• De toepassing van handpalmafdrukken voor de opsporing en vervolging

      Malsch, M.; Berg, T. van den; Hornman, M.; Lammers, M.; Wilde, B. de; Stevens, L. (Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR), 2017)
      In het wetgevingsoverleg van 17 november 2014 heeft de minister van Veiligheid en Justitie aan de Tweede Kamer toegezegd om samen met politie en OM te bezien of en hoe de inzet van handpalmafdrukken bij de opsporing en vervolging binnen de huidige wetgeving voldoende benut kan worden (Tweede Kamerstukken, Vergaderjaar 2014-2015, 29628 nr. 490). De centrale vraagstelling van het onderzoek luidt:Hoe is het nemen, het gebruik en de opslag van handpalmafdrukken ten behoeve van de strafvordering juridisch genormeerd in Nederland en een aantal andere landen en in de supranationale jurisprudentie, hoe worden deze normen in de praktijk toegepast, wat is de meerwaarde van het gebruik van handpalmafdrukken voor de strafvordering en is standaardafname en/of verbetering van de wettelijke regeling in dit licht wenselijk en toelaatbaar binnen de (supra)nationale juridische kaders?Deze vraagstelling is in het rapport onderverdeeld in een aantal hoofdonderwerpen, te weten: juridisch kader (inclusief vraagstukken betreffende privacy), vergelijking tussen landen, inclusief de vraag naar standaardafname, praktijk van toepassing, en te verwachten meeropbrengst van handpalmafdrukken. INHOUD: 1. Inleiding 2. De handpalmvergelijking: dactyloscopie, databank, procedure en relatie tot andere typen sporen 3. Juridisch kader 4. Toepassing in de praktijk I: politie en Openbaar Ministerie 4. Toepassing in de praktijk II: rechterlijke uitspraken 5. Rechtsvergelijking 6. Conclusies
    • Eén spoor is geen spoor - Naar een landelijke sporendatabank voor informatiegestuurde opsporing

      Stol, W.Ph.; Kop, N.; Koppenol, P.A.; Evers, F.C.M. (medew.); Binnekamp, R. (medew.) (WODC, 2005)
      In het veiligheidsprogramma Naar een veiliger samenleving hebben de politieministers het voornemen geuit maatregelen te treffen om de kwaliteit van het recherchewerk te verhogen. In dat verband is aangekondigd dat een ‘landelijke sporendatabank’ tot stand zal worden gebracht. Dit voornemen tot integratie van opsporingdatabanken sluit aan bij de beoogde herstructurering van de informatiehuishouding van de Nederlandse politie. In een landelijke sporendatabank zouden verschillende sporen - zoals vingerafdrukken, werktuigsporen, kogel-, hulzen-, schoen- en digitale sporen - op gestandaardiseerde wijze opgeslagen en met elkaar vergeleken kunnen worden. Zo kunnen verbanden tussen delicten aan het licht komen, waardoor zaken opgehelderd kunnen worden. (Vooruitlopend op zo’n landelijke sporendatabank, om al vast ervaringen op te doen met het gekombineerd gebruik van sporen, is per 1 januari 2004 een pilot gestart waarin forensisch-technische informatie uit de DNA-databank en HAVANK (vingersporen) aan elkaar worden gerelateerd.) Een landelijke sporendatabank moet uiteindelijk leiden tot een betere bestrijding van de criminaliteit, vooral ten aanzien van High Volume Crime (o.a. woninginbraken en diefstallen) en veelplegers. Dit onderzoek geeft inzicht in de mogelijkheden en beperkingen van een landelijke sporendatabank.
    • Harmonisation in forensic expertise - An inquiry into the desirability of and opportunities for international standards

      Nijboer, J.F. (ed.); Sprangers, W.J.J.M. (ed.) (Leiden University - Study Centre on Evidence, 2000)
      This volume contains contributions regarding different aspects of the following questions:What are the differences and similarities between the various national jurisdictions in European countries concerning the law and practices regarding forensic experts and legal professionals?What instruments are available to legislators, politicians and legal professionals to create more unity in legal systems and practices?What frameworks and tools can be developed in this context by international organizations such as the European Union, the Council of Europe and non-governmental organizations such as the European Network of Forensic Science Institutes?
    • Lepelen met een vork - Evaluatie van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden

      Kruize, P.; Gruter, P.; Hamers, L. (medew.); Noorloos, M. van (medew.); Suchtelen, T. van (medew.); Taverne, M. (medew.) (Ateno, 2019)
      Op 1 februari 2005 trad de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (wet DNA-V) in werking. De Wet DNA-V verplicht veroordeelden van een delict waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en een (voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straf, maatregel of een taakstraf is opgelegd, tot het afstaan van celmateriaal. Uit het afgenomen celmateriaal wordt een DNA-profiel opgemaakt dat in de Nederlandse databank voor strafzaken (bij het NFI) wordt opgenomen. Door deze profielen te vergelijken met profielen die aanwezig zijn in de databank of in de toekomst worden toegevoegd, kan een match ontstaan die van belang kan zijn voor opsporing, vervolging en bewijsvoering. Tevens gaat de wetgever ervan uit dat de verhoogde pakkans een afschrikwekkende werking heeft t.o.v. de verdachten wier DNA profiel in de databank is opgeslagen. De hier gepresenteerde evaluatie van de Wet DNA-V richt zich op de uitvoering van de wet anno 2018 en blikt (ook cijfermatig) terug op de periode 2012 t/m 2017. De evaluatie richt zich mede naar aanleiding van toezeggingen aan de Tweede Kamer op de volgende vier sporen:Uitvoering van de Wet DNA-VEffect van (conservatoire) afname van celmateriaal bij verdachten in voorarrestEffecten van de Wet DNA-V (DNA-matches en preventieve effecten)Vergelijking van de Nederlandse DNA-wetgeving met de regelgeving in Duitsland, Frankrijk, Engeland/Wales, Denemarken en Noorwegen en bestudering van EU-jurisprudentie op het terrein van DNA-wetgeving binnen het strafrecht. INHOUD: 1. Inleiding 2. Eerdere evaluaties en (toezicht op) het verbeterprogramma rond de Wet DNA-V 3. Uitvoering van de Wet DNA-V 4. Juridische kaders en alternatieve scenario's 5. De opsporingsbijdrage van DNA-V matches 6. Het preventieve effect van de Wet DNA-V 7. Internationale vergelijking van DNA-wetgeving en -jurisprudentie 8. Conclusies
    • Rechterlijke straftoemeting

      Unknown author (WODC, 1992)
      Nederlandse rechters bezitten een grote mate van vrijheid bij het opleggen van straf. Zelfs als het telastegelegde feit bewezen is en feit en verdachte strafbaar zijn, biedt het Wetboek van Strafrecht hun de mogelijkheid af te zien van een straf of maatregel. Besluiten zij wel een straf of maatregel op te leggen, dan hebben zij - binnen de wettelijk voorgeschreven delictspecifieke strafmaxima en het algemene minimum van een dag vrijheidsbeneming en een geldboete van vijf gulden - een zeer ruime zogenoemde discretionaire bevoegdheid. Gezien deze grote rechterlijke vrijheid is het niet verwonderlijk dat in onderzoeken regelmatig verschillen worden gevonden in de straftoemeting van rechters en rechtbanken. Zo bleek uit een onderzoek van Fiselier (Delikt en Delinkwent, 15, 1985, afl. 3 en 4) dat 'het straftoemetingsbeleid in de afzonderlijke arrondissementen nogal uiteenloopt'. Ook uit een recent onderzoek van A.C. Berghuis (Trema, maart 1992) blijkt dat er tamelijk grote verschillen bestaan in de straftoemeting in verschillende arrondissementen. In de discussie over deze verschillen in straftoemeting kan men grofweg twee standpunten onderscheiden. Volgens het eerste standpunt moet bij de straftoemeting niet de nadruk worden gelegd op gelijkheid in de zin van uniformiteit, maar moet zoveel mogelijk recht worden gedaan aan de unieke kenmerken van de zaak en de verdachte. Volgens het tweede standpunt zijn de geconstateerde verschillen in straftoemeting in strijd met het beginsel van rechtsgelijkheid en moeten zij worden tegengegaan, hetzij door de formulering van straftoemetingsrichtlijnen, hetzij door de instelling van een speciale straftoemetingskamer. Deze aflevering is voor een deel gewijd aan dit debat tussen uniciteit en gelijkheid. Daarnaast worden nieuwe-gegevens gepresenteerd die van belang kunnen zijn voor dat debat.
    • Sporen met DNA - Evaluatie van de wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken per november 2001

      Jacobs, M.J.G.; Bruinsma, M.Y. (WODC, 2008)
      In het onderzoek zijn vragen beantwoord over de getalsmatige ontwikkeling van de inzet van DNA-onderzoek, over de praktijkervaringen en over de bijdrage van DNA-onderzoek aan (de efficiency van) het opsporings en vervolgingsproces.
    • De toekomst van DNA-analyse

      M’charek, A.; Knijff, P. de; Poot, C. de; Meulenbroek, L.; Aben, D.; Verhoef, P.; Willems, Y.; Groenen, M.; Kaptein, N. (WODC, 2021-07-01)
      ARTIKELEN: 1. Amade M'charek en Peter de Knijff - Commerciële DNA-databanken: Een mixed blessing of een bedreiging voor de forensische praktijk? 2. Christianne de Poot - Het gebruik van DNA in het opsporingsproces 3. Lex Meulenbroek en Diederik Aben - Een goudmijn vol tips: Het gebruik van genealogische DNA-databanken bij opsporing en identificatie 4. Petra Verhoef, Yayouk Willems en Marc Groenen - Publieke waarden en het gebruik van genetische gegevens 5. Nico Kaptein - Genealogische DNA-databanken: Consequenties van het delen van ons DNA SAMENVATTING: Dit themanummer van Justitiële verkenningen is gewijd aan de razendsnelle ontwikkeling die DNA-analyse sinds de eeuwwisseling heeft doorgemaakt en de consequenties daarvan. Als gevolg van deze ontwikkeling kregen politie en justitie een belangrijk nieuw hulpmiddel in handen bij de opsporing van verdachten. Maar daar bleef het niet bij. Het is vooral de opkomst geweest van bedrijven die DNA-tests aanbieden aan particulieren (direct-to-consumer (DTC) genetic testing), die voor een enorme groei van DNA-analyse heeft gezorgd. Inmiddels hebben tientallen miljoenen mensen hun DNA laten testen door bedrijven zoals 23andMe, AncestryDNA en FamilyTreeDNA. Het doorverkopen van DNA-gegevens is voor deze bedrijven een belangrijke inkomstenbron. DNA dat is ingestuurd voor een persoonlijke analyse, wordt soms ook voor andere doeleinden gebruikt. Steeds meer DNA-gegevens raken op deze wijze verspreid, zonder dat er zicht is op wat er precies met dit DNA gebeurt. Terwijl voor het beheer en gebruik van DNA-gegevens door politie en justitie strikte regels gelden, is dit vooralsnog niet het geval voor gegevens uit commerciële DNA-tests. Bij de ongecontroleerde wereldwijde verspreiding van DNA-gegevens en de mogelijke risico’s daarvan wordt in dit nummer uitgebreid stilgestaan. Teven besteden we aandacht aan het strafrechtelijk gebruik van DNA-data die door commerciële bedrijven zijn vergaard, investigative genetic genealogy (IGG). Ook de successen die daarmee zijn behaald in vastgelopen moordzaken, onder meer in de Verenigde Staten, worden besproken. Het is duidelijk dat lang niet iedereen die materiaal opstuurt naar een DTC-bedrijf een dergelijke toepassing voorziet, en dit gebruik is dan ook omstreden. Omdat DNA per definitie gedeeltelijk identiek is aan het DNA van verwanten, raakt dit niet alleen degenen die ervoor kiezen het DNA in te sturen, maar ook hun familieleden. Verwanten worden echter niet systematisch geïnformeerd en aan verwanten wordt in het algemeen geen toestemming gevraagd. Al met al is de situatie nu zo dat burgers geen universele en onvervreemdbare zeggenschap over hun DNA hebben, terwijl ze de consequenties van de verspreiding van DNA slechts beperkt kunnen overzien. Meerdere auteurs pleiten dan ook voor een grondige discussie over het gebruik van DNA-gegevens. Bij het verzamelen, analyseren en vertalen van DNA-gegevens zou bescherming van privacy wettelijk geregeld moeten zijn en dient genetische discriminatie te worden voorkomen. Ook moeten de verantwoordelijkheden voor degenen die DNA-gegevens toepassen, duidelijk worden omschreven.
    • Wet Langdurig Toezicht - Onderzoeksprogramma naar de toepassingen van de Wet langdurig toezicht in 2017-2022

      Nagtegaal, M.H. (WODC, 2020)
      Er is een nieuwe wet die langdurig toezicht, behandeling en monitoring van ex- delinquenten en -tbs-gestelden regelt, de Wet langdurig toezicht (WLT). De tbs-maatregel kan, indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, worden opgelegd aan personen die vanwege gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis een strafbaar feit hebben gepleegd waar een strafdreiging van vier jaar of meer op staat (art. 37a lid 1 Wetboek van Strafrecht [Sr]). De WLT is deels 1 januari 2017 en deels 1 januari 2018 in werking getreden. Het doel van de WLT is het effectiever toezicht houden op mogelijke recidivisten onder zeden- en zware geweldsdelinquenten en tbs-gestelden. De WLT moet zoals gebruikelijk voor nieuwe wetten na vijf jaar worden geëvalueerd. Daarnaast is aan de Tweede Kamer toegezegd (jaarlijkse) monitoring van de werking van de WLT te verrichten en haar daarover te informeren. In het onderhavige rapport is een onderzoeksprogramma opgesteld dat als startpunt dient voor deze evaluatie.Het huidige rapport kent als doel het schrijven van een meerjarig onderzoeksplan voor jaarlijkse monitoring van de toepassingen van de WLT in 2017-2022 en de effectevaluatie van de WLT in 2023. De onderzoeksvragen zijn: Welke hoofd- en deelvragen over de toepassing en de effecten van de WLT moeten worden opgenomen in het onderzoeksprogramma? Met welke onderzoeksmethoden worden de hoofd- en deelvragen over de toepassingen en de effecten van de WLT beantwoord? Welke hoofd- en deelvragen worden beantwoord in de monitorrondes en wat is de meest geschikte termijn van deze monitoring? Welke hoofd- en deelvragen over de toepassingen en effecten van de WLT worden na vijf jaar beantwoord? Is het van toegevoegde waarde om de toepassingen en effecten van de WLT ook langer dan vijf jaar na inwerkingtreding te evalueren en zo ja, welke termijn(en) is (zijn) dat? Welke organisaties en welke databases worden gebruikt voor de registratie van de toepassing van de drie onderdelen van de WLT? Welke gegevens worden al geregistreerd door de verschillende bij onderzoeksvraag bepaalde instanties en welke gegevens missen nog om jaarlijkse monitoring en de standaardevaluatie van de WLT na vijf jaar mogelijk te maken?