• Achterlopende ontwikkeling - Het begrip 'onvoltooide ontwikkeling' in de toepassing van het adolescentenstrafrecht

      Spanjaard, H.J.M.; Filé, L.L.; Noom, M. J.; Buysse, W.H. (Spanjaard Development & Training, 2020)
      Het adolescentenstrafrecht (ASR) is in werking getreden op 1 april 2014. Sinds deze datum is er voor personen in de leeftijd van 16 tot 23 jaar een flexibele toepassing mogelijk van sancties uit het jeugd- en volwassenenstrafrecht. Afhankelijk van de condities ‘persoon van de dader’ en ‘omstandigheden waarin het feit is gepleegd’ kan bij een strafzaak tegen een jongvolwassene gekozen worden voor de toepassing van een sanctie uit het jeugdstrafrecht (JSR) of uit het volwassenenstrafrecht (VSR). Bij personen van 18 tot en met 22 jaar die verdacht worden van een strafbaar feit is de vraag aan de orde in hoeverre er sprake is van ‘onvoltooide ontwikkeling’. Is hier sprake van, dan vormt dit volgens de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel invoering ASR een reden om een sanctie op te leggen uit het jeugdstrafrecht in plaats van het volwassenenstrafrecht. De invulling van het begrip ‘onvoltooide ontwikkeling’ heeft de wetgever overgelaten aan de praktijk. In de praktijk blijft er echter onduidelijkheid bestaan over de vraag wanneer er sprake is van ‘onvoltooide ontwikkeling’. Dit bemoeilijkt de keuze voor toepassing van sancties uit het JSR of sancties uit het VSR. Het doel van dit onderzoek was om meer helderheid te verschaffen over het begrip ‘onvoltooide ontwikkeling’ en de wijze waarop dit gebruikt kan worden bij de toepassing van het adolescentenstrafrecht. INHOUD: 1. Aanleiding voor dit onderzoek 2. Onderzoeksvragen en methode van onderzoek 3. Ontwikkelingen tijdens de adolescentie en jongvolwassenheid 4. Dimensies en signalen 5. Vergelijking van de dimensies en signalen met de items uit de huidige instrumenten 6. Afstemming tussen huidige instrumenten en tussen ketenpartners bij de afweging ASR 7. Samenvatting, conclusies en discussie
    • Agressie en psychische stoornissen bij meisjes in justitiële jeugdinrichtingen

      Hamerlynck, S.M.J.J.; Doreleijers, Th.A.H.; Cohen-Kettenis, P.T.; Vermeiren, R.; Nauta-Jansen, L.M.C. (WODC (subsidie), 2006)
      In dit onderzoek zijn meisjes in gesloten justitiële jeugdinrichtingen (JJI) gevraagd deel te nemen aan het onderzoek. Onder andere zijn de sociaaldemografische, psychopathologische en aggressiegerelateerde kenmerken van meisjes van 12 to 18 jaari onderzocht d.m.v. dossieronderzoek, zelfrapportagevragenlijsten, een intelligentieonderzoek en een psychiatrisch interview. Meisjes in JJI’s kenmerken zich door het frequent voorkomen van psychopathologie, risicogedrag en ernstige traumata. Daarnaast blijkt de mate van agressie samen te gaan met de mate van psychopathologie en risicogedrag; civielrechtelijk geplaatste meisjes zijn in een aantal opzichten te onderscheiden van strafrechtelijk geplaatste meisjes.
    • Agressie in de inrichtingen

      Unknown author (WODC, 1982)
      Deze aflevering is gewijd aan agressie in de inrichtingen. Vooral de studiedagen T.B.R. 1981, waarin dit thema centraal stond, zijn aanleiding geweest tot het samenstellen van dit nummer. Vanuit zeer verschillende invalshoeken wordt het onderwerp hier nader belicht.
    • Antisociaal gedrag van jongeren online

      Broek, T.C. van der; Weijters, G.; Laan, A.M. van der (WODC, 2014)
      Dit is het verslag van een deelstudie over de mate waarin jongeren in de leeftijd van 10 tot en met 17 jaar zelf online antisociaal gedrag rapporteren. Hieronder wordt verstaan het onbetaald downloaden van illegaal aangeboden software en muziek, het opzettelijk versturen van virussen en het bedreigen van iemand via sms, email of een chatprogramma. Het onderzoek is verricht op basis van gegevens uit de Monitor Zelfgerapporteerde Jeugdcriminaliteit (metingen 2005 en 2010). Het hoofdonderzoek is verricht door de Universiteit Twente (zie link bij: Meer informatie).
    • Asielzoekers in het gareel? - Plan-, proces en effectevaluatie werking extra begeleiding en toezichtlocaties

      Kuppens, J.; Klein Haneveld, L.; Esseveldt, J. van; Ferwerda, H. (Bureau Beke, 2019)
      Sinds eind 2017 is het mogelijk om overlastgevende asielzoekers een maatregel op te leggen en hen te plaatsen in een zogenaamde extra begeleiding en toezichtlocatie (ebtl). De ebtl-maatregel is te beschouwen als een aanvulling op de al bestaande maatregelen die het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) kan opleggen. De ebtl-maatregel is vormgegeven als een pilot voor twee jaar en is binnen deze termijn geëvalueerd. De voor u liggende rapportage is het resultaat van deze evaluatie. De evaluatie valt uiteen in een plan-, een proces- en een effectevaluatie. Binnen de planevaluatie is gekeken wat de oorspronkelijk bedoelde doelen, doelgroep, werkzame bestanddelen en randvoorwaarden waren en is een oordeel gegeven of in vier elementen voldoende is voorzien. De procesevaluatie richtte zich op de daadwerkelijke invulling van deze elementen in de praktijk en de effectevaluatie op de daadwerkelijke resultaten van de ebtl-maatregel. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methoden van onderzoek 3. De planevaluatie 4. Het proces achter de ebtl-maatregel 5. De effecten van de ebtl-maatregel 6. Conclusie en reflectie
    • De beheerslast van vreemdelingen in bewaring in detentiecentrum Rotterdam - Beschrijving en duiding van de periode 2015-2019

      Zebel, S.; Stel, M.; Haandrikman, M.; Hadaschik, J.; Giebels, E. (Universiteit Twente, 2021-12-30)
      Dit onderzoek heeft tot doel duidelijk te maken of de beheerslast van vreemdelingen die in bewaring zijn gesteld in het DC Rotterdam is toegenomen in de periode 2015-2019. Indien dit het geval blijkt, wordt achterhaald hoe deze toename kan worden verklaard. Blijkt er geen toename te zijn geweest in de beheerslast, dan dient dit onderzoek duidelijk te maken hoe de indicaties van de toename kunnen worden verklaard. Dat leidt tot de volgende onderzoeksvragen voor het huidige onderzoek: 1. Is de beheerslast van ingesloten vreemdelingen in het DC Rotterdam toegenomen in de periode 2015 tot en met 2019? 2. Zo ja (op vraag 1): Wat zijn de mogelijke verklaringen voor deze toename? Zo nee (op vraag 1): Hoe kunnen de indicaties van de toename van de beheerslast worden verklaard? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Methoden van onderzoek, 3. Operationalisatie van beheerslast, 4. Beantwoording onderzoeksvraag 1: Is de beheerslast in het DCR toegenomen in de periode 2015-2019?, 5. Beantwoording onderzoeksvraag 2: Mogelijke verklaringen voor de toegenomen beheerslast in het DCR in de periode 2015-2019, 6. Conclusie en discussie.
    • Biologie en criminologie

      Buikhuisen, W.; Popma, A.; Jansen, L.M.C.; Vermeiren, R..; Doreleijers, Th.A.H.; Schutter, D.J.L.G.; Honk, J. van; Brink, W. van den; Zaalberg, A.; Kogel, K. de; et al. (WODC, 2006)
      ARTIKELEN: 1. W. Buikhuisen - Criminologie, biologie en de centrale betekenis van de amygdala 2. A. Popma, L.M.C. Jansen, R. Vermeiren en Th.A.H. Doreleijers - Antisiociaal en agressief gedrag; recente vorderingen binnen neurobiologisch onderzoek 3. D.J.L.G. Schutter en J. van Honk - De biologie van de psychopaat 4. W. van den Brink - Verslaving: een chronisch recidiverende hersenziekte 5. A. Zaalberg - Eerst soep, dan het Evangelie; over de relatie tussen voeding en gedrag 6. K. de Kogel - Oxytocine en de neurochemie van vertrouwen en verwaarlozing 7. M. Schermer - Voorspellende en preventieve criminologie; parallellen met de geneeskunde 8. Internetsites SAMENVATTING: Ruim zes jaar na het themanummer 'Biologische factoren van agressief gedrag' (2000) is er nu opnieuw een speciale aflevering over de verhouding tussen biologie en criminologie. Een belangrijke aanleiding zijn de vele onderzoeken naar biologische factoren van psychopathie, agressie, antisociaal gedrag en verslaving die sindsdien hebben plaatsgevonden. Dankzij nieuwe technieken ontwikkelt de algemene kennis over de structuur en functies van de hersenen zich in snel tempo. Ook de kennis over genetica en gen-omgevingsinteracties (epigenetica) neemt verder toe.
    • Biologische factoren van agressief gedrag

      Donker, A.G.; Hessing, D.J.; Scholte, E.M.; Ploeg, J.D. van der; Matser, D.; Doreleijers, Th.A.H.; Goozen, S.H.M. van; Engeland, H. van; Matthys, W.; Slot, N.W.; et al. (WODC, 2000)
      ARTIKELEN: 1. Drs. A.G. Donker - Het agressie-gen en andere misverstanden 2. Prof. dr. D.J. Hessing - Genetische determinanten van antisociaal gedrag; mogelijkheden en beperkingen van onderzoek 3. Dr. E.M. Scholte en prof. dr. J.D. van der Ploeg - Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD); een stoornis met vraagtekens 4. Drs. D. Matser en prof. dr. Th.A.H. Doreleijers - Antisociaal en agressief gedrag; een literatuuroverzicht van neurobiologisch onderzoek 5. Dr. S.H.M. van Goozen, dr. W. Matthys en prof. dr. H. van Engeland - Antisociaal gedrag van kinderen; een neurobiologisch perspectief 6. Prof. dr. N.W. Slot en drs. H.M.P. van Leeuwen - Behandeling van gedragsstoornissen; hoe zwaar wegen biologische factoren? 7. Dr. C.H. de Kogel - Een biopsychologische benadering van psychopathie; perspectieven voor het tbs-veld SAMENVATTING: In dit nummer worden uiteenlopende biologische benaderingen van agressief en antisociaal gedrag bij elkaar gebracht. Wat leren deze onderzoeken? Hoeveel gewicht moet je toekennen aan biologische factoren bij de verklaring van crimineel gedrag? Voor welke probleemgroepen is een biopsychologische aanpak van belang? Welke preventieve maatregelen kun je nemen op basis van die kennis? Wat vermogen medicamenten en therapieën te veranderen?
    • Criminogene problemen onder daders die in aanmerking komen voor gedragsinterventies

      Knaap, L.M. van der; Weijters, G.; Bogaerts, S. (WODC, 2007)
      Onderzoek naar criminogene factoren zal in eerste instantie gebeuren aan de hand van een research synthese. Daarnaast ligt het accent in dit onderzoek naar de prevalentie van criminogene factoren bij Nederlandse gedetineerden. Het is noodzakelijk een precies beeld te hebben van de omvang van de criminogene problematiek van gedetineerden. De te beantwoorden vragen zijn: Wat is de prevalentie van criminogene tekorten van gedetineerden en niet-gedetineerden reclasseringscliënten die in aanmerking komen voor gedragsinterventies? Hoe groot zullen de aantallen deelnemers aan gedragsinterventies jaarlijks naar schatting zijn? Hoe groot is de doelgroep voor interventies voor analfabetisme en daders van zedendelicten en daders van huiselijk geweld? INHOUD: 1. Inleiding 2. De prevalentie van criminogene factoren 3. Verschillen in criminogene factoren tussen subgroepen 4. Discussie en slot
    • Dataveiligheid en privacy bij het gebruik van fysiologische wearables in de justitiële context - Een casusonderzoek met de Empatica E4

      Braak, S.W. van den; Platje, E.; Kogel, C.H. de (WODC, 2021-03)
      Onderzoek laat zien dat technologische zelfmeetmethoden de potentie hebben om behandeling te personaliseren, veiligheid in detentie te verbeteren, reclasseringstoezicht te verrijken en zelfredzaamheid van justitiabelen te vergroten. Niettemin zijn er ook serieuze aandachtspunten en risico’s verbonden aan het gebruik van technologische zelfmeetmethoden. Voordat technologische zelfmeetmethoden op grotere schaal in de justitiële context gebruikt kunnen worden, is het daarom van belang te onderzoeken hoe het gesteld is met de dataveiligheid bij dergelijke methoden en wat binnen de justitiële context eventueel zou kunnen worden gedaan om de veiligheid van verzamelde gegevens en daarmee de privacy van de betrokkenen te waarborgen. In dit rapport beschrijven we een casusonderzoek hiernaar waarbij we ons specifiek gericht hebben op fysiologische wearables. Dit zijn draagbare apparaatjes die om de pols of op het lichaam gedragen worden en waarmee door middel van sensoren fysiologische gegevens verzameld kunnen worden. Dit casusonderzoek is verricht aan de hand van één specifieke wearable: de Empatica E4. De volgende deelvragen staan centraal: 1. Wat gebeurt er met de fysiologische gegevens van de Empatica E4 nadat deze verzameld zijn door de gebruiker met betrekking tot: gegevensopslag, gegevenstransport en toegang tot de gegevens door derden? 2. Wat zijn de risico’s daarbij voor de veiligheid van de gegevens en voor de privacy van de drager? En hoe zien de risico’s en de geboden functionaliteit eruit in vergelijking met andere wearables? 3. Welke kennis, ervaringen en zorgen hebben professionele gebruikers van de Empatica E4 met betrekking tot gegevensopslag, toegang tot gegevens door derden en privacy? 4. Wat betekenen de antwoorden op de deelvragen voor het gebruik van de Empatica E4 en andere fysiologische wearables in de justitiële context? INHOUD: 1. Inleiding en methoden, 2. De Empatica E4, 3. Dataveiligheid en privacy bij gebruik van de Empatica E4, Vergelijking: functionaliteit, dataveiligheid en privacy van andere wearables geschikt voor onderzoek, behandeling en toezicht, 5. Ervaringen van gebruikers, 6. Discussie.
    • De 'zelfmetende' justitiabele - Een verkennend onderzoek naar technologische zelfmeetmethoden binnen justitiële context

      Cornet, L.J.M.; Mandersloot, M.N.A.; Pool, R.L.D.; Kogel, C.H. de (WODC, 2017)
      Quantified Self (QS) is de trend waarbij de mens in toenemende mate technologie integreert in zijn leven, met als doel informatie te verzamelen over zichzelf en hiervan te leren en/of zichzelf bij te sturen. In de Verenigde Staten is er al veel activiteit op dit gebied: de overheid aldaar heeft bijvoorbeeld onlangs financiële middelen beschikbaar gesteld om QS-data te proberen te linken aan ‘officiële’ data (in dit geval op het terrein van gezondheid). In Nederland wordt momenteel een beperkt aantal kleine pilotprojecten uitgevoerd, zoals in de Oostvaarderkliniek met de behandeling van tbs-patiënten en bij de jeugdreclassering door middel van e-begeleiding. Dit onderzoek betreft een verkenning van toepassingsmogelijkheden van QS voor de justitiële context. QS kan mogelijk bijdragen aan onder andere het vergroten van het probleeminzicht van justitiabelen, het voorspellen van (negatief) gedrag, het verbeteren van behandeling en bejegening en het ontwikkelen van alternatieve behandelingen. INHOUD: 1. Inleiding 2. Methoden 3. Zelfmeting in de gezondheidszorg 4. De 'zelfmetende' justitiabele 5. Aandachtspunten 6. Slothoofdstuk. Zie ook link naar: YouTube-Filmpje 'Zelfmetende justitiabele'.
    • De hersenen in beeld - Neurobiologisch onderzoek en vraagstukken op het gebied van verklaring, reductie en preventie van criminaliteit

      Kogel, C.H. de (WODC, 2008)
      Terwijl het WODC de draad van de relatie tussen biologie en criminologie eind jaren negentig opnam, ontbrak het tot nu toe aan een gedegen en toegankelijk overzicht van een aantal belangrijke verschijnselen op dit gebied. In samenwerking met vooraanstaande wetenschappers op het terrein van de neurobiologie en neuropsychologie is deze studie tot stand gekomen. Er is steeds geprobeerd om de link tussen maatschappelijke ontwikkelingen en problemen te verbinden met resultaten uit onderzoek naar het functioneren van de hersenen en na te gaan hoe de stand van de wetenschap is waar het interventies en hun effectiviteit betreft. INHOUD: 1. Inleiding 2. Kindermishandeling en -verwaarlozing 3. 'Probleemkinderen, gevaarlijke pubers en gewelddadige volwassenen' 4. Zedendelinquenten 5. Justitiële interventies en het terugdringen van recidive 6. Neurowetenschap en sociale bindingen en conflicten 7. Slothoofdstuk
    • De kick

      Port, M.P.J. van de; Verkaaik, O.; Boutellier, J.C.J.; Calster, P. van; Feij, J.A.; D'Hooge, R.; Schuilenburg, M.B. (WODC, 2006)
      ARTIKELEN: 1. M.P.J. van de Port - Kicken, man! Enkele aantekeningen over grensoverschrijding en hedendaagse mystiek 2. O. Verkaaik - Wat is er zo grappig aan politiek geweld? 3. J.C.J. Boutellier - Fataal vitaal: de criminologie van een vloeibare samenleving 4. P. van Calster - Naar een criminologie van het lichaam? Over angst, het nemen van risico's, belevingen en identiteit 5. J.A. Feij - De psychologie van de kick 6. R. D'Hooge - 'De verveelde aap'; kick/sensation seeking en de menselijke natuur vanuit evolutionair-psychologisch oogpunt 7. Boekrecensie M.B. Schuilenburg over 'City limits; crime, consumer culture and the urban experience' - K.J. Hayward 8. Internetsites SAMENVATTING: Er is maar weinig zo persoonlijk als het beleven van een kick. Van Dale hanteert de brede definitie - 'een aangename emotie ten gevolge van een bepaalde ervaring (...)'. Doorgaans echter wordt de kick in verband gebracht met gevoelens van opwinding, spanning en plezier die mensen beleven aan gevaar in enigerlei vorm: extreme sporten, stunts, regels overtreden, bizarre seks, bijzondere (fysieke) ervaringen opdoen, angst overwinnen en dergelijke. 'Sensation seeking' is de term die daarvoor in de psychologie wordt gebruikt. Door aandacht te besteden aan het fenomeen 'kick' wordt getracht een bijdrage te leveren aan een beter begrip van de betekenis en beleving van normovertreding en criminaliteit in de huidige tijd.
    • De oplegging en uitvoering van de gedragsbeïnvloedende maatregel voor delinquente jongeren - 531 dossiers (2008 t/m 2013) onder de loep genomen

      Plaisier, J.; Knijnenberg, M.; Lenssen, D.; Pollaert, H.; Straaten, I. van (Impact R&D, 2016)
      De gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) is een maatregel voor jeugdige delinquenten die een ernstig delict plegen (of veel delicten plegen) en psychische problematiek hebben waarvoor ambulante behandeling nodig is. De maatregel is ingevoerd in 2008, maar wordt veel minder gebruikt dan oorspronkelijk werd verwacht: nog geen 1% van alle sancties voor jeugdigen per jaar bestaat uit een GBM. Er zijn al meerdere onderzoeken gedaan naar de redenen voor het feit dat de maatregel zo weinig wordt gebruikt. Er is nog geen onderzoek uitgevoerd naar de vraag hoe het proces van advisering tot oplegging precies verloopt en hoe de maatregel wordt uitgevoerd bij de jongeren bij wie wel een GBM is opgelegd. Over deze vragen gaat dit onderzoeksrapport: Hoe vaak wordt een gedragsbeïnvloedende maatregel geadviseerd, geëist en opgelegd en om welke redenen wordt een advies van de Raad voor de Kinderbescherming wel of niet overgenomen door het Openbaar Ministerie of de Zittende Magistratuur? Hoe verloopt de gedragsbeïnvloedende maatregel? INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksvragen 3. Methode 4. Instroom: van advies tot oplegging 5. Het verloop van de GBM 6. Conclusie 7. Discussie
    • Deviant gedrag en slachtofferschap onder jongens uit etnische minderheden I

      Junger, M.; Zeilstra, M. (WODC, 1989)
      Uit het onderzoek komt naar voren dat de delinquentie onder allochtonen wat hoger is dan onder Nederlandse jongens van dezelfde leeftijd en met dezelfde socio-economische achtergrond. Twee zaken lijken van belang: Er zijn duidelijke verschillen tussen de allochtonen onderling. Onder Marokkaanse jongens is deze vertegenwoordiging - in vergelijking met Nederlandse jongens - groter dan onder Turkse en Surinaamse jongens. Men dient zich te realiseren dat de omvang van de problemen niet dezelfde is in alle etnische groepen. De relatief hoge percentages allochtone jongens met politiecontacten kunnen slechts gedeeltelijk verklaard worden uit hun relatief slechte socio-economische positie. Dit lijkt erop te wijzen dat andere factoren een rol spelen bij het al dan niet plegen van misdrijven. Dit zal in een volgend rapport aan de orde komen.
    • Do or don't - Kennissynthese ingroeimechanismen en rekruteringsprocessen van jongeren in de georganiseerde criminaliteit

      Boer, H. de; Ferwerda, H.; Kuppens, J. (Bureau Beke, 2022-01-02)
      Om te voorkomen dat jongeren in de georganiseerde criminaliteit terecht komen of hier verder in afglijden hebben de ministers voor Rechtsbescherming en van Justitie en Veiligheid besloten om een preventieve aanpak in te zetten. Deze aanpak krijgt onder andere vorm via projecten in een achttal gemeenten die vallen onder het Breed offensief tegen ondermijnende criminaliteit (BOTOC). Voor de aanpak is het van belang om te weten waarom bepaalde jongeren en jongvolwassenen de georganiseerde criminaliteit in gaan. Wat zijn met andere woorden risico- en beschermende factoren? Op basis van deze kennis kunnen vervolgens zinvolle interventies worden (door)ontwikkeld en worden ingezet. In dit rapport wordt verslag gedaan van een literatuuronderzoek waarin de vraag centraal staat wat in de wetenschappelijke literatuur bekend is over ingroeimechanismen en rekruteringsprocessen van jongeren in de georganiseerde misdaad. INHOUD: 1. Inleiding 2. Ingroeimechanismen en rekruteringsprocessen 3. Risico- en beschermende factoren 4. Samenvatting en reflectie
    • Duiding van problematisch jeugdgroepgedrag - Een theoretische verkenning en een praktische handreiking voor het veld

      Ham, T. van; Ferwerda, H. (Bureau Beke, 2017)
      Het onderzoek kent een probleemstelling met twee elementen. Daarbinnen kunnen meerdere onderzoeksvragen worden onderscheiden. De probleemstelling en de daarbij behorende vragen luiden als volgt: Op welke manier kunnen lokale partners (gemeente, OM en politie) uniforme duiding geven aan: het (niveau van) problematisch groepsgedrag (overlast, criminaliteit); de relatie met de omgeving (impact op de wijk, relatie met andere problematiek); het gedrag van de jongeren binnen de groep (groepsdynamiek, risico’s voor afglijden en recidive).Op welke manier kan de duiding bijdragen aan de afstemming tussen de ketenpartners over de taken en verantwoordelijkheden bij de aanpak van een groep en de individuen in de groep? Als bijlage is een 'Handreiking duiding problematisch jeugdgroepgedrag voor gemeentelijk (proces)regisseur en zijn/haar ketenpartners' opgenomen. Sinds 2015 wordt niet langer gebruikgemaakt van de shortlistmethodiek om problematische jeugdgroepen in beeld te brengen. Dit betekent dat ook de daarbij behorende indeling om groepen (hinderlijk, overlastgevend, crimineel) te prioriteren, aan te pakken en monitoren is losgelaten. Deze handreiking is ontstaan vanuit de behoefte om bij de uitvoering van het werkproces integrale aanpak problematische jeugdgroepen – het zogenaamde 7-stappen model – een problematische jeugdgroep of fluïde netwerk te kunnen duiden.
    • Effectief vroegtijdig ingrijpen - Een verkennend onderzoek naar effectief vroegtijdig ingrijpen ter voorkoming van ernstig delinquent gedrag

      Put, C. van der; Assink, M.; Bindels, A.; Stams, G.J.; Vries, S. de (Universiteit van Amsterdam - Faculteit Pedagogische wetenschappen, 2013)
      In Amsterdam wordt op dit moment een groep van 600 jonge veelplegers van ernstige delicten, zogenaamde Top600 intensief aangepakt. Uit voorlopig onderzoek naar deze groep blijkt dat veruit de meeste jongeren uit de Top600 op enig moment in het verleden contact met jeugdzorg hadden. Dit laat zien dat er mogelijkheden zijn om in een vroeg stadium in te grijpen en mogelijk een persistente criminele carrière te voorkomen. Het doel van het onderhavige verkennende onderzoek is zicht te krijgen op risicofactoren die voorspellend zijn voor het persistente delinquente gedrag dat de Top600 laat zien, de mate van effectiviteit van (componenten van) interventies die zijn gericht op het voorkomen van persistent  delinquent gedrag en de inzet daarvan door jeugdhulpverlening in Nederland. INHOUD: 1. Inleiding 2. Risicofactoren voor persistent delinquent gedrag 3. Effectiviteit van interventies ter voorkoming van persistent delinquent gedrag 4. Inzet effectieve behandelcomponenten door jeugdhulpverlening in Nederland
    • Europa en zijn Roma

      Bogdal, K.M.; Croes, M.T.; Bakker, P.; Vermeersch. P.; Jorna, P.; Baar, H. van (WODC, 2014)
      ARTIKELEN: 1. K.M. Bogdal - Hoe Europa zijn zigeuners uitvond; over een schaduwzijde van de moderniteit 2. M.T. Croes - Duitsland en de zigeuners: van uitsluiting tot Endlösung der Zigeunerfrage, 1407-1945 3. P. Bakker - De taal van de Roma en Sinti 4. P. Vermeersch - Een kansloze minderheid in de marge? De sociaaleconomische en politieke positie van de Roma in Europa 5. P. Jorna - Tussen eigenheid en aanpassing. Over cultuur en integratie van Nederlandse Roma en Sinti 6. H. van Baar - Participatie, veiligheid en beeldvorming van Romaminderheden; een kritische reflectie op het Nederlandse beleid 7. Internetsites. SAMENVATTING: De Roma vormen de grootste minderheidsgroep van Europa. Het is moeilijk te zeggen hoe groot hun aandeel in de Europese bevolking precies is. De schattingen lopen uiteen van 8 miljoen tot 12 miljoen. De naam ‘Roma’ wordt in Europees verband gebruikt voor een verzameling van verschillende groepen, zoals Spaanse kale of gitanos, Franse manoush en gens du voyage, Ierse en Britse gypsies en travellers, Nederlandse woonwagenbewoners, Sinti en Roma, Zwitserse jenish en verschillende Romagroepen in Centraal- en Oost-Europa. Door de uitbreiding van de Europese Unie met Oost-Europese landen kwam er een Europabreed Romabeleid van de grond, dat voorzag in allerlei projecten en programma’s gericht op de verbetering van hun positie op terreinen als onderwijs, huisvesting, werkgelegenheid en gezondheidszorg. In dit themanummer wordt onder andere bekeken welke veranderingen sindsdien in het Nederlandse Romabeleid hebben plaatsgevonden en hoe deze zich verhouden tot de beleidsuitgangspunten op Europees niveau. Ook de benarde positie van Roma in Oost-Europese landen komt aan de orde. Maar eerst is er aandacht voor de geschiedenis van de Roma, hun plek in Europa en de Europese beschaving, hun discriminatie en vervolging, in het bijzonder tijdens het nazisme.
    • Evaluatie aanpak criminele jeugdgroepen

      Burik, A.E. van; Hoogeveen, C.; Jong, B.J. de; Vogelvang, B.; Addink, A.; Steege, M. van der (Van Montfoort, 2013)
      De minister van Veiligheid en Justitie heeft de aanpak van problematische jeugdgroepen begin 2011 tot één van de belangrijkste prioriteiten gemaakt en daarbij sterk de focus gelegd op de aanpak van de criminele jeugdgroepen. Dit evaluatieonderzoek bestaat uit drie delen: Beschrijving van de ontwikkeling van aantallen problematische jeugdgroepen 2009-2011. Beschrijving en evaluatie specifiek van de aanpak van criminele jeugdgroepen 2010-2011. Literatuurstudie naar de kenmerken en de effectieve aanpak van criminele jeugdgroepen. INHOUD: 1. Samenvatting en conclusies 2. Inleiding 3. Onderzoeksverantwoording 4. Ontwikkeling aantallen problematische jeugdgroepen 5. Eerste globale analyse plannen van aanpak 6. Resultaten analyse plannen van aanpak 7. De aanpakken: signaleren, analyseren en prioriteren 8. De aanpakken: inzet interventies 9. De aanpakken: regie en samenwerking 10. De aanpakken: resultaten en bevorderende & belemmerende factoren 11. Beoordeling gedragsinterventies 12. Onderzoeksvragen en opzet literatuuronderzoek 13. Criminele jeugdgroepen: overeenkomsten en verschillen tussen Nederland en het buitenland 14. Deelname aan verschillende jeugdgroepen 15. Ontstaan en verdwijnen van criminele jeugdgroepen 16. De aanpak van criminele jeugdgroepen 17. Samenvatting en overwegingen 18. Literatuur