• 25 jaar Van der Hoeven kliniek - De patiëntenpopulatie van de dr. Henri van der Hoevenkliniek in de periode 1955-1977: achtergronden, afloop van de behandeling en recidive

      Emmerik, J.L. van (WODC, 1981)
      Dit interimrapport bevat de beantwoording van vier deelvragen:In hoeverre is de aard van de patiëntenpopulatie, die in de loop der jaren bij de Van der Hoeven Kliniek in behandeling is geweest, veranderd?Welke behandelingsvormen zijn in de Van der Hoeven Kliniek op deze personen toegepast, en hoe heeft de filosofie, die aan de behandeling ten grondslag ligt, hierop ingewerkt?Op grond waarvan is de ex-patiënt ontslagen, en hoe is het daarna verder gegaan?In hoeverre zijn er verbanden te leggen tussen the welzijn van de ex-patiënt op dit moment en de behandeling in de Van der Hoeven Kliniek?
    • Aard en omvang van criminele bestedingen - Eindrapportage

      Unger, B.; Ferwerda, J.; Koetsier, I.; Gjoleka, B.; Saase, A. van; Slot, B.; Swart, L. de (Universiteit Utrecht - Faculteit Recht, Economie Bestuur en Organisatie (REBO), 2018)
      Doel van het onderzoek is om inzicht te bieden in waar geld wordt besteed en hoeveel er jaarlijks in Nederland witgewassen wordt. Hierbij moet rekening worden gehouden met a) de aard en omvang van de bestedingen van uit criminaliteit verkregen inkomsten die (de diverse categorieën) criminelen doen, b) de wijze waarop en de plaatsen waar deze inkomsten neerslaan in de economie en c) de geschatte omvang van het bedrag dat in Nederland is witgewassen als gevolg van in Nederland gepleegde criminaliteit. Daarnaast is d) indicatief nagegaan in welke mate de relatieve omvang van het witwasgeld dat in de Nederlandse economie wordt ingebracht vanuit het buitenland is gewijzigd sinds de laatste schatting uit 2006 en e) in welke mate dat bedrag ook in Nederland neerslaat. INHOUD: 1. Inleiding 2. Bestedingsgedrag van criminelen 3. De omvang van witwassen 4. De effecten van witwassen 5. Discussie omvang witwassen 6. Conclusies en aanbevelingen 7. Literatuurlijst
    • Aard en omvang van dader- en slachtofferschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit in Nederland

      Beerthuizen, M.G.C.J.; Sipma, T.; Laan, A.M. van der (WODC, 2020)
      De Nederlandse samenleving is in hoog tempo gedigitaliseerd. Bijna iedereen maakt dagelijks gebruikt van computer, smartphone of andere vormen van informatie- en communicatietechnologie (ICT). Naast de voordelen die deze digitalisering oplevert is er ook een schaduwzijde—cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit. Cybercriminaliteit betreft delicten waarbij ICT het middel en doel is. Het gaat dan bijvoorbeeld om delicten als hacken en ransomware. Gedigitaliseerde criminaliteit betreft traditionele delicten waarbij ICT als middel wordt ingezet, maar niet het doel is. Daarbij gaat het bijvoorbeeld over (doods)bedreigingen via WhatsApp of aan- en verkoopfraude via Marktplaats.nl. In het huidige rapport wordt uiteengezet wat er bekend is over de aard en omvang van slachtoffer- en daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit binnen de Nederlandse context, vanaf 2008. Hierbij staan de volgende drie vragen centraal: Hoe is de aard van slachtoffer- en daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit geconceptualiseerd? Hoe is slachtoffer- en daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit concreet geoperationaliseerd? Hoe groot wordt de omvang geschat van slachtoffer- en daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit? INHOUD: 1. Inleiding 2. Slachtofferschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit 3. Online bedreigingen in het lokaal bestuur 4. Daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit 5. Aanbieders en afnemers van cybercrime-as-a-service 6. Conclusie en discussie
    • Achtergronden en determinanten van radicalisering en terrorisme

      Pligt, J. van der; Koomen, W. (WODC, 2009)
      In dit rapport wordt een overzicht geboden van factoren die een rol kunnen spelen bij radicalisering en terrorisme in het algemeen en in Nederland in het bijzonder. Daartoe is een model opgesteld dat structuur geeft aan de relevante factoren.
    • Achtergronden en recidive onder daders van high impact crimes veroordeeld in 2002-2015

      Blokdijk, D.; Beijersbergen, K.A.; Weijters, G. (WODC, 2019)
      Het WODC voert sinds medio 2016 een vijfjarig onderzoeksprogramma uit naar de recidive van HIC-daders (Basisprogramma recidiveonderzoek high impact crimes 2016-2021). Eén van de onderdelen van het programma is het periodiek berekenen van de recidive onder alle veroordeelde HIC-daders in Nederland. De eerste recidivemeting binnen dit programma is in 2018 verschenen en had betrekking op HIC-daders veroordeeld in 2002-2013 (K.A. Beijersbergen, D. Blokdijk en G. Weijters, Recidive na high impact crimes: recidive onder daders van high impact crimes veroordeeld in de periode 2002-2013, 2018) - zie link bij: Meer informatie. In dit rapport staan de achtergronden en recidive centraal van daders van woninginbraak, straatroof en overvallen die in de periode 2002 tot en met 2015 onherroepelijk zijn veroordeeld voor een dergelijk delict. De volgende onderzoeksvragen zijn beantwoord: Wat zijn de achtergrondkenmerken van de veroordeelde HIC-daders? Hoe verhouden de achtergrondkenmerken van deze groepen zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders? Wat is het recidivebeeld bij de veroordeelde HIC-daders: welk percentage van de HIC-daders kwam binnen twee jaar na de HIC-strafzaak opnieuw in aanraking met justitie (recidiveprevalentie)? Hoe verhoudt de recidiveprevalentie van deze groepen zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders? Wat is de ontwikkeling van de recidive bij de veroordeelde HIC-daders door de jaren heen, rekening houdend met verschuivingen in de achtergrondkenmerken van de daders over de tijd? Wat is de recidive onder veroordeelde HIC-daders uitgesplitst naar arrondissement, rekening houdend met verschillen in de achtergrond-kenmerken van de daders tussen arrondissementen?
    • Achtergronden en recidive onder daders van high impact crimes veroordeeld in 2002-2016

      Blokdijk, D.; Beijersbergen, K.A. (WODC, 2020)
      Sinds enkele jaren wordt in Nederland de term ‘high impact crimes’ (HIC) gebruikt om delicten aan te duiden die een grote impact op het slachtoffer, diens directe omgeving en het veiligheidsgevoel in de maatschappij hebben. Onder de klassieke HIC-delicten worden (gewelddadige) vermogensdelicten geschaard, om precies te zijn woninginbraak, straatroof en overvallen. Sinds medio 2016 voert het WODC een vijfjarig onderzoeksprogramma uit naar de recidive van HIC-daders. Eén van de onderdelen van het programma is het periodiek berekenen van de recidive onder alle veroordeelde HIC-daders in Nederland. Er zijn twee eerdere recidivemetingen uitgevoerd. Deze hadden betrekking op HIC-daders veroordeeld in 2002-2013 en HIC-daders veroordeeld in 2002-2015 (zie links bij: Meer informatie).In dit rapport staan de achtergronden en recidive centraal van daders van woning-inbraak, straatroof en overvallen die in de periode 2002 tot en met 2016 onherroepelijk zijn veroordeeld voor een dergelijk delict. De volgende onderzoeksvragen zijn beantwoord: Wat zijn de achtergrondkenmerken van de veroordeelde HIC-daders? Hoe verhouden de achtergrondkenmerken van deze groepen zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders? Wat is het recidivebeeld bij de veroordeelde HIC-daders: welk percentage van de HIC-daders kwam binnen twee jaar na de HIC-strafzaak opnieuw in aanraking met justitie (recidiveprevalentie)? Hoe verhoudt de recidive van deze groepen zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders? Wat is de ontwikkeling van de recidive bij de veroordeelde HIC-daders door de jaren heen, rekening houdend met verschuivingen in de achtergrondkenmerken van de daders over de tijd? Wat is de recidive onder veroordeelde HIC-daders uitgesplitst naar de rechtbank waar de zaak is afgedaan, waarbij rekening wordt gehouden met verschillen tussen de rechtbanken in de achtergrondkenmerken van de daders die er zijn berecht?
    • Achtergronden en recidive onder daders van high impact crimes veroordeeld in 2002-2017

      Kros, M.; Beijersbergen, K.A. (WODC, 2021-06)
      Als onderdeel van een vijfjarig onderzoeksprogramma naar de recidive onder HIC-daders (2016-2021) wordt jaarlijks verslag gedaan van de achtergronden en reci-dive van daders van woninginbraak, straatroof en overvallen die zijn veroordeeld voor een dergelijk delict. De huidige studie betreft een vervolg op drie eerdere recidivemetingen onder alle veroordeelde HIC-daders in Nederland in 2002-2013, 2002-2015, en 2002-2016, en de haalbaarheidsstudie naar regionale recidivecijfers onder veroordeelde HIC-daders. De volgende onderzoeksvragen zijn beantwoord: 1 Wat zijn de achtergrondkenmerken van de veroordeelde HIC-daders in 2017 in Nederland? Hoe verhouden de achtergrondkenmerken van deze groepen zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders in 2017? 2 Welk percentage van de HIC-daders veroordeeld in 2017 kwam binnen twee jaar na de HIC-strafzaak opnieuw in aanraking met justitie (recidiveprevalentie)? Hoe verhoudt de recidive van HIC-daders zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders in 2017? 3 Wat is de ontwikkeling van de recidive bij de veroordeelde HIC-daders in 2008 tot en met 2017, rekening houdend met verschuivingen in de achtergrondkenmerken van de daders over de tijd? 4 Wat is de recidive onder veroordeelde HIC-daders in 2015 tot en met 2017 uitgesplitst naar de rechtbank waar de zaak is afgedaan, rekening houdend met verschillen tussen de rechtbanken in de achtergrondkenmerken van de daders die er zijn berecht?
    • Achtergronden en recidive onder daders van huiselijk geweld veroordeeld in 2008-2015

      Blokdijk, D.; Beijersbergen, K.A.; Weijters, G. (WODC, 2019)
      Sinds 15 à 20 jaar wordt huiselijk geweld erkend als een groot maatschappelijk probleem en staat het hoog op de politieke agenda in Nederland. Middels verschillende beleidsprogramma’s is en wordt getracht dit gezondheids- en veiligheidsprobleem aan te pakken. Het belangrijkste doel van de programma’s is het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld. In dit rapport staan de achtergronden en recidive centraal van daders van huiselijk geweld (HG-daders) die in de periode 2008 tot en met 2015 onherroepelijk zijn veroordeeld voor een dergelijk delict. De onderhavige studie maakt deel uit van een vijfjarig onderzoeksprogramma naar de recidive onder HG-daders dat medio 2016 van start is gegaan. De huidige studie betreft een vervolg op een eerdere recidivemeting onder alle HG-daders in Nederland die in 2008 tot en met 2013 hiervoor veroordeeld zijn (zie link bij: Meer informatie). De volgende onderzoeksvragen zijn beantwoord: Wat zijn de achtergrondkenmerken van de veroordeelde HG-daders? Hoe verhouden de achtergrondkenmerken van deze groep zich tot de kenmerken van alle veroordeelde daders? Wat is het recidivebeeld van veroordeelde HG-daders: welk deel van de HG-daders kwam binnen twee jaar na de strafzaak opnieuw in aanraking met justitie (recidiveprevalentie)? Hoe verhoudt de recidiveprevalentie van deze groep zich tot de recidiveprevalentie van alle veroordeelde daders? Wat is de ontwikkeling van de recidive bij de veroordeelde HG-daders door de jaren heen rekening houdend met verschuivingen in de achtergrondkenmerken van de daders over de tijd?
    • Achtergronden en recidive onder daders van huiselijke geweld veroordeeld in 2008-2017

      Piersma, T.W.; Beijersbergen, K.A. (WODC, 2021-06)
      In dit rapport staan de achtergronden en recidive centraal van daders van huiselijk geweld (HG-daders) die in de periode 2008 tot en met 2017 zijn veroordeeld voor een huiselijk-gewelddelict. De onderhavige studie maakt deel uit van een vijfjarig onderzoeksprogramma naar de recidive onder HG-daders dat medio 2016 van start is gegaan en medio 2021 afloopt. De huidige studie betreft de derde en laatste in de reeks recidivemetingen onder alle HG-daders in Nederland, na eerder de HG-daders tussen 2008 en 2013, en 2008 en 2015 in kaart te hebben gebracht. In deze studie wordt daarnaast, als uitbreiding op de eerdere recidivemetingen, ook gerapporteerd over specifieke groepen HG-daders en hun recidive (i.e., daders veroordeeld voor partnermishandeling, oudermishandeling en kindermishandeling). De volgende drie onderzoeksvragen zijn beantwoord: 1 Wat zijn de achtergrondkenmerken van veroordeelde daders van huiselijk geweld in 2017 in Nederland, en hoe verhouden deze kenmerken zich tot die van de totale groep van veroordeelde daders in 2017 in Nederland? 2 Welk deel van de daders van huiselijk geweld veroordeeld in 2017 kwam binnen twee jaar na de strafzaak opnieuw in aanraking met justitie (recidiveprevalentie)? 3 Wat is de ontwikkeling van de recidive onder veroordeelde daders van huiselijk geweld in 2008 tot en met 2017 rekening houdend met verschuivingen in de achtergrondkenmerken van de daders over tijd?
    • Achterlopende ontwikkeling - Het begrip 'onvoltooide ontwikkeling' in de toepassing van het adolescentenstrafrecht

      Spanjaard, H.J.M.; Filé, L.L.; Noom, M. J.; Buysse, W.H. (Spanjaard Development & Training, 2020)
      Het adolescentenstrafrecht (ASR) is in werking getreden op 1 april 2014. Sinds deze datum is er voor personen in de leeftijd van 16 tot 23 jaar een flexibele toepassing mogelijk van sancties uit het jeugd- en volwassenenstrafrecht. Afhankelijk van de condities ‘persoon van de dader’ en ‘omstandigheden waarin het feit is gepleegd’ kan bij een strafzaak tegen een jongvolwassene gekozen worden voor de toepassing van een sanctie uit het jeugdstrafrecht (JSR) of uit het volwassenenstrafrecht (VSR). Bij personen van 18 tot en met 22 jaar die verdacht worden van een strafbaar feit is de vraag aan de orde in hoeverre er sprake is van ‘onvoltooide ontwikkeling’. Is hier sprake van, dan vormt dit volgens de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel invoering ASR een reden om een sanctie op te leggen uit het jeugdstrafrecht in plaats van het volwassenenstrafrecht. De invulling van het begrip ‘onvoltooide ontwikkeling’ heeft de wetgever overgelaten aan de praktijk. In de praktijk blijft er echter onduidelijkheid bestaan over de vraag wanneer er sprake is van ‘onvoltooide ontwikkeling’. Dit bemoeilijkt de keuze voor toepassing van sancties uit het JSR of sancties uit het VSR. Het doel van dit onderzoek was om meer helderheid te verschaffen over het begrip ‘onvoltooide ontwikkeling’ en de wijze waarop dit gebruikt kan worden bij de toepassing van het adolescentenstrafrecht. INHOUD: 1. Aanleiding voor dit onderzoek 2. Onderzoeksvragen en methode van onderzoek 3. Ontwikkelingen tijdens de adolescentie en jongvolwassenheid 4. Dimensies en signalen 5. Vergelijking van de dimensies en signalen met de items uit de huidige instrumenten 6. Afstemming tussen huidige instrumenten en tussen ketenpartners bij de afweging ASR 7. Samenvatting, conclusies en discussie
    • Adolescentenstrafrecht - Kenmerken van de doelgroep, de strafzaken en de tenuitvoerlegging

      Prop, L.J.C.; Laan, A.M. van der; Barendregt, C.S.; Beerthuizen, M.G.C.J.; Nieuwenhuizen, Ch. van (WODC, 2018)
      Op 1 april 2014 is het adolescentenstrafrecht (ASR) in werking getreden. Met het adolescentenstrafrecht beoogt de wetgever een flexibele toepassing van het jeugd- en volwassenenstrafrecht rond de leeftijd van 18 jaar. Centraal in het adolescentenstrafrecht staat de speciale bejegening van jongvolwassen daders in de leeftijd 18 tot 23 jaar in het strafrecht. Onder bepaalde condities kan de rechter besluiten om een 18- tot 23-jarige volgens het jeugdstrafrecht te sanctioneren (artikel 77c Wetboek van Strafrecht (Sr.)). Deze condities zijn: de ‘persoon van de dader’ en ‘omstandigheden waaronder een delict is gepleegd.Het doel van dit onderzoek is tweeledig. Ten eerste is het doel meer inzicht te krijgen in hoe – door beleid, ketenpartners en wetenschap – de doelgroep van jongvolwassenen, die volgens het jeugdstrafrecht kunnen worden gesanctioneerd, wordt omschreven. Daarbij is nagegaan in hoeverre de doelgroep zoals die door beleid is beoogd, overeenstemt met hoe deze groep door de praktijk wordt omschreven. Een duidelijke omschrijving van de doelgroep is immers van belang voor de selectie van de doelgroep en een advies over welke sancties of interventies geschikt zouden kunnen zijn. Het tweede doel is inzicht krijgen in de kenmerken van 18- tot 23-jarigen die volgens het jeugdstrafrecht zijn gesanctioneerd. Het gaat dan om de in de praktijk gerealiseerde doelgroep van jongvolwassenen met een jeugdsanctie. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methode van onderzoek 3. Beleid, praktijk en wetenschap 4. Kenmerken van de onderzoeksgroepen 5. Discussie en conclusie
    • Alternatieve sancties en andere strafrechtelijke afdoeningsvormen voor jeugdigen - Een vergelijkend onderzoek naar alternatieve sancties en andere afdoeningsvormen voor strafrechtelijk minderjarigen - 3e rapport

      Laan, P.H. van der; Hecke, Th.A.G. van; Klifman, J.H. (medew.); Lindt, H.M.A.J. van (medew.) (WODC, 1985)
      Dit derde rapport gaat nader in op de alternatieve sancties en haar kenmerken door de groep alternatief gestrafte jongeren te vergelijken met jongeren van wie in dezelfde periode de zaak is afgedaan met een onvoorwaardelijk sepot en met jongeren die in die periode een traditionele, reeds langer bestaande sanctie hebben gekregen. Tevens wordt nagegaan of door het introduceren van alternatieve sancties meer jongeren dan voorheen in het justitiele circuit terecht zijn gekomen. Deze vergelijkingen hebben tot doel vast to stellen of er van de alternatieve sancties een 'aanzuigende working' of, zoals het ook wel wordt genoemd, 'net-widening' uitgaat. INHOUD: 1. Inleiding 2. De CBS-gegevens 3. Het vergelijkend dossieronderzoek 4. Samenvatting en discussie
    • Alternatieve sancties onderzocht - Eindrapport van het evaluatieonderzoek alternatieve sancties voor jeugdigen

      Laan, P.H. van der; Hecke, Th.A.G. van; Klifman, J.H. (medew.); Lindt, H.M.A.J. van (medew.) (WODC, 1986)
      De inhoud van dit eindrapport ziet er als volgt uit. In hoofdstuk 2 wordt stil gestaan bij de organisatie en uitvoering van alternatieve sancties. In hoofdstuk 3 komt de vergelijking tussen enerzijds de alternatieve sancties en anderzijds de andere afdoeningsvormen aan de orde. Dat leidt onder meer tot de beantwoording van de belangrijke vraag, of er van alternatieve sancties een aanzuigende werking is uitgegaan; d.w.z. of er meer jongeren in het justitiële circuit terecht zijn gekomen dan het geval zou zijn geweest zonder die afdoeningsmogelijkheid? In hoofdstuk 4 passeren de meest in het oog springende uitkomsten van de napeiling de revue. In hoofdstuk 5 ten slotte volgt een slotbeschouwing, waarin enkele conclusies worden getrokken en ook enkele aanbevelingen worden geformuleerd. INHOUD: 1. Inleiding 2. Organisatie en uitvoering van alternatieve sancties 3. Alternatieve sancties en andere afdoeningsvormen 4. Napeiling 5. Slotbeschouwing
    • Alternatieve sancties voor jeugdigen - Meningen en verwachtingen: 1e deelrapport

      Laan, P. van der; Lindt, H. van; Erftemeijer, L. (medew.); Mertens, M. (medew.); Nabben, A. (medew.); Osterhaus, M. (medew.); Vermeer, M. (medew.) (WODC, 1983)
      Dit is het eerste rapport van het onderzoekproject “Alternatieve sancties voor jeugdigen”. De alternatieve sancties kennen twee vormen: werkprojecten of dienstverlening en leerprojecten. In dit rapport wordt verslag van het eerste deel van het onderzoek. Dit eerste deel bestaat uit een peiling onder personen en instanties die mogelijkerwijs betrokken raken bij alternatieve sancties voor jeugdigen. Hun werd naar meningen en verwachtingen gevraagd aangaande een aantal aspecten van deze alternatieve sancties. INHOUD: Deel I: Verslag van het vooronderzoek 1. Kader 2. Resultaten Deel II: Enige leerprojecten 1. Leerprojecten in Engeland 2. Leerprojecten in de Verenigde Staten 3. Leerprojecten in Nederland 4. Literatuur
    • Alternatieve sancties voor jeugdigen - Organisatie en uitvoering; 2e rapport

      Laan, P.H. van der; Hecke, Th.A.G. van; Klifman, J.H. (medew.); Lindt, H.M.A.J. van (medew.) (WODC, 1985)
      Teneinde zicht te krijgen op de organisatie en uitvoering van de alternatieve sancties in de diverse proefarrondissementen is gedurende een bepaalde periode van alle alternatieve sancties een aantal basisgegevens verzameld. Het gaat hierbij om een aantal persoonlijke gegevens en delictgegevens van de jongere in kwestie, om gegevens met betrekking tot het justitieel verleden van de jongere, evenals om gegevens omtrent het justitieel kader waarin de alternatieve sanctie is opgelegd en de uiteindelijke afdoening van de zaak. Tevens word in alle gevallen geregistreerd welke alternatieve sanctie de jongere opgelegd kreeg en hoe het project afliep. Daarnaast is gepoogd in zoveel mogelijk gevallen waarin eon alternatieve sanctie word opgelegd, van een aantal direct betrokken personen eon interview af to nemen. Op deze wijze konden de ervaringen van die direct betrokkenen geïnventariseerd worden, zodat eventuele knelpunten en negatieve bij-effecten in de gang van zaken rond alternatieve sancties zichtbaar werden. De personen die bij iedere alternatieve sanctie (idealiter) geïnterviewd werden, zijn: de coordinator, de projectbegeleider, de rechter of de OvJ (Officier van Justitie) die de alternatieve sanctie oplegde en de jongere zelf. INHOUD: Deel I: Organisatie 1. De organisatie 2. Tijdlijnen Deel II: Uitvoering 1. De alternatieve sancties 2. De jongeren 3. Delictgegevens 4. Justitieel verleden 5. Justitieel kader 6. Definitieve afdoening 7. Ervaringen Deel III: Slotbeschouwing 1. Organisatorische aspecten 2. Profiel van alternatief gestrafte jongeren 3. Toepassing van alternatieve sancties 4. Alternatieve sancties en hun betekenis voor de betrokkenen 5. Slot
    • Ambtelijke corruptie

      Lasthuizen, K.; Sikkema, E.; Nelen, J.M.; Graaf, G. de; Maat, J.H.; Sissener, T.K.; Jong, M. de; Hulten, M. van (WODC, 2005)
      ARTIKELEN: 1. L.W.J.C. Huberts en K. Lasthuizen - Tussen corruptie en corruptieparadox; over de omvang van corruptie in Nederland 2. E. Sikkema - Ambtelijke corruptie in de strafwetgeving 3. J.M. Nelen - De strafrechtelijke afdoening van ambtelijke corruptie 4. G. de Graaf - De corrupte functionaris; zijn omkoper en hun relatie 5. J.H. Maat - Buitenlandse corruptie en de aanpak door de Rijksrecherche 6. T.K. Sissener - De vele gezichten van corruptie; een antropologische kijk 7. M. de Jong - De strijd van de Wereldbank tegen fraude en corruptie 8. Boekrecensie - M. van Hulten over Michael Johnston: Syndroms of corruptions SAMENVATTING: In dit themanummer zijn drie artikelen opgenomen die geschreven zijn op basis van het onderzoek 'Corruptie in het Nederlandse openbaar bestuur', uitgevoerd door de VU-wetenschappers Huberts en Nelen in opdracht van het WODC. Uit deze artikelen wordt duidelijk dat bestraffing van corruptie relatief weinig voorkomt en dat rechters bovendien vaak milde straffen opleggen. Daarnaast blijkt bestrijding van ambtelijke corruptie veelal geen hoge prioriteit te hebben. Behalve voor de Nederlandse situatie is er ook aandacht voor de inspanningen op internationaal niveau in de strijd tegen corruptie, alsmede voor de vraag in hoeverre er bij de bestrijding van corruptie rekening moet worden gehouden met culturele verschillen.
    • Antisociaal gedrag van jongeren online

      Broek, T.C. van der; Weijters, G.; Laan, A.M. van der (WODC, 2014)
      Dit is het verslag van een deelstudie over de mate waarin jongeren in de leeftijd van 10 tot en met 17 jaar zelf online antisociaal gedrag rapporteren. Hieronder wordt verstaan het onbetaald downloaden van illegaal aangeboden software en muziek, het opzettelijk versturen van virussen en het bedreigen van iemand via sms, email of een chatprogramma. Het onderzoek is verricht op basis van gegevens uit de Monitor Zelfgerapporteerde Jeugdcriminaliteit (metingen 2005 en 2010). Het hoofdonderzoek is verricht door de Universiteit Twente (zie link bij: Meer informatie).
    • Autodiefstal

      Junger-Tas, J. (WODC, 1976)
      Dit onderzoek richt zich voornamelijk op het preventieve vlak. Het wil onderzoeken onder welke omstandigheden en voorwaarden het delict plaatsvindt, om dan op basis van die informatie te kunnen komen tot voorstellen inzake preventieve maatregelen.
    • AVC-Proloog - Een effectevaluatie

      Leuw, Ed.; Brouwers, M. (WODC, 1995)
      In het arrondissement Assen wordt sinds maart 1991 de 'AVC-proloog' uitgevoerd. Dit is een verkorte Alcohol Verkeer Cursus (AVC), bestemd voor alcohol-verkeersdelinquenten met een ademalcoholgehalte van niet meer dan 570 mcg. Het gaat dus om een in vergelijking met de gewone AVC's 'lichtere' alternatieve sanctie, bedoeld voor een 'lichtere' groep overtreders van de alcohol-verkeersbepalingen. In dit onderzoek wordt een vergelijking gemaakt tussen de AVC en de AVC-proloog. Er wordt ingegaan op: kenmerken van de deelnemers; effecten van de cursus op kennis, attitude en gedrag; alcohol-verkeersgedrag. INHOUD: 1. Inleiding 2. De AVC en de AVC-Proloog als alternatieve sanctie 3. Het onderzoek 4. Kenmerken van de deelnemers 5. De effecten van de cursus op kennis, attitude en gedrag 6. Alcohol-verkeersgedrag
    • Bedreigen en intimideren van OM- en politiemedewerkers - Een onderzoek naar frequentie, aard, gevolgen en aanpak

      Torre, E.J. van der; Gieling, M.; Bruinsma, M.Y.; Jans, M. (medew.); Linden, M. van der (medew.) (Politieacademie, 2013)
      Dit onderzoek gaat over (de omgang met) situaties waarbij burgers, politie- of OM-medewerkers bedreigen of intimideren. De hoofdvraag luidt: Wat zijn de aard, frequentie en gevolgen van bedreiging of intimidatie van medewerkers van de politie en het Openbaar Ministerie en wat is het gewenste, ondervonden en bewezen effectieve beleid om bedreigingen en intimidatie te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken? INHOUD: 1. Inleiding 2. Over de frequentie, aard en gevolgen 3. Over de aanpak en effectiviteit 4. Bedreigingen en intimidatie: frequentie en aard 5. Bedreigingen en intimidatie: de gevolgen 6. Bedreigingen en intimidatie: de reactie 7. Het OM: casus 8. Het OM: reflectie op de casus 9. De politie: casus 10. De politie: reflectie op de casus 11. Onderzoeksvragen: de antwoorden