• Een veld in beeld - Een beschrijving van het werk in de justitiële behandelinrichtingen

      Boendermaker, L.; Verwers, C. (WODC, 1996)
      In dit rapport wordt een beschrijving gegeven van het werk in een specifieke sector van de justitiële jeugdinrichtingen: de behandelinrichtingen. In het eerste deel van het rapport wordt een beschrijving gegeven van de inrichtingen, hun organisatie en de behandelprogramma's van elke inrichting. In het tweede deel van het rapport komen de afzonderlijke onderdelen van het dagprogramma aan de orde: het verblijf in de groep, onderwijs en opleiding en therapie en vrijetijdsbesteding. In hoofdstuk 2 wordt een korte beschrijving gegeven van de tien inrichtingen en komt de organisatie aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de theoretische fundering van de behandeling in elk van de inrichtingen en op de opbouw van het behandelingsproces in verschillende fasen, met elk eigen doelen en vrijheden. In hoofdstuk 4 wordt de planning van de behandeling beschreven en komen de in de behandelplannen gestelde doelen aan de orde. In hoofdstuk 5 gaan de auteurs in op het dagelijkse leven in de leefgroepen en andere, meer geïndividualiseerde afdelingen. Hoofdstuk 6 behandelt de praktijk binnen het onderwijs en de werkplaatsen en in hoofdstuk 7 wordt ingegaan op het therapie-aanbod van de inrichtingen en de activiteiten in de vrije tijd. In hoofdstuk 8 wordt aandacht besteed aan de recente veranderingen in het veld van de justitiële behandelinrichtingen. Hoofdstuk 9 bevat een slotbeschouwing.
    • Eind goed, al goed? - De leefsituatie van jongeren een jaar na vertrek uit een justitiële behandelinrichting

      Boendermaker, L. (WODC, 1998)
      Nederland kent zeventien justitiële jeugdinrichtingen waar door de rechter opgelegde straffen en maatregelen ten uitvoer gelegd worden. Er zijn twee soorten van justitiële jeugdinrichtingen: opvang- en behandelinrichtingen. In dit rapport wordt in kaart gebracht hoe jongeren er een jaar na vertrek uit een behandelinrichting aan toe zijn. Daarbij wordt aandacht besteed aan hun dagbesteding, aan hun woon- en financiële situatie, aan ingrijpende gebeurtenissen die in het jaar na vertrek hebben plaatsgevonden en aan begeleiding na hun vertrek. Ook wordt nagegaan of er een jaar na vertrek sprake is van recidive en/of andere (psychische of gedrags-)problemen. De gegevens van de uit de behandelinrichtingen vertrokken jongeren worden telkens afgezet tegen die van andere tehuisverlaters en informatie uit onderzoek onder de jeugd in Nederland.
    • Jeugdigen in justitiële behandelinrichtingen - Een analyse in het kader van de motie Duykers

      Rietveld, M.; Hilhorst, N.; Dijk, B. van (Van Dijk, Van Soomeren en Partners (DSP-groep), 2000)
      Het onderzoek richt zich op de vraag of de kenmerken van strafrechtelijk en civielrechtelijk geplaatsten, verschillen vertonen en hoe de ontwikkeling sedert 1993 is geweest. Uit het onderzoek blijkt dat jeugdigen die geplaatst zijn met een civiele maatregel (OTS'ers) jonger zijn dan de jeugdigen met een strafrechtelijke maatregel (PIJ'ers). PIJ'ers hebben over het algemeen voor plaatsing meer delicten gepleegd; het verschil is het grootst bij gewelds-, vermogens- en vuurwapenmisdrijven. Verder staan de jongeren in dit onderzoek voor meer delicten geregistreerd dan in het onderzoek van Boendermaker uit 1993. De onderzoekers schrijven dit in het bijzonder toe aan de verbeterde HKS-registratie. Ook is het totaal van de problemen die de jongeren hebben, zwaarder dan ten tijde van het onderzoek van Boendermaker. In het algemeen gesproken zijn echter geen grote verschillen gevonden tussen beide groepen geplaatsten. De waardering van de beperkte verschillen bepaalt de eraan te verbinden beleidsgevolgen.
    • Jongeren in justitiële behandelinrichtingen

      Boendermaker, L. (WODC, 1995)
      In dit rapport wordt verslag gedaan van de resultaten van een onderzoek naar de populatie in de elf justitiële behandelinrichtingen voor jeugdigen die ons land kent. Het populatieonderzoek is het eerste deel van het onderzoek Justitiële behandelinrichtingen: populatie, behandeling en follow-up. In dit rapport wordt de populatie in justitiële behandelinrichtingen beschreven en komt de problematiek uitgebreid aan de orde. Daarbij staan drie vragen centraal: in hoeverre verschillen jongeren in justitiële behandelinrichtingen van jongeren in andere, niet-justitiële inrichtingen; zijn binnen de populatie van de justitiële behandelinrichtingen verschillende typen jongeren te onderscheiden, met bijvoorbeeld elk een eigen problematiek; verschillen de justitiële behandelinrichtingen onderling. Om deze vragen te kunnen beantwoorden is informatie verzameld uit de dossiers van de 338 jongeren die in 1993 opgenomen zijn in een justitiële behandelinrichting. Daarnaast is er kort na opname aan jongeren gevraagd een aantal gestandaardiseerde vragenlijsten in te vullen. INHOUD: 1. Inleiding 2. Jongeren en hun problematiek bij opname 3. De typen nader bekeken 4. Verschillen tussen inrichtingen 5. Vergelijking met jongeren buiten de justitiële behandelinrichtingen 6. Conclusies en discussie
    • Programma-evaluatie van Den Engh - Opvoeden en overleven in een groep

      Heerwaarden, Y. van; Hilhorst, N.; Slabbèrtje, A.; Hermanns, J. (medew.); Klooster, E. (medew.) (WODC, 2005)
      In Den Engh verblijven licht verstandelijk gehandicapte jongeren die met justitie in aanraking zijn gekomen. Het zijn zowel jongeren met een strafrechtelijke maatregel (PIJ) als een civielrechtelijke maatregel (OTS of voogdij met gesloten uithuisplaatsing). Voor deze groep heeft Den Engh 160 plaatsen beschikbaar. Daarnaast heeft Justitie sinds 2003 36 extra plaatsen in Den Engh beschikbaar gesteld voor jeugdige veelplegers. De programma-evaluatie richtte zich specifiek op de zogenoemde Socio Groeps Strategie (SGS-methodiek) voor de doelgroep licht verstandelijk gehandicapte jongeren. Het experimentele programma voor veelplegers dat een afgeleide is van de SGS-methodiek is nog in ontwikkeling. Om die reden is dat onderdeel in dit onderzoek slechts in beschrijvende zin meegenomen en nog niet getoetst.
    • Recidive na verblijf in een JBI - een vervolgstudie naar de geregistreerde criminaliteit onder jongeren uit een justitiële behandelinrichting

      Heiden - Attema, N. van der; Wartna, B.S.J. (WODC, 2000)
      In deze notitie wordt verslag gedaan van een recidivestudie die gezien kan worden als een vervolg op het onderzoek van Boendermaker (Eind goed, al goed?) Verslag wordt gedaan van de resultaten van een recidivemeting over een langere periode: tot 5 jaar na het vertrek uit de behandelinrichting. In hoofstuk 2 wordt uit de doeken gedaan hoe de gegevensverzameling is verlopen en welke analyses zijn verricht. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van de  recidivemeting gepresenteerd. Hierbij wordt aandacht besteed aan de prevalentie en snelheid van recidiveren, en ook aan de frequentie en de ernst daarvan. In hoofdstuk 4 worden de uitkomsten besproken en worden conclusies getrokken.
    • Replicatie recidivemeting JJI Den Engh - De uitkomsten van de SocioGroepsStrategie in termen van strafrechtelijke recidive

      Wartna, B.S.J.; Kalidien, S.; Essers, A.A.M. (WODC, 2006)
      Justitiële jeugdinrichting Den Engh is bestemd voor de behandeling van 'gedragsgestoorde en/of criminele jongens die functioneren op zwakbegaafd niveau. Sinds enige jaren worden in Den Engh gewerkt met de zogenaamde SocioGroepsStrategie (SGS). Deze rapportage (9 pagina's) in het kader van de WODC-recidivestudies richt zich op de uitstroomresultaten van de SGS in termen van strafrechtelijke recidive.
    • Rol van de leefgroep in de behandeling - Kwalitatief onderzoek naar de afstemming tussen individuele behandeling op de leefgroep in een forensische setting

      Buysse, W.; Swami-Persaud, A.; Hofstra, D.; Aalst, M. van; Szytniewski, B. (DSP-groep, 2019)
      Doel van dit onderzoek is inzicht geven in het doel, de rol en de positie van de gemeenschappelijke leefgroep als onderdeel van de behandeling van justitiabelen in de praktijk. Op basis daarvan formuleren we verbeteropties voor de relatie tussen de leefgroep en de individuele behandeling. In dit onderzoek staan de volgende hoofdvragen centraal: Wat is de visie van DJI en de forensische instellingen op de rol van de leefgroep in de behandeling, en de afstemming tussen de individuele behandeling en de behandeling op de leefgroep? Hoe wordt in de praktijk invulling gegeven aan de rol van de leefgroep en de relatie tussen de individuele behandeling en de behandeling op de leefgroep? Hoe verhoudt de praktijksituatie in de verschillende instellingen zich tot de visie van DJI en/of de instellingen? Wat zijn de overeenkomsten en verschillen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Visie en theorie 3. De praktijk 4. Visie versus praktijk: uitwerking van de werkzame elementen 5. Conclusie en verbeteropties