Repository van het WODC

WODC Repository

De WODC Repository is de online bibliotheek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC). In deze bibliotheek publiceert het WODC alle onderzoeksrapporten en andere publicaties.

Gebruik het zoekvak bovenaan om publicaties te zoeken of gebruik het menu om te filteren op bijvoorbeeld publicatiedatum of auteur. Voor geavanceerd gebruik van de zoekfunctie is een hulppagina beschikbaar.

Bij problemen met de repository kunt u contact opnemen met het WODC.


The WODC Repository is the online library of the Research and Documentation Centre (WODC). The WODC publishes all research reports and other publications in this library.

Use the search box at the top to search for publications or use the menu to filter by publication date or author, for example. A help page is available for advanced use of the search function.

If you have problems with the repository, please contact the WODC.
 

  • Alimentatie van nu - Acceptatie van alimentatie in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen

    Kolkman, W.D.; Verstappen, L.C.A.; Visser, I.; Ibili, F. (medew.); Oost, S. (medew.) (Rijksuniversiteit Groningen, 2021)
    Dit onderzoek concentreert zich rond de probleemstelling of het wenselijk is de huidige regelingen van partner- en kinderalimentatie ‘bij de tijd’ te brengen. In dit kader komen drie facetten van alimentatie aan de orde: acceptatie door justitiabelen,aansluiting bij de huidige maatschappij en mogelijke aanpassingen van wet- en regelgeving, waaronder begrepen de Tremanormen. Deze facetten zijn onderling sterk met elkaar verbonden. Zo kan een aanpassing van de rekenmethodiek leiden tot een betere aansluiting bij de samenleving, waardoor betrokkenen sneller geneigd zullen zijn de regeling te aanvaarden. Uit de probleemstelling vloeien de volgende vier onderzoeksvragen voort: 1. Acceptatie door justitiabelen. Welke elementen van het systeem van partner- en kinderalimentatie dragen bij of doen afbreuk aan de acceptatie van de onderhoudsverplichting? In het verlengde hiervan rijst de vraag of er een verband is tussen de mate van acceptatie van de onderhoudsverplichtingen enerzijds en het aantal gerechtelijke procedures en invorderingsprocedures door het LBIO anderzijds. Dit onderdeel is nader uitgewerkt in hoofdstuk 4. 2. Aanpassing berekeningssysteem. Welke aanpassingen aan het bestaande berekeningssysteem van partneralimentatie kunnen bijdragen aan een vergroting van de acceptatie? In het bijzonder zal hierbij aandacht bestaan voor de vraag of een meer forfaitair stelsel de vergroting van de acceptatie bevordert. Ook stellen wij de vraag of een stelsel met een clean break tot een vergroting van de acceptatie van de onderhoudsverplichting leidt en een vermindering van het aantal procedures. Dit onderdeel is nader uitgewerkt in hoofdstuk 5. 3. Aansluiting bij maatschappij – algemeen. Sluit het stelsel van de onderhoudsverplichtingen aan bij de inrichting van de huidige maatschappij? Dit onderdeel is nader uitgewerkt in hoofdstuk 6. 4. Aansluiting bij maatschappij – informele samenlevers. Bij de maatschappelijke aansluiting speelt niet alleen de algemene vraag of het hedendaagse alimentatierecht nog wel ‘compatibel’ is, ook een specifieke vraag doemt hier op: dienen onderhoudsverplichtingen zich ook uit te strekken over de almaar groeiende groep ‘informele samenlevers’? Dit onderdeel is nader uitgewerkt in hoofdstuk 7. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Huidige stand van zaken wetgeving, jurisprudentie en literatuur, 3. Ontwikkelingen in (opvattingen over) relaties, gezinnen, kinderen en scheidingen, 4. Acceptatie door justitiabelen, 5. Aanpassing berekeningssysteem, 6. Aansluiting bij de maatschappij - algemeen, 7. Aansluiting bij de maatschappij- informeel samenlevenden, 8. Conclusies en beantwoording onderzoeksvragen
  • Trends in kunstcriminaliteit

    Charney, N.; Rausch, Chr.; Bouwknegt, L.; Hufnagel, S.; Bronswijk, R.; Gessel, F.; Beurden, J. van; Kila, J.; Scheepmaker, M. (red.) (WODC, 2021)
    ARTIKELEN: 1. Noah Charney - Kenmerken van kunstcriminaliteit 2.Christoph Rausch, Léonie Bouwknegt, Jeroen Duijsens en Frank Assendelft - ‘Dirty money, pretty art’. Witwassen en ondermijning in tijden van financialisering van kunst 3. Saskia Hufnagel - De aanpak van kunstcriminaliteit in Europa 4. Richard Bronswijk en Fons van Gessel - De aanpak van kunstcriminaliteit in Nederland 5. Jos van Beurden Dubieuze verwervingen en het Advies over de omgang met koloniale collecties 6. Joris Kila - De terugkeer van de beeldenstorm. Over iconoclasme, cultuurgoed en identiteit. Met enige regelmaat worden in Nederland bekende kunstwerken geroofd, veelal schilderijen uit musea. De laatste keer was in augustus 2020, toen uit het museum Hofje van Mevrouw Van Aerden in Leerdam een schilderij van Frans Hals werd gestolen. Opmerkelijk genoeg werd dit doek, getiteld Twee lachende jongens, al twee keer eerder gestolen en ook weer teruggevonden. Eerder in 2020 was een schilderij van Vincent van Gogh het doelwit van kunstrovers. Zij gingen ervandoor met het werk Lentetuin, de pastorietuin te Nuenen in het voorjaar, dat in bruikleen was bij het Singer Museum in Laren. Dit type kunstcriminaliteit spreekt tot de verbeelding en is niet voor niets onderwerp van veel boeken, films en televisieprogramma’s. Kunstcriminaliteit heeft echter veel meer verschijningsvormen dan enkel kunstroof. Traditioneel vallen fraude, vervalsing en vandalisme daar ook onder, maar daarnaast zijn er vormen van criminaliteit die aan kunst gerelateerd zijn, zoals witwassen, belastingmisdrijven, gijzeling en afpersing. Ook worden met de verkoopopbrengst van gestolen kunst of cultuurgoederen andere illegale activiteiten gefinancierd, zoals de aankoop van wapens ten behoeve van terrorisme. De activiteiten van kunstcriminelen, de betrokkenheid van de georganiseerde misdaad en de opsporing en vervolging van kunstcriminaliteit komen ruimschoots aan bod in deze aflevering van Justitiële verkenningen over ‘Trends in kunstcriminaliteit’. In dit themanummer verstaan we onder kunst ook antiek en cultureel erfgoed, ‘cultuurgoederen’. Aan sommige kunst en cultuurgoederen afkomstig uit voormalige Nederlandse koloniale gebieden kleeft een smet. Ook daar is aandacht voor, met een artikel over teruggave van deze objecten aan de landen van herkomst. Daarnaast komt een verschijnsel aan de orde dat eind jaren negentig in een themanummer van Justitiële verkenningen nog werd aangeduid als ‘kunstvandalisme’. In het afgelopen decennium heeft dit een nieuwe dimensie gekregen. Agressie tegen cultuurgoederen (iconoclasme) is nu vaak politiek, ideologisch gemotiveerd, zoals recente aanvallen op standbeelden van bijvoorbeeld koloniale gezagsdragers laten zien. Ook de vernietiging door Islamitische Staat (IS) van eeuwenoude bouwwerken in Irak en Syrië in 2015-2016 doet de vraag rijzen of we kunnen spreken van een terugkeer van het fenomeen beeldenstorm.
  • Voorwaardelijke beleidssepots bij daders van huiselijk geweld - Een onderzoek naar de opleggingspraktijk en effectiviteit in termen van recidive

    Beijersbergen, K.A.; Kros, M. (WODC, 2021)
    In de onderhavige studie is in kaart gebracht hoe de oplegging van voorwaardelijke beleidssepots bij huiselijk gewelddaders in de praktijk vorm krijgt en in hoeverre voorwaardelijke beleidssepots effectief zijn in het terugdringen van (huiselijk gewelds)recidive onder huiselijk gewelddaders. De studie maakt deel uit van het vijfjarige onderzoeksprogramma naar de recidive onder huiselijk gewelddaders. De volgend onderzoeksvragen zijn beantwoord: 1. Bij hoeveel daders van huiselijk geweld met een voorwaardelijk beleidssepot heeft de reclassering een advies uitgebracht over hoe de zaak af te doen en wat was het advies? 2. Wat zijn de kenmerken van de voorwaardelijk beleidssepots die zijn opgelegd bij daders van huiselijk geweld? a. Wat zijn de sepotgronden? b. Bij welk deel van de daders zijn bijzondere voorwaarden opgelegd en welke bijzondere voorwaarden zijn opgelegd? 3. Welke afwegingen maken reclasseringsmedewerkers en officieren van justitie in huiselijk geweldstrafzaken bij het respectievelijk adviseren en opleggen van een voorwaardelijk beleidssepot en de voorwaarden? 4. Hoe verhoudt de (huiselijk gewelds)recidive van huiselijk gewelddaders met een voorwaardelijk beleidssepot (onderzoeksgroep) zich tot de recidive van vergelijkbare huiselijk gewelddaders met een onvoorwaardelijk beleidssepot (controlegroep)? 5. Hoe verhoudt de (huiselijk gewelds)recidive van huiselijk gewelddaders met een voorwaardelijk beleidssepot met bijzondere voorwaarden (onderzoeksgroep A) zich tot de recidive van vergelijkbare huiselijk gewelddaders met een voorwaardelijk beleidssepot zonder bijzondere voorwaarden en dus enkel de algemene voorwaarde (onderzoeksgroep B)?
  • Wet straffen en beschermen en Visie 'Recht doen, kansen bieden' - Tussenrapport beleidslogica en kader voor evaluatie/monitoring

    Homburg, G.; Verbeek, E.; Grift, M. van de; Kuin, M. (Regioplan Beleidsonderzoek, 2020-12-31)
    Op 17 juni 2018 heeft de minister voor Rechtsbescherming, minister Dekker, het visiedocument ‘Recht doen, kansen bieden: naar effectievere gevangenisstraffen’ naar de Tweede Kamer gestuurd. Het visie-document gaat over de wijze waarop gevangenisstraffen worden uitgevoerd vanuit het perspectief van de geloofwaardigheid van straffen en de bescherming van de maatschappij. Het is een uitwerking van het regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ uit 2017. Centrale thema’s zijn de aanpassing van de voorwaardelijke invrijheidstelling (verder: v.i.) bij langere vrijheidsstraffen, een systeem van straffen en belonen in detentie en een verder versterkte inzet op vermindering van recidive. De Wet straffen en beschermen (verder: Wet senb), waarin veel elementen uit het visiedocument een plaats hebben gekregen, wordt op 1 mei 2021 van kracht. Om de evaluatie voor te bereiden en daarmee tevens inzicht te geven in het evaluatiekader heeft het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) besloten om een voorbereidend onderzoek uit te laten voeren. Dit onderzoek is dus niet de evaluatie zelf, maar blikt daarop vooruit en beoogt te bevorderen dat er een goede kennisbasis voor de latere evaluatie is. INHOUD: 1. Inleiding, 2. Beleidslogica, 3. Vooruitblik evaluatie Wet senb en Visie
  • Criminele gebouwen - De faciliterende rol van woningen en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit in Nederland en vier EU-landen

    Kruize, P.; Gruter, P.; Suchtelen, T. van (medew.) (Ateno, 2020-12-31)
    Aanleiding voor dit onderzoek is een Kamermotie waarin de regering wordt gevraagd te bezien langs welke weg particuliere eigenaren en woningcorporaties kunnen worden gewaarschuwd voor criminele intenties van potentiële gebruikers/huurders van hun onroerend goed bezit. Het streven is gemeenten, woningbouwcorporaties en bonafide private partijen instrumenten ter hand te stellen voor de preventie en aanpak van ondermijnende criminele activiteiten. Met dit doel voor ogen is er een toenemende behoefte aan meer kennis over en inzicht in de aard en omvang van de criminaliteit faciliterende functie van woon- en bedrijfsruimten in Nederland, en inzicht in welke instrumenten hiervoor worden ingezet in andere EU-landen. Deze doelstelling is vertaald in acht onderzoeksvragen. Nederlandse situatie: 1. Op welke wijze spelen woningen en/of bedrijfsruimten een rol bij het faciliteren van ondermijnende criminaliteit in Nederland? 2. Wat is (naar schatting) de omvang van de faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit in Nederland? 3. In welke mate bestaan er verschillen in aard en omvang hiervan tussen regio’s in Nederland? 4. Welke in de literatuur genoemde indicatoren wijzen op de faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit in Nederland? En zijn dezelfde indicatoren van toepassing binnen stedelijke en landelijke regio’s? Internationale vergelijking: 5. Op welke wijze spelen woningen en/of bedrijfsruimten een rol bij het faciliteren van ondermijnende criminaliteit in met Nederland vergelijkbare landen en welke indicatoren hiervoor zijn in die landen bekend? 6. Welke instrumenten, zowel preventief als repressief, worden in de bij dit onderzoek betrokken landen ingezet bij het tegengaan hiervan en wat is het juridisch kader waarbinnen deze instrumenten worden ingezet? 7. Wat zijn, in de bij dit onderzoek betrokken landen, de positieve en negatieve ervaringen bij de bestrijding van de faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit en welke voor- en nadelen worden bij de inzet van de verschillende instrumenten ervaren? 8. Welke instrumenten, uit de bij dit onderzoek betrokken landen, zouden nader bestudeerd kunnen worden voor de aanpak (zowel preventief als repressief) van dit fenomeen in Nederland? INHOUD: 1. Inleiding, 2. Faciliterende rol van woon- en bedrijfsruimten bij ondermijnende criminaliteit, 3. Geregistreerde en geschatte omvang, 4. Preventieve, repressieve en criminogene indicatoren, 5. De faciliterende rol van onroerend goed bij ondermijnende criminaliteit in vier EU-landen, 6. Conclusie

View more