Collections in this community

Recent Submissions

  • Met beleid van start - Over de rol van beleid voor ontwikkelingen in de positie en leefsituatie van Syrische statushouders

    Huijnk, W.; Dagevos, J.; Djundeva, M.; Schans, D.; Uiters, E.; Ruijsbroek, A.; Mooij, M. de (Sociaal en Cultureel Planbureau (CPB), 2021-04)
    Het project ‘Longitudinaal cohortonderzoek asielzoekers en statushouders’ heeft als doel om de positie en de leefsituatie van statushouders te onderzoeken en veranderingen in kaart te brengen. Dit is de vierde kwantitatieve studie binnen dat project. Deze studie is verklarend van aard en richt zich primair op Syrische statushouders. Zij maken verreweg het grootste deel uit van de groep statushouders die in de afgelopen jaren in Nederland is komen wonen. De studie gaat na welke factoren van invloed zijn op veranderingen in de positie en de leefsituatie van Syrische statushouders, met een sterke focus op de rol van beleidsfactoren. Hiermee pogen we beter zicht te krijgen op cruciale factoren die een goede start faciliteren. Wat werkt (niet)? INHOUD: 1. Inleiding: de leefsituatie verklaard - Willem Huijnk en Jaco Dagevos (SCP) 2. De rol van psychische en fysieke gezondheid bij succesvol inburgeren in Nederland - Ellen Uiters en Annemarie Ruijsbroek (RIVM), met medewerking van drs. Evert Bloemen 3. Taal met beleid. Factoren achter de taalverbetering van Syrische statushouders - Linda Bakker (Signi cant Public), Jaco Dagevos (SCP) en Maja Djundeva (SCP) 4. Arbeidsdeelname van statushouders en hun dynamiek op de arbeidsmarkt - Dion Dieleman, Corina Huisman, Stephan Verschuren (CBS) 5. Wat werkt? Over de invloed van beleid op de start van de arbeidsloopbaan van Syrische statushouders - Roxy Damen, Willem Huijnk en Maja Djundeva (SCP) 6. Een goed begin is het halve werk? - Mieke Maliepaard, Sanne Noyon en Djamila Schans (WODC)
  • Tussenevaluatie pilot Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen - Samen werken aan bestendige oplossingen voor vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang

    Hermens, N.; Kahman, M.; Treeck, J. van; Out, M.; Gruijter, M. de (Verwey-Jonker Instituut, 2021-03)
    Het doel van het programma LVV is het ontwikkelen van een landelijk dekkend netwerk van LVV’s. In de LVV’s werken lokale maatschappelijke organisaties en de landelijke ketenpartners onder regie van de gemeente samen aan het vinden van bestendige oplossingen voor vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang. Met bestendige oplossingen wordt bedoeld: terugkeer naar het land van herkomst, doormigratie naar een derde land waar permanent verblijf gewaarborgd is, en, indien dit tot de mogelijkheden behoort, legalisering van verblijf in Nederland. Sinds medio 2019 zijn in de vijf gemeenten LVV pilots gestart om de juiste aanpak, structuur en wijze van samenwerken binnen de LVV’s te ontwikkelen. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Aanpak van dit onderzoek, 3. De LVV populatie, 4. Bevindingen uit de pilots, 5. Conclusie
  • Dataveiligheid en privacy bij het gebruik van fysiologische wearables in de justitiële context - Een casusonderzoek met de Empatica E4

    Braak, S.W. van den; Platje, E.; Kogel, C.H. de (WODC, 2021-03)
    Onderzoek laat zien dat technologische zelfmeetmethoden de potentie hebben om behandeling te personaliseren, veiligheid in detentie te verbeteren, reclasseringstoezicht te verrijken en zelfredzaamheid van justitiabelen te vergroten. Niettemin zijn er ook serieuze aandachtspunten en risico’s verbonden aan het gebruik van technologische zelfmeetmethoden. Voordat technologische zelfmeetmethoden op grotere schaal in de justitiële context gebruikt kunnen worden, is het daarom van belang te onderzoeken hoe het gesteld is met de dataveiligheid bij dergelijke methoden en wat binnen de justitiële context eventueel zou kunnen worden gedaan om de veiligheid van verzamelde gegevens en daarmee de privacy van de betrokkenen te waarborgen. In dit rapport beschrijven we een casusonderzoek hiernaar waarbij we ons specifiek gericht hebben op fysiologische wearables. Dit zijn draagbare apparaatjes die om de pols of op het lichaam gedragen worden en waarmee door middel van sensoren fysiologische gegevens verzameld kunnen worden. Dit casusonderzoek is verricht aan de hand van één specifieke wearable: de Empatica E4. De volgende deelvragen staan centraal: 1. Wat gebeurt er met de fysiologische gegevens van de Empatica E4 nadat deze verzameld zijn door de gebruiker met betrekking tot: gegevensopslag, gegevenstransport en toegang tot de gegevens door derden? 2. Wat zijn de risico’s daarbij voor de veiligheid van de gegevens en voor de privacy van de drager? En hoe zien de risico’s en de geboden functionaliteit eruit in vergelijking met andere wearables? 3. Welke kennis, ervaringen en zorgen hebben professionele gebruikers van de Empatica E4 met betrekking tot gegevensopslag, toegang tot gegevens door derden en privacy? 4. Wat betekenen de antwoorden op de deelvragen voor het gebruik van de Empatica E4 en andere fysiologische wearables in de justitiële context?
  • Nationale Drug Monitor - Jaarbericht 2020

    Laar, M.W. van (red.); Beenakkers, E.M.T. (red.); Cruts, A.A.N. (red.); Ketelaars, A.P.M. (red.); Kuin, M.C. (red.); Meijer, R.F. (red.); Miltenburg, C.J.A. van (red.); Mujcic, A. (red.); Strada, L. (red.) (Trimbos-Instituut, 2021-03)
    De Nationale Drug Monitor (NDM) is in 1999 opgericht op initiatief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Het NDM-jaarbericht als geheel wordt geproduceerd door het Programma Drug Monitoring van het Trimbos-instituut. Drugsbeleid kent echter niet alleen volksgezondheidsaspecten, maar ook aspecten van criminaliteit en overlast. Sinds 2002 ondersteunt ook het WODC de NDM. In de NDM handelen drie hoofdstukken over onderwerpen die op het terrein van het ministerie van JenV liggen, namelijk een hoofdstuk over wetgeving en beleid op JenV-terrein, een hoofdstuk over illegale handel, productie en bezit van drugs en een hoofdstuk over criminaliteit en overlast door alcohol- en drugsgebruikers. Voor het Jaarbericht 2020 van de NDM besteedt het WODC het opstellen van twee van de drie hoofdstukken extern uit: het hoofdstuk over illegale handel, productie en bezit van drugs, en het hoofdstuk over criminaliteit en overlast door alcohol- en drugsgebruikers. Het onderzoek moet ook enige informatie bieden, op basis van dezelfde databronnen die gebruikt worden voor de NDM, voor het Nederlandse hoofdstuk in het European Drug Report van de European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction (EMCDDA). INHOUD: 1. Inleiding, 2. Wetgeving & beleid, 3. Cannabis, 4. Cocaïne, 5. Opiaten, 6. Ecstasy, 7. Amfetamine, 8. Nieuwe psychoactieve stoffen, 9. GHB, 10. Slaap- en kalmeringsmiddelen, 11. Alcohol, 12. Tabak, 13a. Lachgas, 13b. Ketamine, 13c, Ritalin, 14. Illegale handel, bezit en productie, 15. Criminaliteit en overlast door alcohol- en drugsgebruikers
  • Herstelrecht bij de politie - Een inventarisatie van initiatieven en werkwijzen

    Hoekstra, M.S.; Beenakkers, E.M.T. (medew.) (WODC, 2021-03)
    Herstelrechtvoorzieningen kunnen in alle fasen van het strafproces worden ingezet. Het Beleidskader herstelrechtvoorzieningen gedurende het strafproces beschrijft welke herstelrechtvoorzieningen beschikbaar zijn wanneer een zaak wordt afgedaan door het Openbaar Ministerie of wordt behandeld door een rechter. Dit onderzoek heeft tot doel een eerste inventarisatie te maken van herstelrechtvoorzieningen in het traject dat hieraan voorafgaat: van melding, aangifte of ambtshalve vervolging tot en met de eventuele doorzending van een zaak naar het Openbaar Ministerie (OM). In deze politiefase is sprake van een grote diversiteit aan op herstel gerichte initiatieven. Het is echter niet duidelijk welke dit precies zijn en wat deze voorzieningen inhouden, hoe en wanneer ze worden ingezet en hoe professionals tegen deze voorzieningen aankijken. Dit rapport biedt een eerste inventarisatie van herstelrechtvoorzieningen in de politiefase en brengt de ervaringen met deze voorzieningen in kaart. INHOUD: 1. Inleiding 2. Literatuuroverzicht 3. Herstelrechtvoorzieningen in de politiefase 4. Perspectieven op herstelrecht bij de politie 5. Conclusie en slotbeschouwing
  • Evaluatie Nationale Contraterrorismestrategie 2016-2020 fase 1 - Analyse en meetbaarheid beleidsmaatregelen

    Woestenburg, N.; Winter, H.; Diekema, M.; Roest, S.; Struiksma, N. (Rijksuniversiteit Groningen - Pro Facto, 2021-03)
    Bij (de uitvoering van) het contraterrorismebeleid (CT-beleid) zijn veel verschillende instanties en organisaties betrokken. Lokale, nationale en internationale overheden werken samenwerken met maatschappelijke organisaties, bedrijven en sleutelfiguren om preventieve en repressieve maatregelen te nemen. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) vervult vanaf 1 januari 2005 de coördinerende taak bij terrorismebestrijding. De NCTV beschrijft de gemeenschappelijke aanpak van terrorismebestrijding voor het eerst in de Nationale Contraterrorismestrategie 2011-2015. Aan de contraterrorismemaatregelen in de periode 2001-2010 lag geen overkoepelende strategie ten grondslag. De Nationale Contraterrorismestrategie 2016-2020 (CT-strategie) is de opvolger van de CT-strategie 2011-2015. Het doel van de CT-strategie is het bieden van een strategisch kader aan overheidspartners voor het tegengaan van de terroristische en extremistische dreiging tegen Nederland. De centrale onderzoeksvraag van het onderzoek is: Wat zijn de doelen en de beleidsmaatregelen van de Nationale Contraterrorismestrategie 2016-2020, de verwachte bijdrage van de beleidsmaatregelen aan de doelrealisatie en bij welke maatregelen is het meten van de bijdrage die beleidsmaatregelen leveren aan de doelstellingen van de CT-strategie kansrijk? INHOUD: 1. Inleiding 2. Nationaal Contraterrorismebeleid 3. Analyse beleidsmaatregelen 4. Het identificeren van meetbare beleidsmaatregelen 5. Handreikingen fase 2 van de evaluatie 6. Beantwoording deelvragen
  • Alimentatie van nu - Acceptatie van alimentatie in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen

    Kolkman, W.D.; Verstappen, L.C.A.; Visser, I.; Ibili, F. (medew.); Oost, S. (medew.) (Rijksuniversiteit Groningen, 2021)
    Dit onderzoek concentreert zich rond de probleemstelling of het wenselijk is de huidige regelingen van partner- en kinderalimentatie ‘bij de tijd’ te brengen. In dit kader komen drie facetten van alimentatie aan de orde: acceptatie door justitiabelen,aansluiting bij de huidige maatschappij en mogelijke aanpassingen van wet- en regelgeving, waaronder begrepen de Tremanormen. Deze facetten zijn onderling sterk met elkaar verbonden. Zo kan een aanpassing van de rekenmethodiek leiden tot een betere aansluiting bij de samenleving, waardoor betrokkenen sneller geneigd zullen zijn de regeling te aanvaarden. Uit de probleemstelling vloeien de volgende vier onderzoeksvragen voort: 1. Acceptatie door justitiabelen. Welke elementen van het systeem van partner- en kinderalimentatie dragen bij of doen afbreuk aan de acceptatie van de onderhoudsverplichting? In het verlengde hiervan rijst de vraag of er een verband is tussen de mate van acceptatie van de onderhoudsverplichtingen enerzijds en het aantal gerechtelijke procedures en invorderingsprocedures door het LBIO anderzijds. Dit onderdeel is nader uitgewerkt in hoofdstuk 4. 2. Aanpassing berekeningssysteem. Welke aanpassingen aan het bestaande berekeningssysteem van partneralimentatie kunnen bijdragen aan een vergroting van de acceptatie? In het bijzonder zal hierbij aandacht bestaan voor de vraag of een meer forfaitair stelsel de vergroting van de acceptatie bevordert. Ook stellen wij de vraag of een stelsel met een clean break tot een vergroting van de acceptatie van de onderhoudsverplichting leidt en een vermindering van het aantal procedures. Dit onderdeel is nader uitgewerkt in hoofdstuk 5. 3. Aansluiting bij maatschappij – algemeen. Sluit het stelsel van de onderhoudsverplichtingen aan bij de inrichting van de huidige maatschappij? Dit onderdeel is nader uitgewerkt in hoofdstuk 6. 4. Aansluiting bij maatschappij – informele samenlevers. Bij de maatschappelijke aansluiting speelt niet alleen de algemene vraag of het hedendaagse alimentatierecht nog wel ‘compatibel’ is, ook een specifieke vraag doemt hier op: dienen onderhoudsverplichtingen zich ook uit te strekken over de almaar groeiende groep ‘informele samenlevers’? Dit onderdeel is nader uitgewerkt in hoofdstuk 7. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Huidige stand van zaken wetgeving, jurisprudentie en literatuur, 3. Ontwikkelingen in (opvattingen over) relaties, gezinnen, kinderen en scheidingen, 4. Acceptatie door justitiabelen, 5. Aanpassing berekeningssysteem, 6. Aansluiting bij de maatschappij - algemeen, 7. Aansluiting bij de maatschappij- informeel samenlevenden, 8. Conclusies en beantwoording onderzoeksvragen
  • Trends in kunstcriminaliteit

    Charney, N.; Rausch, Chr.; Bouwknegt, L.; Hufnagel, S.; Bronswijk, R.; Beurden, J. van; Kila, J.; Assendelft, F.; Duijsens, J. (WODC, 2021)
    ARTIKELEN: 1. Noah Charney - Kenmerken van kunstcriminaliteit 2.Christoph Rausch, Léonie Bouwknegt, Jeroen Duijsens en Frank Assendelft - ‘Dirty money, pretty art’. Witwassen en ondermijning in tijden van financialisering van kunst 3. Saskia Hufnagel - De aanpak van kunstcriminaliteit in Europa 4. Richard Bronswijk en Fons van Gessel - De aanpak van kunstcriminaliteit in Nederland 5. Jos van Beurden Dubieuze verwervingen en het Advies over de omgang met koloniale collecties 6. Joris Kila - De terugkeer van de beeldenstorm. Over iconoclasme, cultuurgoed en identiteit. SAMENVATTING: Met enige regelmaat worden in Nederland bekende kunstwerken geroofd, veelal schilderijen uit musea. De laatste keer was in augustus 2020, toen uit het museum Hofje van Mevrouw Van Aerden in Leerdam een schilderij van Frans Hals werd gestolen. Opmerkelijk genoeg werd dit doek, getiteld Twee lachende jongens, al twee keer eerder gestolen en ook weer teruggevonden. Eerder in 2020 was een schilderij van Vincent van Gogh het doelwit van kunstrovers. Zij gingen ervandoor met het werk Lentetuin, de pastorietuin te Nuenen in het voorjaar, dat in bruikleen was bij het Singer Museum in Laren. Dit type kunstcriminaliteit spreekt tot de verbeelding en is niet voor niets onderwerp van veel boeken, films en televisieprogramma’s. Kunstcriminaliteit heeft echter veel meer verschijningsvormen dan enkel kunstroof. Traditioneel vallen fraude, vervalsing en vandalisme daar ook onder, maar daarnaast zijn er vormen van criminaliteit die aan kunst gerelateerd zijn, zoals witwassen, belastingmisdrijven, gijzeling en afpersing. Ook worden met de verkoopopbrengst van gestolen kunst of cultuurgoederen andere illegale activiteiten gefinancierd, zoals de aankoop van wapens ten behoeve van terrorisme. De activiteiten van kunstcriminelen, de betrokkenheid van de georganiseerde misdaad en de opsporing en vervolging van kunstcriminaliteit komen ruimschoots aan bod in deze aflevering van Justitiële verkenningen over ‘Trends in kunstcriminaliteit’. In dit themanummer verstaan we onder kunst ook antiek en cultureel erfgoed, ‘cultuurgoederen’. Aan sommige kunst en cultuurgoederen afkomstig uit voormalige Nederlandse koloniale gebieden kleeft een smet. Ook daar is aandacht voor, met een artikel over teruggave van deze objecten aan de landen van herkomst. Daarnaast komt een verschijnsel aan de orde dat eind jaren negentig in een themanummer van Justitiële verkenningen nog werd aangeduid als ‘kunstvandalisme’. In het afgelopen decennium heeft dit een nieuwe dimensie gekregen. Agressie tegen cultuurgoederen (iconoclasme) is nu vaak politiek, ideologisch gemotiveerd, zoals recente aanvallen op standbeelden van bijvoorbeeld koloniale gezagsdragers laten zien. Ook de vernietiging door Islamitische Staat (IS) van eeuwenoude bouwwerken in Irak en Syrië in 2015-2016 doet de vraag rijzen of we kunnen spreken van een terugkeer van het fenomeen beeldenstorm.
  • Voorwaardelijke beleidssepots bij daders van huiselijk geweld - Een onderzoek naar de opleggingspraktijk en effectiviteit in termen van recidive

    Beijersbergen, K.A.; Kros, M. (WODC, 2021)
    In de onderhavige studie is in kaart gebracht hoe de oplegging van voorwaardelijke beleidssepots bij huiselijk gewelddaders in de praktijk vorm krijgt en in hoeverre voorwaardelijke beleidssepots effectief zijn in het terugdringen van (huiselijk gewelds)recidive onder huiselijk gewelddaders. De studie maakt deel uit van het vijfjarige onderzoeksprogramma naar de recidive onder huiselijk gewelddaders. De volgend onderzoeksvragen zijn beantwoord: 1. Bij hoeveel daders van huiselijk geweld met een voorwaardelijk beleidssepot heeft de reclassering een advies uitgebracht over hoe de zaak af te doen en wat was het advies? 2. Wat zijn de kenmerken van de voorwaardelijk beleidssepots die zijn opgelegd bij daders van huiselijk geweld? a. Wat zijn de sepotgronden? b. Bij welk deel van de daders zijn bijzondere voorwaarden opgelegd en welke bijzondere voorwaarden zijn opgelegd? 3. Welke afwegingen maken reclasseringsmedewerkers en officieren van justitie in huiselijk geweldstrafzaken bij het respectievelijk adviseren en opleggen van een voorwaardelijk beleidssepot en de voorwaarden? 4. Hoe verhoudt de (huiselijk gewelds)recidive van huiselijk gewelddaders met een voorwaardelijk beleidssepot (onderzoeksgroep) zich tot de recidive van vergelijkbare huiselijk gewelddaders met een onvoorwaardelijk beleidssepot (controlegroep)? 5. Hoe verhoudt de (huiselijk gewelds)recidive van huiselijk gewelddaders met een voorwaardelijk beleidssepot met bijzondere voorwaarden (onderzoeksgroep A) zich tot de recidive van vergelijkbare huiselijk gewelddaders met een voorwaardelijk beleidssepot zonder bijzondere voorwaarden en dus enkel de algemene voorwaarde (onderzoeksgroep B)?
  • Wet straffen en beschermen en Visie 'Recht doen, kansen bieden' - Tussenrapport beleidslogica en kader voor evaluatie/monitoring

    Homburg, G.; Verbeek, E.; Grift, M. van de; Kuin, M. (Regioplan Beleidsonderzoek, 2020-12-31)
    Op 17 juni 2018 heeft de minister voor Rechtsbescherming, minister Dekker, het visiedocument ‘Recht doen, kansen bieden: naar effectievere gevangenisstraffen’ naar de Tweede Kamer gestuurd. Het visie-document gaat over de wijze waarop gevangenisstraffen worden uitgevoerd vanuit het perspectief van de geloofwaardigheid van straffen en de bescherming van de maatschappij. Het is een uitwerking van het regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ uit 2017. Centrale thema’s zijn de aanpassing van de voorwaardelijke invrijheidstelling (verder: v.i.) bij langere vrijheidsstraffen, een systeem van straffen en belonen in detentie en een verder versterkte inzet op vermindering van recidive. De Wet straffen en beschermen (verder: Wet senb), waarin veel elementen uit het visiedocument een plaats hebben gekregen, wordt op 1 mei 2021 van kracht. Om de evaluatie voor te bereiden en daarmee tevens inzicht te geven in het evaluatiekader heeft het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) besloten om een voorbereidend onderzoek uit te laten voeren. Dit onderzoek is dus niet de evaluatie zelf, maar blikt daarop vooruit en beoogt te bevorderen dat er een goede kennisbasis voor de latere evaluatie is. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Beleidslogica, 3. Vooruitblik evaluatie Wet senb en Visie
  • Criminele gebouwen - De faciliterende rol van woningen en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit in Nederland en vier EU-landen

    Kruize, P.; Gruter, P.; Suchtelen, T. van (medew.) (Ateno, 2020-12-31)
    Aanleiding voor dit onderzoek is een Kamermotie waarin de regering wordt gevraagd te bezien langs welke weg particuliere eigenaren en woningcorporaties kunnen worden gewaarschuwd voor criminele intenties van potentiële gebruikers/huurders van hun onroerend goed bezit. Het streven is gemeenten, woningbouwcorporaties en bonafide private partijen instrumenten ter hand te stellen voor de preventie en aanpak van ondermijnende criminele activiteiten. Met dit doel voor ogen is er een toenemende behoefte aan meer kennis over en inzicht in de aard en omvang van de criminaliteit faciliterende functie van woon- en bedrijfsruimten in Nederland, en inzicht in welke instrumenten hiervoor worden ingezet in andere EU-landen. Deze doelstelling is vertaald in acht onderzoeksvragen. Nederlandse situatie: 1. Op welke wijze spelen woningen en/of bedrijfsruimten een rol bij het faciliteren van ondermijnende criminaliteit in Nederland? 2. Wat is (naar schatting) de omvang van de faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit in Nederland? 3. In welke mate bestaan er verschillen in aard en omvang hiervan tussen regio’s in Nederland? 4. Welke in de literatuur genoemde indicatoren wijzen op de faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit in Nederland? En zijn dezelfde indicatoren van toepassing binnen stedelijke en landelijke regio’s? Internationale vergelijking: 5. Op welke wijze spelen woningen en/of bedrijfsruimten een rol bij het faciliteren van ondermijnende criminaliteit in met Nederland vergelijkbare landen en welke indicatoren hiervoor zijn in die landen bekend? 6. Welke instrumenten, zowel preventief als repressief, worden in de bij dit onderzoek betrokken landen ingezet bij het tegengaan hiervan en wat is het juridisch kader waarbinnen deze instrumenten worden ingezet? 7. Wat zijn, in de bij dit onderzoek betrokken landen, de positieve en negatieve ervaringen bij de bestrijding van de faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit en welke voor- en nadelen worden bij de inzet van de verschillende instrumenten ervaren? 8. Welke instrumenten, uit de bij dit onderzoek betrokken landen, zouden nader bestudeerd kunnen worden voor de aanpak (zowel preventief als repressief) van dit fenomeen in Nederland? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit, 3. Geregistreerde en geschatte omvang, 4. Preventieve, repressieve en criminogene indicatoren, 5. De faciliterende rol van onroerend goed bij ondermijnende criminaliteit in vier EU-landen, 6. Conclusie
  • Van beroep in bezwaar - Werkwijze en verdienmodel ‘no cure no pay’ bedrijven WOZ en BPM

    Snippe, J.; Woestenburg, N.; Muijnck, J.A. de; Geertsema, B.; Roest, S.; Pieper, R. (Breuer & Intraval, 2020-12-31)
    Dit onderzoek is gericht op twee wetsterreinen: de Waardering Onroerende Zaken (WOZ) en de Belasting van Personenauto’s en Motorrijtuigen (BPM). Op beide terreinen is een stijging geconstateerd van het aantal ingediende bezwaar- en beroepschriften, een stijging van het aandeel door ncnp-bedrijven ingediende bezwaren en beroepen hierbinnen, en een stijging van de proceskostenvergoedingen en uitvoeringskosten voor de overheidsorganen die deze bezwaren en beroepen behandelen. Hierop zegde minister Dekker voor Rechtsbescherming, mede namens de staatssecretaris van Financiën, toe een onderzoek uit te laten voeren naar de werkwijze en het verdienmodel van ncnp-bedrijven. Om dit te onderzoeken is de volgende probleemstelling geformuleerd: Wat is de werkwijze en het verdienmodel van bedrijven die op basis van no cure no pay voor belastingplichtigen bezwaar- en beroepsprocedures starten bij WOZ- beschikkingen en BPM-aangiftes? Wat is de aard en omvang van dit soort procedures en hoe verhoudt het financieel belang van belastingplichtigen en de opbrengsten voor deze bedrijven zich tot de kosten die door de overheid worden gemaakt? Welke oplossingen kiezen gemeenten en de Belastingdienst om de afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures zo efficiënt mogelijk in te richten? INHOUD: Samenvatting, Summary, 1. Inleiding, 2. Onderzoeksopzet, 3. Context van juridische procedures WOZ en BPM, 4. Omvang bezwaren en uitvoeringslasten, 5. Ervaringen bezwaarmakers WOZ, 6. Werkwijze en verdienmodel, 7. Conclusies.
  • Agressie en geweld in het veiligheidsveld - Literatuurstudie naar agressie en geweld jegens beroepsgroepen werkend onder beleidsverantwoordelijkheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid

    Aarten, P.; Hudepohl, M.; Lakerveld, J. van; Matthys, J.; Buiskool, B.-J. (Universiteit Leiden - Platform Opleiding, Onderwijs en Organisatie (PLATO), 2020-12-31)
    Er is een literatuuronderzoek verricht naar geweld tegen hulpverleners en andere beroepsgroepen die werken onder de beleidsverantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Het rapport mondt uit in conclusies over de aard en omvang van geweld en agressie tegen beroepsgroepen, de beschikbare kennis daaromtrent, de implicaties daarvan voor de praktijk, beleid en onderzoeksagenda voor de toekomst. De beroepsgroepen waarop het onderzoek zich richt zijn handhavers, te weten politieambtenaren, boa’s in de openbare ruimte en verkeersregelaars, hulpverleners, te weten ambulancemedewerkers, en dienstverleners, te weten brandweermensen, gevangenismedewerkers, medewerkers van de reclassering, medewerkers van jeugdzorginstellingen, medewerkers in de migratieketen, waaronder medewerkers van de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) en asielzoekerscentra, en openbaarvervoermedewerkers. In de studie stond de volgende probleemstelling centraal: 1. Wat zijn in de literatuur beschreven beïnvloedende factoren in de context(en) (fysieke omgeving, gelegenheid, middelen gebruik, groepsdruk, anonimiteit en dader- en slachtofferprofiel) als het gaat om agressie en geweld jegens deze beroepsgroepen? 2. Wat zijn mogelijke en effectief gebleken oplossingsrichtingen (handelingsperspectieven) die kunnen leiden tot het verminderen of wegnemen van agressie en geweld jegens mensen met een publieke taak? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Methodologie, 3. Aard en omvang agressie en geweld, 4. Factoren die leiden tot agressie en geweld, 5. Maatschappelijke ontwikkelingen, 6. Handelingsperspectieven Resultatenhoofdstuk, 7. Conclusies en aanbevelingen, 8. Literatuur.
  • Recidive tijdens en na reclasseringstoezicht - Een onderzoek naar de uitvoering van reclasseringstoezicht en de samenhang met recidive

    Verweij, S.; Weijters, G. (WODC, 2020-12-31)
    In het huidige onderzoek is nagegaan in hoeverre gerecidiveerd wordt tijdens het toezicht en hoe zich dat verhoudt tot de recidive na het toezicht. Recidive wordt in het huidige onderzoek geoperationaliseerd als ‘een delict dat leidt tot een nieuwe strafzaak behandeld door het Openbaar Ministerie (OM) of door de rechter’. Voorts is er in vergelijking met de standaard recidivemeting meer aandacht besteed aan de samenhang van recidive tijdens en na het toezicht met verschillende uitvoerings-kenmerken van het toezicht. De volgende uitvoeringskenmerken zijn in het onder-zoek betrokken: het niveau van toezicht (intensiteit), de duur van het toezicht, de opgelegde bijzondere voorwaarden naast de meldplicht, het deelnemen aan een gedragsinterventie of het uitvoeren van een werkstraf gelijktijdig met het toezicht. In het huidige onderzoek zijn onderstaande onderzoeksvragen beantwoord: 1 Wat zijn de kenmerken van het toezicht van reclassenten waarvan het toezicht in 2013 is gestart? 2 In hoeverre wordt er gerecidiveerd tijdens en na de periode van toezicht? a. In welke mate is er sprake van algemene en zeer ernstige recidive tijdens en na de periode van toezicht? b. Van welk soort delicten is sprake tijdens en na de periode van toezicht? c. Hoe ontwikkelt de kans op algemene of zeer ernstige recidive tijdens en na het toezicht zich over de tijd? d. Is er een grotere kans op algemene of zeer ernstige recidive na het toezicht als er ook sprake was van algemene of zeer ernstige recidive tijdens het toezicht? 3 Welke uitvoeringskenmerken van het toezicht hangen samen met recidive tijdens en na toezicht?
  • Recidive na het CBR-onderzoek alcohol

    Blom, M.; Weijters, G. (WODC, 2020-12-31)
    Het onderzoek alcohol is primair bedoeld om vast te stellen of bij de betrokkene sprake is van problematisch alcoholgebruik. Afhankelijk van de uitslag van het onderzoek alcohol – ‘geschikt’ of ‘ongeschikt’ – volgt respectievelijk het opleggen van een EMA-cursus of een ongeldigverklaring van het rijbewijs. Door middel van educatie (EMA) of door incapacitatie (ongeldigverklaring) wordt gepoogd om rijden-onder-invloedrecidive te voorkomen. Het WODC is door Rijkswaterstaat (RWS) – namens het ministerie van Infrastruc-tuur en Waterstaat (IenW) – gevraagd om na te gaan in hoeverre het onderzoek alcohol en de maatregelen die daarop volgen, bijdragen aan het verminderen van de rijden-onder-invloedrecidive. De onderzoeksvragen luiden als volgt: 1. Wat zijn de achtergrondkenmerken van deelnemers aan het onderzoek alcohol uit 2015? 2. Draagt deelname aan het onderzoek alcohol bij aan het verminderen van de rijden-onder-invloed-recidive in haar doelgroep?
  • De strafmaat voor jeugdige daders van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven in internationaal perspectief

    Asscher, J.J.; Brink, Y.N. van den; Creemers, H.E.; Huls, E.; Logchem, E.K. van; Lynch, N.; Rap, S.E. (Universiteit Utrecht, 2020-12-30)
    In dit rapport worden de bevindingen gepresenteerd van onderzoek dat is verricht vanuit verschillende wetenschappelijke disciplines naar de sanctionering van jeugdige daders van ernstige gewelds- of zedenmisdrijven. Dit onderzoek is uitgevoerd tegen de achtergrond van de huidige politieke discussie over de maximale jeugddetentieduur in Nederland. Het doel van dit onderzoek is inzicht te verschaffen in de sanctietoemeting voor jeugdigen in verschillende Europese jurisdicties, alsook te verkennen in hoeverre de bevindingen aanleiding geven tot aanpassing van de Nederlandse strafrechtelijke aanpak van jeugdigen die worden veroordeeld voor een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf. In dit onderzoek is een inventarisatie gemaakt van de wettelijke kaders en praktijken in Nederland en vijf andere Europese landen, namelijk België (Vlaanderen), Duitsland, Engeland en Wales, Ierland en Zweden, met betrekking tot de sanctionering van jeugdige daders (12-23 jaar) van ernstige gewelds- of zedenmisdrijven. Daarnaast is een systematisch literatuuronderzoek uitgevoerd naar effecten van sancties bij jeugdige daders van ernstige gewelds- of zedenmisdrijven en is getracht om voor de geselecteerde landen inzicht te krijgen in de effectiviteit van opgelegde sancties, in het bijzonder met betrekking tot recidive. De centrale vraagstelling in dit onderzoek is: Welke sancties hanteren Nederland en andere Europese landen voor jeugdigen van 12 tot 23 jaar die een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf hebben gepleegd, wat is de effectiviteit hiervan en hoe verhouden deze sancties zich tot internationale en Europese kinder- en mensenrechtenstandaarden? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Het internationale en Europese kinder- en mensenrechtenkader, 3. Jeugdsanctierecht in vergelijking: grondslagen en wettelijke kaders in zes Europese landen, 4. Jeugdsanctietoemeting bij ernstige misdrijven in de praktijk vanuit rechtsvergelijkend perspectief, 5. Wat is er bekend over de effectiviteit van opgelegde sancties aan jeugdige daders van ernstige gewelds- en/of zedenmisdrijven, in het bijzonder met betrekking tot recidive? 6. Conclusies, implicaties en aandachtspunten
  • Governance Meerjaren Productie Prognose migratieketen

    Homburg, G.; Kuin, M.; Schols, H. (Regioplan beleidsonderzoek, 2020-12-30)
    De Meerjaren Productie Prognose (MPP) is een periodiek overzicht van ambtelijke prognoses voor de uitvoeringsdiensten in de migratieketen, waaronder de IND, het COA, de DT&V, de KMar en andere ketenpartners. De MPP wordt gebruikt voor de financiële cyclus en voorziet in jaarlijkse prognoses die elk halfjaar worden geüpdatet voor verschillende processen (zoals asiel, vreemdelingenbewaring of naturalisaties). De MPP wordt opgesteld door een werkgroep van ketenpartners en is dus een product van de migratieketen. Hierdoor kunnen vragen rijzen over de onafhankelijkheid en de mogelijkheid van oneigenlijke beïnvloeding. Om discussie hierover voor te zijn, heeft het WODC opdracht gegeven voor een onderzoek naar de voor- en nadelen die betrokkenen zien van de uitvoering van de MPP door een onderzoeksinstelling buiten de migratieketen. Het onderzoek is tussen juni en oktober 2020 uitgevoerd met documentstudie, interviews met ketenpartners en vertegenwoordigers van onafhankelijke onderzoeksinstellingen buiten de keten (met name Rijkskennisinstellingen) en een expertmeeting. INHOUD: 1. Aanleiding en doel onderzoek 2. Het MPP-proces, 3. Enkele andere prognoses: verkenning, 4. Voor- en nadelen, 5. Discussie en conclusie
  • State of the art crisisbeheersing - fase 2

    Lakerveld, J. van; Wolbers, J.; Zonneveld, A.; Matthys, J.; Akerboom, M. (Universiteit Leiden - Platform Opleiding, Onderwijs en Organisatie (PLATO), 2020-12-30)
    De NCTV laat state of the art onderzoeken uitvoeren op het gebied van cybersecurity, (contra) terrorisme en extremisme op het gebied van crisisbeheersing. Deze states of the arts zijn onderdeel van een programma dat zich richt op het realiseren van een NCTV-brede onderzoekagenda. PLATO en ISGA hebben in deze state of the art onderzoeken de eerste fase van het overkoepelende onderzoek naar crisisbeheersing uitgevoerd. In dit rapport staat het tweede fase onderzoek centraal waarin is voortgebouwd op de kennis en literatuurbestanden van het eerste fase onderzoek. Op grond van de conclusies van het eerste fase onderzoek is de volgende probleemstelling geformuleerd: Wat is volgens de wetenschappelijk literatuur de laatste stand van zaken met betrekking tot het domein crisisbeheersing voortbouwend op de resultaten van het onderzoek state of the art crisisbeheersing fase 1 (Lakerveld & Matthys, 2019). Aan de hand van deze probleemstelling zijn drie onderzoeksvragen geformuleerd. 1. Welke trends in soorten risico’s en crises en de omgang daarmee in het kader van crisisbeheersing kunnen worden vastgesteld? 2. Welke factoren bevorderen op meso-(organisatie) en micro-(individueel) niveau de effectiviteit en tijdigheid van crisisbeheersing? Op welke wijze zijn deze factoren te beïnvloeden? Wat betekent dit concreet voor de besluitvorming tijdens crisisbeheersing in de Nederlandse context? 3. Op welke wijze zijn factoren die bijdragen aan effectiviteit zo te beïnvloeden dat daarmee een bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteit (doelmatigheid en doeltreffendheid) van de crisisbeheersing/rampenbestrijding? INHOUD: 1. Samenvatting, 2. Inleiding, 3. Opzet van het onderzoek, 4. Het analyseren van crisismanagement, 5. Onderzoeksresultaten, 6. Conclusies, 7. Conclusies bezien in het licht van de Covid-19 crisis, 8. Literatuur, 9. Bijlagen, 10. Executive summary
  • Beleidsinstrumenten en extremistische wereldbeelden - Een verkennend rapport

    Koning, M. de; Vliek, M. (Radboud Universiteit Nijmegen - Faculteit Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen, 2020-12-30)
    Dit beleidsonderzoek gaat over hoe verschillende extremistische groepen of individuen beleidsinstrumenten van de overheid percipiëren, hoe zij daarop reageren en de relatie van dit overheidsbeleid met hun zelfidentificatie. Daarmee onderzoekt het de paradox van de moderne democratie: Hoe gaat een democratische samenleving om met de ondemocratische elementen in haar midden? Of het gaat om de inzet van repressieve middelen bij demonstraties, of om de re-integratieprogramma’s voor terugkerende Syriëgangers, de overheid is te allen tijde actief betrokken bij de ‘governance’ van eventueel ondemocratische elementen. Omgekeerd reageren extremistische groepen op hun beurt weer op dit overheidsbeleid; een kernaspect van al dan niet extremistisch politiek activisme is het uitdagen van de status quo. Het is deze wisselwerking tussen overheid en extremistische groepen en individuen over de verschillende beleidsinstrumenten gericht op de betrokkenen die we in dit rapport beschrijven en analyseren. Om deze wisselwerking te onderzoeken is in samenspraak met het WODC de volgende probleemstelling geformuleerd: Welke werking beoogt de overheid met beleidsinstrumenten die zijn gericht op in overheidsbeleid als zodanig benoemde religieus gemotiveerde extremisten in vergelijking met andere extremistische groepen? Hoe percipiëren deze groepen dergelijke beleidsinstrumenten en hoe verhoudt zich dat tot hun handelen en zelfidentificatie? INHOUD: Inleiding, 1. Groepen in het veld: definities en plaatsing, 2. Beleid gericht tegen radicalisering, extremisme en terrorisme, 3. Actierepertoires, 4. Alternatieve kennisbronnen, 5. Identiteiten en subjectiviteiten, 6. Conclusie
  • Verkenning MKBA-werkwijzer Justitie en Veiligheid

    Koopmans, C. (SEO Economisch onderzoek, 2020-12-30)
    Maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) wordt de afgelopen twintig jaar steeds vaker toegepast bij beleidsafwegingen. Er is een Algemene MKBA-leidraad opgesteld en er zijn MKBAwerkwijzers voor diverse beleidsterreinen. Ook voor het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) worden af en toe MKBA’s uitgevoerd. Voor het JenV-beleid is er echter nog geen werkwijzer. MKBA’s zorgen voor een beter beeld van de merites van beleid en helpen om de besluitvorming beter te informeren. Een MKBA kan worden gebruikt om het Integraal Afwegingskader (IAK) in te vullen, als onderbouwing van beleidsplannen en wetgevingsvoorstellen. MKBA’s sluiten ook aan bij het streven van de operatie “Inzicht in kwaliteit” die gericht is op beter inzicht in de resultaten van beleid en het benutten van deze inzichten om de maatschappelijke waarde van beleid te vergroten. Tegen deze achtergrond zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: 1. Is een sectorspecifieke werkwijzer voor het JenV-domein nodig? 2. Welke vervolgstappen zijn nodig om tot een sectorspecifieke werkwijzer voor het JenV-domein te komen (of het bestaande MKBA-instrumentarium beter toe te snijden op het JenV-domein)? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Wenselijkheid van een JenV-werkwijzer, 3. Vervolgstappen, 4. Conclusies

View more