• Evaluatie van de Wet BOB - fase 1 - De eerste praktijkervaringen met de Wet Bijzondere opsporingsbevoedheden

      Bokhorst, R.J.; Kogel, C.H. de; Meij, C.F.M van der (WODC, 2002)
      Op 1 februari 2000 is de Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) in werking getreden. De minister van Justitie heeft aan de Kamer een evaluatie van deze wet toegezegd. Dit evaluatieonderzoek, dat wordt verricht door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), loopt van 2000 tot 2003. Het moet inzicht verschaffen in de mate waarin de doelstellingen van de Wet BOB worden gehaald en in de werkbaarheid van de regelgeving in de praktijk. Vanwege de omvang van het terrein dat onderwerp van de evaluatie is, is het onderzoek in twee fasen opgezet. Het onderzoek in de eerste fase kan al in een vroeg stadium een indruk geven van ervaringen met de Wet BOB. Daarnaast helpt de eerste fase onderzoeksvragen te specificeren die in de meer verdiepende tweede fase van het evaluatieonderzoek aan bod zullen komen. Dit rapport is het verslag van het eerste, beschrijvende gedeelte van het onderzoek, dat het karakter heeft van een procesevaluatie. Het geeft een indruk van de manier waarop aan de nieuwe wetgeving uitvoering wordt gegeven en van wat daarbij goed en minder goed verloopt. Het rapport bevat een bespreking van literatuur die over het Wetsvoorstel BOB is verschenen, een bespreking van de wet zelf en een inventarisatie en analyse van de ervaringen in de uitvoeringspraktijk tijdens de eerste anderhalf jaar dat de Wet BOB van kracht was. INHOUD: 1. Inleiding 2. Beschrijving van de Wet Bob en parlementaire behandeling 3. Verwachtingen en opvattingen over de Wet BOB: een literatuuroverzicht 4. Implementatie van de Wet BOB 5. Praktijkervaringen met de Wet BOB
    • Geheime diensten en de democratische rechtsstaat

      Hijzen, C.; Braat, E.; Abels, P.; Dielemans, R.; Hagens, M.; Eijk, N. van; Eijkman, Q.; Valk, G. de; Aerdts, W.; Koop, P.; et al. (WODC, 2018)
      ARTIKELEN: 1. Constant Hijzen - Paddenstoelen, prikkeldraadversperringen en sleepnetten: Metaforen in de Nederlandse inlichtingengeschiedenis 2. Eleni Braat - In voor- en tegenspoed: Het huwelijk tussen parlement en inlichtingen- en veiligheidsdienst 3. Paul Abels - Intelligence leadership: Leidinggeven in het schemerdonker tussen geheim en openbaar 4. Rob Dielemans - De Wiv 2002 en Wiv 2017 op enkele hoofdlijnen vergeleken 5. Mireille Hagens - Toezicht in de Wiv 2017: Kansen en uitdagingen voor een effectief en sterk toezichtstelsel 6. Nico van Eijk en Quirine Eijkman - Enkele kanttekeningen bij de Wiv 2017: De uitbreiding van bevoegdheden getoetst aan mensenrechten 7. Gilliam de Valk en Willemijn Aerdts - Inlichtingenwerk vanuit een methodologisch perspectief 8. Peter Koop - De Snowden-onthullingen en ongerichte interceptie onder de Wiv 2017 9. Bob de Graaff en Constant Hijzen - Zwijgen is zilver en spreken is goud SAMENVATTING: Aan de vooravond van het raadgevend referendum over de nieuwe Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) op 21 maart 2018 brengt Justitiële verkenningen het themanummer ‘Geheime diensten en de democratische rechtsstaat’ uit. In de publieke discussie over de ‘sleepwet’ of ‘aftapwet’ staat de bevoegdheid tot ‘ongericht tappen’ centraal , oftewel het onderscheppen van communicatieverkeer dat via glasvezelkabels loopt, en de gevolgen van de inzet van dat middel voor de burger. Voor die discussie is in deze aflevering ruime aandacht, maar daarnaast komen de vele andere aspecten van de Wiv 2017 aan bod, zoals het toezicht, de precieze taken en verplichtingen die de diensten krijgen opgelegd en de internationale samenwerking. De positie van geheime diensten en hun verhouding tot politiek en samenleving wordt historisch belicht en verbonden met de vraag wat er van inlichtingen- en veiligheidsdiensten in deze tijd mag worden verwacht. In verschillende bijdragen wordt bovendien duidelijk dat Nederlandse AIVD en MIVD en hun voorgangers al heel lang gevangen zitten in beeldvorming. Geheime activiteiten verhouden zich slecht tot openbaarheid en deelname aan openbaar debat, zo was lange tijd het standpunt van de overheid. Maar juist het gebrek aan informatie over werkwijze en bevoegdheden van de Nederlandse geheime diensten heeft bijgedragen aan de populariteit van een metafoor als ‘sleepnet’ en voeding gegeven aan het wantrouwen van burgers jegens de overheid.
    • Georganiseerde criminaliteit in Nederland: daders, verwevenheid en opsporing - Rapportage in het kader van de vijfde ronde van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit

      Kruisbergen, E.W.; Roks, R.A.; Kleemans, E.R.; Kouwenberg, R.F. (medew.); Knol, D. (medew.); Nabi, S.S. (medew.); Fiorito, T. (medew.); Leukfeldt, E.R. (medew.); Ruitenburg, T. van (medew.) (WODC, 2019)
      Dit rapport is het resultaat van de meest recente, vijfde ronde van de monitor georganiseerde criminaliteit. Om dieper op bepaalde thema’s in te kunnen gaan, is ervoor gekozen om de vijfde ronde uit te laten monden in drie afzonderlijke deelrapporten. In oktober 2017 is het eerste deelrapport verschenen (Van Wingerde & Van de Bunt, 2017). Dat rapport richtte zich op de strafrechtelijke afhandeling van georganiseerde criminaliteit, met name de geëiste en opgelegde straffen. Het tweede deelrapport verscheen in 2018 en behandelde het gebruik van ICT (informatie- en communicatietechnologie) door dadergroepen in de georganiseerde criminaliteit (Kruisbergen e.a., 2018). In het derde deelrapport staan daders centraal. Het behandelt de volgende onderwerpen: de criminele carrière van daders in de georganiseerde criminaliteit; hoe de verwevenheid van daders met hun omgeving hen in staat stelt hun criminele activiteiten af te schermen; en de opsporing van de daders. Georganiseerde criminaliteit kan haar schadelijke werking alleen maar hebben wanneer daders de aanpak in zekere zin weten te trotseren. Dat ‘trotseren’ kan bestaan uit het langdurig buiten beeld blijven van de opsporing, maar het betreft ook daders die ondanks intensieve aandacht van justitie en politie doorgaan met criminele activiteiten. Het ‘trotseren’ wordt bovendien mogelijk gemaakt doordat de omgeving van daders hen faciliteert of op zijn minst niet te veel hindert. INHOUD: 1. Inleiding 2. Criminele carrières in de georganiseerde criminaliteit 3. De afscherming van daders en hun criminele activiteiten 4. Opsporing van georganiseerde criminaliteit 5. Slotbeschouwing
    • Heimelijke opsporing in de Europese Unie - De normering van bijzondere opsporingsmethoden in de landen van de Europese Unie

      Tak, P.J.P. (red.) (Katholieke Universiteit Nijmegen, 2000)
      Het doel van het onderzoek is de verschillen in regelgeving en praktijk met betrekking tot het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden in beeld te brengen. Dergelijke verschillen kunnen van invloed zijn op de mogelijkheden tot samenwerking in de aanpak van georganiseerde criminaliteit. In het onderzoek wordt per land aandacht geschonken aan het gebruik van (A) observeren en volgen, (B) observatie met technische hulpmiddelen, (C) onderscheppen van telecommunicatie, (D) afluisteren met technische hulpmiddelen, (E) heimelijk maken van foto- en video-opnamen, (F) onderscheppen van poststukken, (G) gebruik van plaatsbepalingsmethoden, (H) inkijkoperaties, (I) informanten, (J) pseudokoop, (K) infiltranten, (L) gecontroleerde aflevering, (M) frontstores. De mate waarin bijzondere opsporingsmethoden zijn geregeld en de voorwaarden waaronder ze worden ingezet, verschillen sterk. Maar op een hoger abstractieniveau zijn er veel overeenkomsten. Belemmerende factoren voor internationale samenwerking in de opsporing liggen niet zozeer in de (verschillen in) regelgeving op het gebied van bijzondere opsporingsmethoden, alswel in (verschillen in) de strafvorderlijke systemen, rechtsculturen en werkwijze. Verder blijkt het instrument van internationale rechtshulp over het algemeen als te tijdsrovend te worden ervaren voor efficiënte grensoverschrijdende politiesamenwerking. Internationale politiesamenwerking is gebaat bij informatie over de hoofdlijnen van strafvorderlijke systemen van de landen waarmee wordt samengewerkt.
    • Het gebruik van de telefoon- en internettap in de opsporing

      Odinot, G.; Jong, D. de; Leij, J.B.J. van der; Poot, C.J. de; Straalen, E.K. van (WODC, 2012)
      De minister van Justitie heeft tijdens een Algemeen Overleg over tapstatistieken toegezegd een onderzoek te laten verrichten naar de effectiviteit van telefoon- en internettaps (TK 2009-2010, 30 517, nr. 16). Dit rapport heeft als doel inzicht te bieden in het feitelijk gebruik van de telefoon- en internettap bij opsporing van strafbare feiten. In het onderzoek wordt uitgegaan van een getrapte vraagstelling: Hoe wordt in Nederland gebruikgemaakt van de telefoon- en internettap tijdens het opsporingsproces? Hoe wordt in enkele andere West-Europese landen (Engeland en Wales, Duitsland en Zweden) met dit opsporingsmiddel omgegaan? Kunnen (grote) verschillen tussen deze landen in het gebruik van dit opsporingsmiddel worden verklaard? Deze vraagstelling is uitgewerkt in verschillende onderzoeksvragen, die zich samen laten vatten als: hoe vaak, waarom en wanneer wordt de telefoon- en internettap ingezet, voor hoe lang wordt een tap aangesloten en wat voor een informatie levert het dan op? In de tweede herziene uitgave is een correctie aangebracht betreffende het opvragen van verkeersgegevens. INHOUD: 1. Inleiding 2. De telefoon- en internetmarkt 3. Regulering van tappen in Nederland 4. Wat is een tap en hoe komt deze tot stand? 5. De tapstatistieken in Nederland 5. De telefoontap in de praktijk 7. De internettap in de praktijk 8. Alternatieven voor de tap 9. Het gebruik van de tap in Engeland en Wales 10. Het gebruik van de tap in Zweden 11. Het gebruik van de tap in Duitsland 12. Slotbeschouwing
    • Internationale bewijsgaring in strafzaken - Nederland, Engeland en Wales

      Groot, S.K. de (Universiteit Leiden - Seminarium voor bewijsrecht, 2000)
      Het onderzoek is het eerste in een reeks van drie, waarin een rechtsvergelijking wordt gemaakt tussen de strafvorderlijke stelsels en in het bijzonder het bewijsrecht van Nederland enerzijds en respectievelijk Engeland en Wales, Duitsland en Frankrijk anderzijds. Het Engelse (straf)procesrecht verschilt in vele opzichten van het Nederlandse. Zo is in Engeland het recht niet in wetboeken geordend, maar in rechtspraak en acts of parliament. Een vervolgingsmonopolie van het Openbaar Ministerie is in Engeland onbekend. In het Engelse recht is het vooronderzoek geheel in handen van de politie totdat het is afgerond. De rechtspositie van de verdachte is dan ook strikter geregeld dan in Nederland. Het getuigen- en deskundigenverhoor speelt in het Nederlandse recht een grotere rol dan in het Engelse recht, waar immers het onmiddelijkheidsbeginsel bepaalt dat verhoren die voorafgaand aan de zitting zijn afgenomen, geen zelfstandige waarde tijdens het onderzoek ter terechtzitting. In Engeland en Wales kunnen, in tegenstelling tot Nederland, verschoningsgerechtigden en geheimhoudingsplichtigen wel worden afgeluisterd. In het Engelse recht mogen de telefoontap-verbalen niet en de verbalen die van het direct afluisteren worden gemaakt wel als bewijs ter terechtzittingzitting worden gebruikt.
    • Internationale bewijsgaring in strafzaken II - Nederland en Duitsland

      Groot, S.K. de (Universiteit Leiden - Seminarium voor bewijsrecht, 2000)
      Dit boek is het tweede in een reeks van rechtsvergelijkende studies waarin ten behoeve van het internationale rechtshulpverkeer inzicht wordt geboden in diverse strafprocessuele stelsels. Na een algemeen deel, waarin wordt ingegaan op de bewijsstelsels van Nederland en Duitsland alsmede op het internationale strafprocesrecht, volgt een bijzonder deel, waarin de regelingen betreffende de verschillende bewijsgaringsmethoden worden behandeld. Daarbij is aandacht besteed aan de nieuwe regeling zoals die is gaan gelden met de inwerkingtreding van de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden. In dit deel staan het Nederlandse en het Duitse recht centraal.
    • Netiquette of Wetiquette - Zelfregulering of overheidsregulering van de elektronische snelweg in Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten

      Hof, S. van der; Koops, B.-J.; Kralingen, R. van; Prins, C.; Schreuders, E. (WODC, 1997)
      Met het onderhavige rapport is beoogd het project Uitgangspunten voor regulering op de elektronische snelweg van het Ministerie van Justitie te plaatsen in een internationale en landenvergelijkende context, door na te gaan in hoeverre de Nederlandse manier van denken overeenkomsten en verschillen vertoont met de denktrant in een aantal andere, toonaangevende westerse landen alsmede welke ontwikkelingen uit het buitenland op Nederland afkomen. Aan de hand van de bestudering van de relevante beleidsdocumenten en wet- en regelgeving is bekeken hoe de diverse juridische vraagstukken rondom de elektronische snelweg in deze landen worden gedefinieerd. Gegeven de door het Ministerie van Justitie geformuleerde projectdefinitie wordt de situatie in de genoemde landen besproken aan de hand van de volgende vijf thema's: internationalisering en jurisdictie; privacy; betrouwbaarheid; toegankelijkheid; en rechtshandhaving. Bij dit laatstgenoemde thema komen de volgende onderwerpen aan de orde: encryptie, aftappen en auteursrecht.
    • Nieuwe technologieën in opsporing en veiligheidszorg

      Vries, A. de; Smit, S.; Kitchin, R.; Cuijpers, C.; Schendel, S. van; Custers, B.; Vergouw, B.; Flight, S.; Elands, P.J.M.; Dignum, M.V.; et al. (WODC, 2016)
      ARTIKELEN: 1. A. de Vries en S. Smit - Predictive policing: Politiewerk aan de hand van voorspellingen 2. R. Kitchin - Datagestuurde stedelijke planning en ‘smart cities’ 3. C. Cuijpers en S. van Schendel - Data Protection by Design als argument in het FBI vs. Apple debat 4. B. Custers en B. Vergouw - Technologie voor opsporing en handhaving: Kansen, ervaringen en knelpunten 5. S. Flight - Politie en beeldtechnologie: Gebruik, opbrengsten en uitdagingen 6. P.J.M. Elands - Drones: Zegen of vloek? 7. M.V. Dignum en J. van den Hoven - Reflecties op het verantwoord gebruik van kunstmatige intelligentie SAMENVATTING: De opkomst van nieuwe technologieën stelt de politie en andere rechtshandhavingsinstanties in staat proactiever en effectiever te opereren. De toepassing van deze technologieën in het publieke veiligheidsdomein roept echter ook allerlei vragen op met betrekking tot privacy en andere grondrechten van burgers. Dit themanummer beoogt enerzijds die nieuwe technologische toepassingen te beschrijven en anderzijds de (mogelijke) consequenties daarvan nader te beschouwen en aan discussie te onderwerpen. Naast afzonderlijke artikelen over concrete technologische toepassingen (beeldtechnologie, drones) gaat de aandacht uit naar enkele belangrijke trends die alle voortvloeien uit de groeiende beschikbaarheid van – onderling koppelbare – grote hoeveelheden data afkomstig uit allerlei bronnen. Bij politiekorpsen wereldwijd heeft dit geleid tot een de groeiende populariteit van predictive policing: politiewerk doen aan de hand van voorspellingen die gebaseerd zijn op een enorme verzameling historische gegevens over o.a. delicten, de plegers ervan en criminaliteitspatronen, gecombineerd met realtime data. Het politieoptreden wordt aldus datagestuurd en meer op preventie gericht. Een stap verder is prescriptive policing, waarbij de data aangeven wat de meest effectieve interventie zou zijn. Met de film Minority Report in gedachten doemen de zwartste scenario’s op: krijgen we een ‘gedachtenpolitie’ , staat de onschuldpresumptie op het spel? Deze vragen zijn des te prangender wanneer de rechtshandhaving steeds meer wordt overgelaten aan drones en robots. De grote uitdaging in dit verband is hoe ethische, maatschappelijke en juridische waarden al in het ontwerpproces van articificiële intelligentie toepassingen kunnen worden ingebouwd. Iets soortgelijks speelt met betrekking tot de bescherming van persoonlijke gegevens en privé-communicatie bij het gebruik van computers en smartphones e.d. Nieuwe Europese wetgeving schrijft voor dat gegevensbescherming wordt ingebouwd in producten en diensten, een principe dat wordt aangeduid met de term Data Protection by Design and Default.
    • Recherche

      Poot, C.J. de; Torre, E.J. van der; Muller, E.R.; Koppen, P.J. van; Tulder, F. van; Smit, P.; Siero, S.; Mac Lean, B.L.; Amelsvoort, A.G. van; Groenendaal, H.; et al. (WODC, 2004)
      ARTIKELEN: 1. C.J. de Poot - Dilemma's in de opsporing 2. E.J. van der Torre en E.R. Muller - Het recherchevak; een institutionele benadering 3. C.J.de Poot en P.J. van Koppen - Meten van recherchewerk 4. F. van Tulder, P. Smit en S. Siero - Ophelderingspercentages als maatsaf voor prestaties? 5. B.L. Mac Lean - Contact tussen O.M. en recherche door de jaren heen; de praktijk 6. A.G. van Amelsvoort, H. Groenendaal en J. van Manen - Werkwijze bij het onderzoek op de Plaats Delict (PD) 7. R.J. Bokhorst - De telefoontap in grote opsporingsonderzoeken 8. J. van der Schoor - Brains voor de recherche SAMENVATTING: In dit themanummer wordt een beeld geschetst van het veranderingsproces dat de recherche doormaakt. Er is voor gekozen  zowel wetenschappers als praktijkdeskundigen aan het woord te laten over hun visies op de organisatie en het dagelijks werk van de recherche.
    • Tappen en infiltreren

      Odinot, G.; Jong, D. de; Oerlemans, J.J.; Leij, J.B.J. van der; Kruisbergen, E.W.; Fijnaut, C. (WODC, 2012)
      ARTIKELEN: 1. G. Odinot en D. de Jong - Wie belt er nou nog? De veranderende opbrengst van de telefoontap 2. J.J. Oerlemans - Mogelijkheden en beperkingen van de internettap 3. J.B.J. van der Leij - Opsporingsbevoegdheden en privacy; een internationale vergelijking 4. E.W. Kruisbergen en D. de Jong - Undercoveroperaties: een noodzakelijk kwaad? Heden, verleden en toekomst van een omstreden opsporingsmiddel 5. C. Fijnaut - De exfiltratie van verdachte en veroordeelde criminelen; over de onmisbaarheid van een effectieve regeling voor coöperatieve criminele getuigen 6. Internetsites. SAMENVATTING: De telefoontap is een veelvuldig ingezet opsporingsmiddel. Nu de inzet van telefoontap steeds minder effectief blijkt en de internettap nog in de kinderschoenen staat, lijkt het voor de hand te liggen dat er in de opsporing meer aandacht zal komen voor andere bijzondere opsporingsmethoden, zoals observatie (stelselmatig volgen), infiltratie, pseudokoop en -dienstverlening, undercover stelselmatig informatie inwinnen, inkijken, direct afluisteren en bijstand en opsporing door burgers (informanten en infiltranten). In dit themanummer wordt daarnaast aandacht besteed aan het fenomeen exfiltratie, ofwel meewerkende criminele getuige.
    • Tappen in Nederland

      Reijne, Z.; Kouwenberg, R.F.; Keizer, M.P. (WODC, 1996)
      In het onderzoek stonden de volgende onderzoeksvragen centraal: Hoeveel en hoe lang wordt er feitelijk in Nederland getapt op basis van artikel 125gWvSv.; Hoe is het tapregime in Nederland; In hoeverre worden het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel gehanteerd; Hoe effectief is het gebruik van de tap in Nederland? Verder is bekeken welke ontwikkelingen er gaande zijn, en in de toekomst verwacht kunnen worden op het gebied van de telecommunicatie en hoe deze ontwikkelingen de effectiviteit van het tappen zouden kunnen beïnvloeden.
    • Vooronderzoek evaluatie van automatische nummerherkenning geheimhoudergesprekken advocatuur

      Bongers, F.; Bekkers, R.; Vorst, T. van der; Brennenraedts, R.; Kerkhof, D. van (Dialogic, 2013)
      Dit is het verslag van een vooronderzoek voor de evaluatie van het systeem van automatische nummerherkenning voor de advocatuur en de afspraken daaromtrent. Het doel van automatische nummerherkenning is te voorkomen dat vertrouwelijke communicatie via telefoon (inclusief SMS) of fax van een advocaat met zijn cliënt die onder een tap is geplaatst, wordt af- en uitgeluisterd door politie en Openbaar Ministerie. Het systeem van nummerherkenning is op 1 mei 2011 in werking getreden. INHOUD: 1. Inleiding 2. Automatische nummerherkenning 3. Terugblik op automatische nummerherkenning 4. Vooruitblik op het hoofdonderzoek