• Met recht onder toezicht gesteld - Evaluatie herziene OTS-wetgeving

      Savornin Lohman, J. de; Bruning, M.R.; Goderie, M.J.H.; Nieborg, S.M.A.; Steketee, M.J.; Graaf, P. de (medew.); Huntjens, K. (medew.) (Verwey-Jonker Instituut, 2000)
      Bij ondertoezichtstelling wordt het ouderlijk gezag beperkt en blijft het kind, in beginsel, in het gezin. De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht als deze zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd. Met de herziening van de wetgeving werd beoogd om de rechtswaarborgen van belanghebbenden te verduidelijken en te verbeteren. Vóór november 1995 had de kinderrechter een dubbelfunctie. Hij stelde onder toezicht en was verantwoordelijk voor de uitvoering van de OTS. Om de rol van de rechter te verduidelijken en de onafhankelijkheid te verzekeren is in de nieuwe wet de rechtspraak en uitvoering gescheiden. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de OTS is bij de gezinsvoogdij-instelling (GVI) komen te liggen.
    • Rechtsbijstand bij politieverhoor - Evaluatie van de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor in Amsterdam-Amstelland, Groningen, Haaglanden, Limburg-Zuid, Midden- en West-Brabant en Utrecht

      Verhoeven, W.-J.; Stevens, L.; Bunt, H.G. van de (medew.); Captein, W.J.M. (medew.); Westmeijer, E.R. (medew.) (Erasmus Universiteit Rotterdam - Institute of Private Law, 2013)
      Naar aanleiding van Europese rechtspraak (o.a. inzake Salduz) is er een nieuwe regeling ontworpen om tegemoet te komen aan het recht van de verdachte op rechtsbijstand voorafgaande aan en - in sommige gevallen ook - tijdens het politieverhoor. De betreffende regeling, de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor (2010A007), is per 1 april 2010 in werking getreden en blijft in beginsel in de huidige vorm van kracht tot uiterlijk 1 april 2014. Deze studie betreft een grootschalig evaluatieonderzoek naar de werking van de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor, waarbij de volledige cyclus van plan-, proces- en productevaluatie wordt doorlopen. De centrale vraagstelling die in dit onderzoek aan de orde wordt gesteld, is als volgt: In welke mate wordt met de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor bereikt dat de Nederlandse opsporingspraktijk voldoet aan de voorwaarden die het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en de Hoge Raad stellen aan de rechtsbijstand voor aangehouden verdachten voorafgaand aan en tijdens het eerste politieverhoor? INHOUD: 1. Inleiding 2. Waarom de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor? 3. Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor gefileerd 4. Evaluatie van de beleidstheorie 5. Uitvoering van de Aanwijzing in Breda en Tilburg 6. Uitvoering van de Aanwijzing in Utrecht 7. Uitvoering van de Aanwijzing in Groningen 8. Uitkomsten procesevaluatie: politieregio's vergeleken 9. Resultaten van de Aanwijzing 10. Conclusies over rechtsbijstand bij het politieverhoor
    • Tussen aangifte en opsporing - Een pilotstudie naar de haalbaarheid van een instrument om het gat in de opsporing te bepalen

      Ferwerda, H.; Leiden, I. van; Vries Robbé, E. de (WODC, 2006)
      In de Aanwijzing voor de opsporing - die op 1 maart 2003 van kracht is geworden en nader is uitgelegd in de brief van 4 november 2003 - is tot uitdrukking gebracht wat er maatschappelijk van de opsporing wordt verwacht op het gebied van “aangiftecriminaliteit”. Nu genoemde aanwijzing in maart 2005 twee jaar van kracht is, bestaat er behoefte aan feitelijk inzicht in de gang van zaken in de praktijk: welke aangiftes en meldingen krijgt de politie binnen, wat zou daar op grond van de Aanwijzing van de opsporing mee moeten gebeuren, en wat wordt daar feitelijk mee gedaan? De volgende twee vragen staan centraal in dit onderzoek. Ten eerste de vraag in hoeverre de benodigde gegevens aanwezig zijn in de politieregistratiesystemen en ten tweede de vraag of deze gegevens ontsloten kunnen worden door queries en koppelingen van databestanden. Het onderzoek is uitgevoerd in drie van de vijfentwintig politieregio's die gebruik maken van verschillende bedrijfsprocessensystemen en is toegespitst op woninginbraak en op straatroof.
    • Wetgeving gewogen - Evaluatie van wet- en regelgeving inzake kinderpornografie

      Savornin Lohman, J. de; Beijers, W.M.E.H.; Goderie, M.J.H.; Nieborg, S.M.A.; Rijkschroeff, R.A.L.; Lankhorst, F. (medew.); Meij, C.F.M. van der (medew.); Rossum, P. van (medew.); Smit, L.H.R. (medew.) (Verwey-Jonker Instituut, 1999)
      In dit rapport wordt verslag gedaan van de evaluatie van het wetsartikel 240b van het Wetboek van Srafrecht, betreffende kinderpornografie. De wetsevaluatie richtte zich op drie dimensies: de beoogde effecten van de wetswijziging, de hanteerbaarheidvan de thans geldende wettekst van artikele 240b Sr, de reikwijdte van de wetsbepaling. Het blijkt dat het nieuwe artikel inderdaad tot een effectievere bestrijding van kinderpornografie heeft geleid. Ook de hanteerbaarheid en de reikwijdte werden, op enkele punten na, voldoende geacht. Vooral de problematiek omtrent de kinderpornografie op het Internet behoeft speciale aandacht. Daarentegen kon een ontmoedigende werking niet worden aangetoond. De Aanwijzing van het College van procureurs-generaal is een verbetering van de eerdere Handleiding, maar behoeft op een aantal onderdelen nadere verduidelijking. De communicatie met de politie verdient verbetering. Er worden enkele aanbevelingen gedaan, waaronder een meer uniforme bovenregionale aanpak van kinderpornografie door de politie.