• Afhandeling van winkeldiefstal via de Halt-procedure - Evaluatie van een Rotterdams experiment

      Kruissink, M.; Verwers, C. (medew.) (WODC, 1991)
      In 1989 is in Rotterdam geëxperimenteerd met een alternatieve afdoening van winkeldiefstal, gepleegd door strafrechtelijk minderjarigen. Het ging om een afdoening die veel overeenkomst vertoont met de afdoening van vandalismezaken via Halt-bureaus. Jongeren die wegens winkeldiefstal door de politie worden aangehouden, kunnen - mits zij aan bepaalde voorwaarden voldoen - aan justitiële vervolging ontkomen door alternatieve werkzaamheden te verrichten, liefst op de plek des onheils. Het experiment werd beschouwd worden als een variant op het lik-op-stuk-experiment onder meerderjarige winkeldieven. Een lik-op-stuk-aanpak voor jongeren zou ertoe leiden dat de ouders, in plaats van de jeugdige dader, het kind van de rekening worden, omdat jongeren doorgaans niet over veel geldelijke middelen beschikken. Voor minderjarigen lijkt het verrichten van werkzaamheden, overeenkomstig de Halt-aanpak van vandalisme, daarom een beter alternatief. Zeker wanneer die werkzaamheden enig verband met het gepleegde delict vertonen en daardoor als leerzaam en constructief kunnen worden aangemerkt. Een andere overweging om dit experiment te starten is dat jongeren die op vandalisme worden betrapt, op vrije middagen via Halt aan het werk gezet worden, terwijl winkeldiefjes veelal na een reprimande (politiesepot) worden heengezonden. Via het experimentele winkeldiefstalproject kan ook winkeldiefstal op een snelle lichte wijze gesanctioneerd worden, zonder het politie- en justitie-apparaat al te zeer te belasten. Probleemstelling: Leidt de alternatieve afdoening via het winkeldiefstal-project tot minder recidive dan de gangbare afhandeling? INHOUD: 1. Inleiding en probleemstelling 2. Methode van onderzoek 3. Het winkeldiefstalproject: opzet en praktijk 4. Kenmerken van de alternatief afgehandelde jongeren 5. Effectiviteit van de alternatieve afhandeling 6. Aanbevelingen.