• Aangifte loont - Onderzoek naar de afhandeling van winkeldiefstallen door politie en justitie

      Aron, U.; Eshuis, R.; Wijkhuijs, W. (WODC, 1997)
      Winkeliers uiten al sinds de jaren zeventig hun bezorgdheid over de, in hun ogen, tekort schietende aandacht van politie en justitie voor winkeldiefstallen. In de jaren tachtig beloofde de politiek weliswaar verbetering, maar de geluiden uit de winkelbranche zijn sindsdien nauwelijks veranderd. In het onderhavige onderzoek is nagegaan hoe politie en justitie winkeldiefstallen daadwerkelijk afhandelen en in hoeverre de in de jaren tachtig gedane toezeggingen worden waargemaakt.
    • Aangifte onder nummer - Implementatie, toepassing en eerste resultaten van de nieuwe regeling 'Aangifte onder nummer'

      Bruinsma, M.; Ham, T. van; Hardeman, M.; Ferwerda, H. (Bureau Bruinsma, 2015)
      Vanaf 1 oktober 2012 is het mogelijk om aangifte te doen bij de politie zonder dat de eigen naam of adresgegevens van de aangever in het proces-verbaal worden opgenomen. Deze mogelijkheid heet ‘aangifte onder nummer’, verwijzend naar het feit dat de persoonsgegevens van de aangever worden vervangen door een (uniek) nummer. De nieuwe aangifteoptie is ingevoerd ter aanvulling van de andere (reeds bestaande) mogelijkheden voor het afleggen van (deels) anonieme verklaringen of aangiften. In dit onderzoeksrapport wordt beschreven hoe deze nieuwe aangiftemogelijkheid wordt toegepast en met welk resultaat. INHOUD: 1. Inleiding 2. Implementatie van de nieuwe werkwijze 3. De toepassing van 'onder nummer' verklaren 4. Het juridisch vervolg 5. Nut en noodzaak van de regeling 6. Beantwoording van de onderzoeksvragen
    • Aangifte- en meldingsbereidheid - Trends en determinanten

      Weijer, S. van de; Bernasco, W. (Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR), 2016)
      Dit onderzoek heeft als doel om ter beantwoording van vragen uit de Tweede Kamer informatie te verzamelen ter verklaring van de daling in de (cijfers over de) aangiftebereidheid van burgers, en om op basis van de uitkomsten waar mogelijk aanknopingspunten te benoemen voor beleid dat zich richt op het vergroten van de aangiftebereidheid. De hoofdvraag luidt: hoe kan de (vermeende) daling in de aangiftebereidheid van burgers in de periode 2005 tot 2015 worden verklaard? INHOUD: 1. Inleiding 2. Trends in aangifte- en meldingsbereidheid 3. Theorie 4. Literatuurstudie naar determinanten van aangifte- en meldingsbereidheid 5. Methode 6. Resultaten 7. Discussie
    • Aard en omvang van dader- en slachtofferschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit in Nederland

      Beerthuizen, M.G.C.J.; Sipma, T.; Laan, A.M. van der (WODC, 2020)
      De Nederlandse samenleving is in hoog tempo gedigitaliseerd. Bijna iedereen maakt dagelijks gebruikt van computer, smartphone of andere vormen van informatie- en communicatietechnologie (ICT). Naast de voordelen die deze digitalisering oplevert is er ook een schaduwzijde—cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit. Cybercriminaliteit betreft delicten waarbij ICT het middel en doel is. Het gaat dan bijvoorbeeld om delicten als hacken en ransomware. Gedigitaliseerde criminaliteit betreft traditionele delicten waarbij ICT als middel wordt ingezet, maar niet het doel is. Daarbij gaat het bijvoorbeeld over (doods)bedreigingen via WhatsApp of aan- en verkoopfraude via Marktplaats.nl. In het huidige rapport wordt uiteengezet wat er bekend is over de aard en omvang van slachtoffer- en daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit binnen de Nederlandse context, vanaf 2008. Hierbij staan de volgende drie vragen centraal: Hoe is de aard van slachtoffer- en daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit geconceptualiseerd? Hoe is slachtoffer- en daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit concreet geoperationaliseerd? Hoe groot wordt de omvang geschat van slachtoffer- en daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit? INHOUD: 1. Inleiding 2. Slachtofferschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit 3. Online bedreigingen in het lokaal bestuur 4. Daderschap van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit 5. Aanbieders en afnemers van cybercrime-as-a-service 6. Conclusie en discussie
    • Afspraak is afspraak? - Evaluatie van de eenduidige landelijke afspraken rondom opsporing en vervolging van geweld tegen werknemers met een publieke taak

      Kuppens, J.; Rijnink, R.; Esseveldt, J. van; Ferwerda, H. (Bureau Beke, 2019)
      Sinds 2010 vormen de zogenaamde Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) voor de politie en het Openbaar Ministerie (OM) een handelingskader voor opsporing en vervolging na geweld tegen werknemers met een publieke taak. De ELA, een set van 32 afspraken, zijn te beschouwen als instrument voor de politie en het OM om invulling te geven aan het repressieve deel van het programma Veilige Publieke Taak (VPT). De ELA zijn nog steeds operationeel, terwijl het programma VPT, waarin ook aandacht was voor preventie, eind 2016 is afgelopen. Het doel van deze evaluatie is inzicht verkrijgen in de uitvoering van de ELA door politie en OM. De centrale vraagstelling luidt: hoe worden de Eenduidige Landelijke Afspraken toegepast en nageleefd door politie en OM en wat zijn de ervaringen van de betrokken partijen met de ELA?
    • Bedreigingen en intimidaties van burgemeesters in relatie tot de bestuurlijke aanpak

      Klein Kranenburg, L.; Doeschot, F. ten; Bouwmeester, J.; Andringa, W. (I&O Research, 2020)
      Het doel van het onderzoek is het bieden van inzicht in de aard en omvang van de bedreigingen en intimidaties tegen burgemeesters, alsook in het aantal aangiften, vervolgingen en veroordelingen. Tevens dient het onderzoek inzicht te geven in de mogelijke relatie tussen de mate waarin burgemeesters gebruikmaken van het instrumentarium onder de noemer van ‘bestuurlijke aanpak’ en het zich voordoen van bedreigingen en intimidaties tegen hen. In dit onderzoek staan de volgende twee vragen centraal: Wat is in de periode vanaf 2010 de aard en omvang van het aantal bedreigingen en intimidaties tegen burgemeesters, hoe vaak doen zij daarvan aangifte, hoe vaak wordt er een verdachte opgepakt en hoe vaak vindt er vervolging en veroordeling plaats? In hoeverre is er wel of niet een relatie tussen de bestuurlijke aanpak en het zich voordoen van bedreigingen en intimidaties tegen burgemeesters, uitgesplitst naar de aard van de bedreiging of intimidatie en naar het type dader? INHOUD: 1. Inleiding 2. Bestuurlijke aanpak 3. Slachtofferschap en strafrechtelijke reactie 4. Relatie tussen inzet OOV-bevoegdheden en bedreiging/intimidatie 5. Conclusies en slotbeschouwing
    • Bevolking en criminaliteit op de Nederlandse Antillen - ervaringen van burgers met criminaliteit, aangiftegedrag van slachtoffers en houding tegenover de politie; een bevolkingsonderzoek

      Spickenheuer, J.L.P. (WODC, 1982)
      Dit rapport bevat de resultaten van een slachtofferenquete op de Nederlandse Antillen. Daarnaast is gekeken naar het politieoptreden en de verhouding politie/publiek.
    • Criminal Victimisation in International Perspective - Key findings from the 2004-2005 ICVS and EU ICS

      Dijk, J. van; Kesteren, J. van; Smit, P. (WODC, 2007)
      This report presents the key results of the crime victim surveys that were carried out as part of the fifth sweep of the International Crime Victim Surveys (ICVS) conducted in 2004/2005. A large portion of the these data are derived from the European Survey on Crime and Safety (EU ICS), organised by a consortium lead by Gallup Europe and co-financed by the European Commission, DGRTD. Wherever possible, results on 2004 have been compared with results from surveys carried out in earlier rounds since 1989. The ICVS and EU ICS cover ten conventional crimes, broken down into vehicle related crimes (theft of a car, theft from a car, theft of a motorcycle or moped, theft of a bicycle), burglary, attempted burglary, theft of personal property and contact crimes (robbery, sexual offences and assault & threat). In most countries in this report, questions have been added to the questionnaire on experiences with street level corruption, consumer fraud, including internet-based fraud and credit card theft, drug-related problems and hate crime. For most categories of crime trends over time can be studied in a broad selection of countries. Other subjects covered by the questionnaire are reporting to the police, satisfaction with the police, distribution and need of victim support, fear of crime, use of preventive measures and attitudes towards sentencing. This report presents data from 30 countries, including the majority of developed nations. Also the data from 33 main cities of a selection of developed and developing countries are presented in this report. Altogether data are presented from 38 different countries. A full text translation of this report in Spanish is also available (See: Onderzoek en beleid 257a). CONTENT: 1. Introduction 2. Victimisation by any comon crime 3. Victimisation by vehicle related crimes 4. Victimisation by burglary and other theft 5. Victimisation by contact crimes 6. Victimisation by non-conventional crimes 7. Victimisation trends 8. Victimisation and police recorded crime 9. Reporting crimes to the police and victim satisfaction 10. Victim support 11. Fear of crime 12. Security precautions 13. Public attitudes to law enforcement 14. Public opinion and punishment 15. Twenty years of comparitive crime victim surveying
    • Criminal victimization in seventeen industrialized countries - Key findings from the 2000 International Crime Victims Survey

      Kesteren, J. van; Mayhew, P.; Nieuwbeerta, P. (NSCR, 2000)
      The International Crime Victimisation Survey (ICVS) is the most far-reaching programma of fully standardised sample surveys looking at householders’ experience of crime in different countries. The first ICVS took place in 1989, the second in 1992, the third in 1996 and the fourth in 2000. Surveys have been carried out in 24 industrialised countries since 1989, and in 46 cities in developing countries and countries in transition. This report deals with seventeen industrialised countries which took part in the 2000 ICVS. The results in this report relate mainly to respondents’ experience of crime in 1999, the year prior to the 2000 survey. Those interviewed were asked about crimes they had experienced, whether or not reported to the police. CONTENT: 1. Introduction 2. Victimisation rates 3. Individual risk factors 4. Reporting crime and the police 5. Attitudes to crime 6. Conclusions
    • Criminaliteit en gevoelens van onveiligheid - de ontwikkeling tussen 1979 en 1981 in de gemeente Utrecht

      Nuijten-Edelbroek, E.G.M. (WODC, 1982)
      Dit rapport bevat de resultaten van een vergelijkend onderzoek onder de bevolking van de gemeente Utrecht naar de omvang van de (kleine) criminaliteit en daarmee verondersteld verbonden aspecten zoals gevoelens van onveiligheid en oordeel over de taken en het optreden van de politie.
    • Criminaliteitsbestrijding en de relatie tussen publiek en politie in Utrecht; 1979-1983

      Nuijten-Edelbroek, E.G.M. (WODC, 1984)
      In de twee voorgaande jaren, nl. 1979 en 1981, heeft onder de bevolking van de gemeente Utrecht een onderzoek plaatsgevonden naar de eigen ervaringen met vormen van zgn. kleine criminaliteit, de gevoelens van onveiligheid, de angst voor criminaliteit, alsmede aspecten zoals aangifte- en preventiegedrag en oordeel over de taken en het optreden van de politie. In het najaar van 1983 is hierover wederom een onderzoek gehouden onder de Utrechtse bevolking.
    • Criminaliteitsbestrijding in Enschede - een onderzoek ten behoeve van een prioriteitenplan

      Spickenheuer, J.L.P. (WODC, 1983)
      De onderzoekactiviteiten van het WODC hebben zich op de volgende aspecten gericht: de ontwikkeling van de criminaliteit en de ophelderingspercentages; het vervolgingsbeleid van het OM; de werkwijze van de Justitiële Dienst (JD); en de verhouding politie-burgerij.
    • Criminaliteitsbestrijding op langere termijn - de effecten van projectsurveillance en voorkoming misdrijven

      Nuijten-Edelbroek, E.G.M. (WODC, 1983)
      Vanaf 1980 is het WODC in een aantal gemeenten gestart met evaluatiestudies naar de effecten van methodieken die de politie bij wijze van experiment ter hand heeft genomen teneinde de kleine criminaliteit beter te kunnen bestrijden. Een van deze gemeenten is Hoogeveen, waar de politie - naast de repressieve aanpak middels opsporingsonderzoek - meer preventief is gaan werken aan de bestrijding van vernieling, inbraak en diefstal. Dit gebeurt enerzijds in de vorm van tijd- en plaatsgerichte surveillances op vernieling en anderzijds in de vorm van een breed terrein van activiteiten door een daartoe uit de recherche vrijgemaakte ambtenaar Voorkoming Misdrijven (VM), gericht op de preventie van inbraak, diefstal en vernieling.
    • ""Daar lig ik niet echt wakker van" - gesprekken met ondernemers uit het Midden- en Kleinbedrijf over criminaliteit en criminaliteitspreventie

      Grapendaal, M.; Sabee, V. (WODC, 1994)
      De interviews hadden onder meer betrekking op criminaliteit, criminaliteitspreventie, gedragscodes, criminogene effecten van regelgeving en dergelijke.
    • De weg(en) naar verblijfsrecht - Waarom buitenlandse slachtoffers van mensenhandel gebruikmaken van de asielprocedure

      Meer, M. van der; Maliepaard, M.; Can, S. van; Schans, D. (WODC, 2020)
      Ieder jaar worden er in Nederland naar schatting tussen de 5.000 en 7.500 mensen slachtoffer van mensenhandel. Circa 2.700 van deze (vermoedelijke) slachtoffers komen uit het buitenland. Vaak hebben buitenlandse slachtoffers mensenhandel geen verblijfsrecht in Nederland, wat wil zeggen dat zij noch de Nederlandse nationaliteit hebben, noch in het bezit zijn van een geldige verblijfsvergunning. Voor deze groep bestaat de verblijfsregeling mensenhandel, een regeling bedoeld voor slacht-offers mensenhandel die medewerking verlenen aan het strafproces tegen de mensenhandelaar. Omdat niet alle slachtoffers gebruikmaken van deze regeling en een deel van de slachtoffers mensenhandel in Nederland een asielaanvraag doet, heeft de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (NR) in de voorlaatste slachtoffermonitor (2018) aanbevolen onderzoek te doen naar redenen voor gebruik van de asielprocedure. Het onderhavige onderzoek vertrekt dan ook vanuit de vraag ‘Wanneer en waarom kiezen buitenlandse slachtoffers mensenhandel voor de asielprocedure in plaats van of naast de verblijfsregeling mensenhandel en hoe vaak komt dit voor?’ INHOUD: 1. Inleiding 2. Een schets van de verblijfsrechtelijke context 3. Cijfermatig inzicht in verblijfsrechtelijke routes 4. Waarom maken buitenlandse slachtoffers mensenhandel gebruik van de procedure? 5. Conclusie en discussie
    • De WODC-slachtofferenquêtes 1974-1979 - Verslag van een jaarlijks onderzoek naar de omvang en aard van de kleine criminaliteit in Nederland, de bereidheid van de bevolking om delicten bij de politie aan te geven en het verbaliseringsbeleid van de politie

      Dijk, J.J.M. van; Steinmetz, C.H.D. (WODC, 1979)
      In hoofdstuk 2 wordt een overzicht gegeven van de landelijke slachtofferpercentages in 1977 en 1978. Deze percentages zullen worden vergeleken met de vergelijkbare percentages in de jaren 1973 t/m 1976. In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de uiteenlopende (ontwikkelingen van) slachtofferpercentages in de verschillende delen van ons land. In hoofdstuk 4 komt de algemene vraag aan de orde welke bevolkingsgroepen relatief hoge of lage slachtofferpercentages vertoonden in 1976 en 1977. Hoofdstuk 5 is gewijd aan de ontwikkeling van het percentage slachtoffers dat aangifte bij de politie doet. In hoofdstuk 6 wordt het verbaliseringsbeleid van de politie op landelijk en lokaal niveau bestudeerd met behulp van de gegevens over het percentage van de aangevers dat een proces-verbaal heeft ondertekend. In hoofdstuk 7 is een poging ondernomen om de relaties tussen het sepotbeleid van het openbaar ministerie, het verbaliseringsbeleid van de politie en de aangiftepatronen van de bevolking in één model onder te brengen. In hoofdstuk 8 ten slotte worden de uitkomsten van de slachtofferenquete geplaatst naar de gegevens van de politiestatistiek. Het rapport wordt afgesloten met een korte samenvatting van de belangrijkste resultaten.
    • Documentanalyse B9 regeling mensenhandel

      Wijers, M. (WODC, 2004)
      Deze documentanalyse richt zich op de uitvoering van de bestaande regeling voor slachtoffers van mensenhandel, zoals vastgelegd in de vreemdelingencirculaire hoofdstuk B9 (Vc B9)2. Klachten over tekortkomingen in de regeling zelf zijn buiten beschouwing gelaten, tenzij deze direct relevant waren voor de uitvoering van de huidige regeling. Na een bespreking van de problemen rondom de toepasselijkheid van de regeling op zich, volgt het rapport in grote lijnen de diverse fasen van de B9 regeling. Onder elk kopje wordt steeds eerst kort de inhoud van de regeling aangegeven. Aparte aandacht wordt besteed aan de voorlichting en opvang van slachtoffers van mensenhandel. Afgesloten wordt met een korte analyse van de gesignaleerde knelpunten in de uitvoering.
    • Evaluatie van de pilot 'Categorale Opvang voor Slachtoffers van Mensenhandel'

      Londen, M. van; Hagen, L. (WODC, 2012)
      De pilot 'Categorale Opvang voor Slachtoffers van Mensenhandel' (COSM) is op 15 juni 2010 officieel van start gegaan op drie locaties in Nederland (voor de duur van twee jaar). Het primaire doel van de pilot was om slachtoffers, inclusief eventuele meegekomen kinderen, snel en veilig op te vangen en op die manier de uitbuiting te stoppen. In deze evalutie wordt nagegaan in hoeverre de pilot COSM beantwoordt aan de doelen die daaraan gesteld werden. De probleemstelling van het onderzoek luidt: In hoeverre zijn de aan de COSM gestelde doelen bereikt, en in hoeverre zijn er verschillen in opvang en begeleiding van slachtoffers van mensenhandel tussen COSM en reguliere opvang? INHOUD: 1. Inleiding 2. Aanmelding, toelatingscriteria en instroom in de opvang 3. Begeleiding van slachtoffers in de opvang 4. Doorstroom, uitstroom en aangiftebereidheid 5. Conclusies en discussie
    • Experiences of crime across the world - Key findings of the 1989 international crime survey

      Dijk, J.J.M. van; Mayhew, P.; Killias, M. (WODC, 1990)
      This report bas presented resuits from an international research project in which surveys were conducted with representative samples of national populations of people aged 16 years or more about their experiences of crime. The surveys took place in the early part of 1989. fourteen countries, in and out of Europe, conducted surveys which were fully standardized as regards sampling metliod, method of interview, and questions asked. The suwey provides unique comparative information about people’s experience of crime. It gives a measure of the extent of criminal victimization which is independent of that based on statistics of offences recorded by the police. These statistics enumerate only crimes reported to, and recorded by the police, and have been found difficult to use for comparative purposes. The survey also collected from respondents in each country comparative information about their responses to crime.
    • Geregistreerde en niet-geregistreerde kriminaliteit - Een beschouwing naar aanleiding van C.B.S.-cijfers en aanvullende enquêtes

      Buikhuisen, W. (WODC, 1975)
      INHOUD: 1. Inleiding 2. Hoe komen de kriminaliteitsstatistieken tot stand? 3. De betekenis in het algemeen van de geregistreerde kriminaliteit 4. De betekenis van de geregistreerde kriminaliteit voor de vaststelling van de omvang van de kriminaliteit 5. De betekenis van de geregistreerde kriminaliteit voor de vaststelling van de ontwikkeling van de kriminaliteit 6. De betekenis van de geregistreerde kriminaliteit voor de vaststelling van de workload en aktiviteitennivo van de politie SAMENVATTING: In dit rapport wordt ingegaan op de vraag, waarvoor de door het CBS geproduceerde criminaliteitscijfers wel bruikbaar zijn en waarvoor niet. De vraag is hoe de criminaliteitsstatistieken tot stand komen en hoe het verschil tussen geregistreerde en niet-geregistreerd criminaliteit tot stand komt.