kamer in november 1997 kwamen ook weer verschillende empirische vragen aan de orde. Dit onderzoek valt uiteen in twee delen. Een eerste deel waarin voornamelijk via de methode van de enquete aan verschillende groepen een oordeel is gevraagd over de aan de orde zijnde vragen (toepassing door kantonrechters van een vastgelegde formule; hoogte van de vergoedingen; recht op vergoedingen), en een tweede deel waarin vooral dossieronderzoek centraal staat. Het eerste deel van het onderzoek over ontslagvergoedingen, met name de werkwijze en de opvattingen van de praktijk, is in dit rapport opgenomen.
    • Opnieuw: de opvattingen van de Nederlandse bevolking omtrent de duur van de alimentatie na echtscheiding

      Cozijn, C. (WODC, 1987)
      Dit is een aanvullend onderzoek dat zich richt op de positie van de op hogere leeftijd scheidende vrouw, waarbij ook de invloed van het verkrijgen van pensioen op het denken over de alimentatieduur aan de orde komt.
    • Opvattingen over alimentatieduur - eindrapport

      Werff, C. van der; Cozijn, C. (WODC, 1983)
      Dit rapport vormt het eindverslag van een onderzoek naar de opvattingen die onder de bevolking leven omtrent een alimentatieplicht na echtscheiding van ex-partners jegens elkaar. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in 1980 als gevolg van de discussies over wijziging van het alimentatierecht.
    • Peiling van de opinies in de Nederlandse bevolking omtrent belastingontduiking en misbruik bij sociale uitkeringen - onderzoeksrapport: resultaten van een enquête onder ruim 1000 personen

      Berghuis, A.C.; Kommer, M.M. (WODC, 1984)
      De peiling omvat de volgende onderwerpen: 1. achtergronden: leeftijd, (arbeids-)positie, opleiding, politieke affiniteit, inkomen, etcetera; 2. de houding tegenover de hoogte van belastingen en uitkeringen; 3. de waargenomen omvang van belastingontduiking en uitkeringsmisbruik; 4. de houding tegenover ontduiking en misbruik, alsmede de noodzaak van bestrijding; (*) contacten met belastingdienst, uitkerende instanties; en 5. houding tegenover een aantal maatregelen tegen ontduiking en misbruik.
    • Prevalentiemonitor huiselijk geweld en seksueel geweld 2020

      Akkersmans, M.; Gielen, W.; Kloosterman, R.; Moons, E.; Reep, C.; Wingen, M. (CBS, 2020-12)
      De Prevalentiemonitor huiselijk geweld en seksueel geweld (PHGSG) beschrijft de aard en de mate waarin huiselijk geweld en seksueel geweld in Nederland voorkomen. Bij huiselijk geweld gaat het om vormen van geweld als fysiek geweld, dwingende controle, stalking en seksueel geweld die gepleegd worden door iemand uit de huiselijke kring. De term ‘huiselijke kring’ heeft betrekking op de sociale relatie tussen slachtoffer en pleger. Tot de huiselijke kring worden gezins- en familieleden en ook eventuele (ex-)partners gerekend. De cijfers in deze PHGSG zijn gebaseerd op een internetenquête onder een steekproef van de Nederlandse bevolking van 16 jaar en ouder (ongeveer 14,3 miljoen personen). Het onderzoek is gehouden van begin maart tot eind april 2020. De uitvraag was net een week gaande toen de zogeheten ‘lockdown’ in het kader van de coronapandemie werd afgekondigd. Over de mogelijke effecten van deze lockdown op het onderzoek wordt in deze publicatie gerapporteerd. Voor het onderzoek zijn honderdduizend personen benaderd. Ruim 30 duizend personen hebben de vragenlijst ingevuld, een respons van 30,5 procent. Dit grote aantal respondenten maakt het mogelijk om betrouwbare en gedetailleerde uitspraken te doen over de prevalentie van huiselijk geweld en seksueel geweld in Nederland. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Verbale agressie in huiselijke kring, 3. Fysiek geweld in huiselijke kring, 4. Dwingende controle in huiselijke kring, 5. Stalking door ex-partner, 6. Niet-fysieke seksuele intimidatie, 7. Fysiek seksueel geweld, 8. Online seksuele intimidatie, 9. Huiselijk geweld en seksueel geweld in samenhang bekeken, 10. Totaal huiselijk geweld en totaal seksueel geweld
    • Solistische dreigers - Ontwikkeling van een instrument voor risicotaxatie van solistische dreigers

      Bogaerts, S.; Okur, P.; Willems, M.; Knaap, L. van der; Spreen, M. (medew.); Aertsen, I. (medew.) (School of Behavioral Sciences - Tilburg University, 2012)
      In de afgelopen jaren vonden in Nederland enkele opmerkelijke (moord)aanslagen op publieke personen door individuen plaats, namelijk op Pim Fortuyn (2002), op Theo van Gogh (2004) en op het koningshuis door Karst T. (2009). Dit leidde tot vragen als: hoe is het gesteld met de veiligheid van publieke personen, waren er van tevoren aanwijzingen dat de gebeurtenissen zouden plaatsvinden en hoe kunnen dergelijke gebeurtenissen in de toekomst worden voorkomen? In dit onderzoek staan solistische dreigers centraal bij wie sprake is van een fixatie op een of meerdere publieke personen in het rijksdomein. Om dreigingen tegen te gaan is in deze studie een nieuw instrument (persoonskaart) ontwikkeld. Hiermee kan relevante informatie verzameld worden om te beoordelen of maatregelen moeten worden genomen om een patroon van dreigingen en/of overlast te doorbreken en verdere dreigingen te voorkomen. Tevens is ervoor gezorgd dat de persoonskaart onderdeel kan uitmaken van een dreigingsmanagement systeem dat door de pilot Dreigingsmanagement wordt gebruikt.