• Evaluatie artikel 8:69a Awb en artikel 6:22 Awb - Een onderzoek naar het relativiteitsvereiste en het passeren van gebreken in de (rechts)praktijk

      Nijmeijer, A.G.A.; Schueler, B.J.; Groothuijse, F.A.G.; Hillegers, S.; Lam, T.E.P.A.; Ortlep, R.; Schlössels, R.J.N. (Radboud Universiteit - Vaksectie Bestuursrecht, 2015)
      De regels in het bestuursprocesrecht zijn per 1 januari 2013 gewijzigd door de inwerkingtreding van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Wab). In de Wab is een reeks wijzigingen van het bestuursprocesrecht samengebracht. Door de invoering van het nieuwe artikel 8:69a Awb geldt nu voor alle bestuursrechtzaken het zogeheten relativiteitsvereiste. Dit houdt in dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond van strijdigheid met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Daarnaast zijn de mogelijkheden voor bestuursorganen en bestuursrechters om gebreken in besluiten te passeren (6:22 Awb) verruimd. Deze twee artikelen zijn onderwerp van dit onderzoek. De evaluatie van het nieuwe art. 6:22 Awb is mondeling toegezegd in de Eerste Kamer (Eerste Kamerstukken, Handelingen I 2012/13, nr 12, item 20, 17 december 2012) en die van art. 8:69a wordt voorgeschreven in art. 1a van deel C van de Wab. De Minister van VenJ heeft de Eerste Kamer toegezegd dat bij de evaluatie van art. 8:69a de rechtsbescherming van de burger centraal zal staan. INHOUD: 1. Inleiding 2. Parlementaire geschiedenis artikel 1.9 Chw en artikel 8:69a Awb 3. Het relativiteitsvereiste in de literatuur 4. Jurisprudentie over het relativiteitsvereiste 5. Resultaten interviews relativiteitsvereiste 6. Conclusies met betrekking tot het relativiteitsvereiste 7. Parlementaire geschiedenis artikel 1.5 Chw en artikel 6:22 Awb 8. Het passeren van gebreken: literatuur 9. Jurisprudentie over artikel 6:22 Awb 10. Resultaten interviews artikel 6:22 Awb 11. Conclusies met betrekking tot artikel 6:22 Awb
    • Kind in proces: van communicatie naar effectieve participatie - Het hoorrecht en de procespositie van minderjarigen in familie- en jeugdzaken

      Bruning, M.R.; Smeets, D.J.H.; Bolscher, K.G.A.; Peper, J.S.; Boer, R. de; Alink, L.R.A. (medew.); Crone, E.A.M. (medew.); Doek, J.E. (medew.); Mesman, J. (medew.); Zon, K.A.M. van der (medew.) (Universiteit Leiden - Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 2020)
      Ondanks dat de minder jarige in beginsel niet procesbekwaam is in civielrechtelijke procedures, moet de minderjarige wel worden betrokken in familie- en jeugdprocedures (boek 1 BW). Dit is voor minderjarigen van twaalf jaar en ouder vormgegeven met een zogenoemd hoorrecht. In dit onderzoek staat de vraag centraal of het mogelijk dan wel wenselijk is om de formele procespositie en het hoorrecht van de minderjarige in het Nederlandse civiele procesrecht uit te breiden en zo ja, op welke wijze. Hierbij wordt onderzocht wat de pedagogische en juridische voor- en nadelen daarvan zouden zijn. Dit onderzoek omvat derhalve twee aspecten: (I) het hoorrecht van minderjarigen in familie- en jeugdprocedures en (II) de procespositie van minderjarigen in familie- en jeugdprocedures. INHOUD: 1. Inleiding 2. Juridische analyse van de procespositie en het hoorrecht van minderjarigen 3. Inzichten van de pedagogische wetenschappen en de neuropsychologie 4. Praktijkonderzoek naar ervaringen met de civiele procespositie van minderjarigen 5. Naar een uitbreiding van de formele procespositie en het hoorrecht